De herontdekking van het Nederlandse Atlanticum
Recensieartikel
Mijers, E.
Dit artikel bespreekt vier recent verschenen werken over de aanwezigheid van de Nederlanders in de West in de zeventiende eeuw. Ondanks de verguisde reputatie van de WIC in vergelijking met de VOC, beleefd de geschiedenis van de Nederlandse Amerikaanse gewesten momenteel een opleving. Deze publicaties zijn hier een voorbeeld van. Na een korte uiteenzetting van de historische en historiografische ontwikkelingen, worden de twee bundels en twee monografieën onder de loep genomen en worden enige kritische kanttekeningen geplaatst bij de huidige stand van onderzoek.
Dutch Atlantic
De Dutch Atlantic beleeft momenteel een opleving. Alhoewel Nederland op het gebied van Atlantische studies achterloopt bij de Angelsaksische wereld waar de zogenaamde Atlantic World al jaren integraal deel uitmaakt van de Britse geschiedenis aan de ene kant en de geschiedenis van het Amerikaanse koloniale verleden aan de andere kant, is de afgelopen jaren een reeks werken verschenen die wijzen op een inhaalslag, voornamelijk voor wat betreft de Nederlandse aanwezigheid in Noord-Amerika.
Het verhaal van de Nederlandse expansie ten tijde van de zeventiende-eeuwse Gouden Eeuw is welbekend. In navolging van het succes van de Verenigde Oost-Indische Compagnie, werd in 1621 een tweede nationale handelscompagnie opgericht met een monopolie op de handel met Afrika en Amerika. De West-Indische Compagnie had in de eerste plaats een politiek doel, namelijk om de Spanjaarden – reeds ruim een eeuw heer en meester van de Transatlantische gebiedsdelen – zo veel mogelijk economische en materiële schade toe te brengen door middel van kaapvaart, smokkelhandel en het aanleggen van nieuwe handelsroutes. Dit zorgde voor een kwakkelend begin in het reeds dichtbevolkte Atlantische gebied. De Nederlandse Republiek voegde zich bij een reeks landen – Spanje, Portugal, Frankrijk en Engeland – die allen druk doende waren om hun Atlantische belangen te beschermen of te ontplooien. Geconfronteerd met deze buitenlandse, maar ook met binnenlandse concurrentie – de WIC zag haar monopolie vanaf het begin aangetast door een aantal privé-ondernemingen en handelshuizen – en een gebrek aan investeringen, wist de WIC nooit het succes van haar oudere tegenhanger te evenaren.
Het handelsgebied van de WIC actief was omvangrijk en omvatte de westkust van Afrika, Pernambuco in Noord-Brazilië, de Wilde Kust van Centraal Amerika, Suriname, de Antilliaanse eilanden en Nieuw Nederland in Noord-Amerika, het huidige New York. Ondanks haar omvangrijke geografie, de lange bestaansduur- nadat de ‘oude’ WIC in 1674 bankroet was gegaan werd de compagnie in afgeslankte vorm voortgezet als de ‘nieuwe’ WIC – en de diversiteit van haar activiteiten – kaapvaart en oorlogsvoering, goederen- en slavenhandel, volksplantingen- heeft de WIC nooit dezelfde aandacht gekregen als de VOC. De combinatie van een weinig opbeurende geschiedenis met het verloren gaan van grote delen van haar archief, maakten de WIC het ondergeschoven kind van het succesverhaal van de Nederlandse expansie. Korte oplevingen van interesse in de afgelopen eeuwen konden dit feit niet veranderen.
Dat de geschiedenis van de WIC echter interessanter en succesvoller blijkt dan lange tijd aangenomen werd, is met name te danken aan het recente werk van een aantal Nederlandse (sociaal-economische) wetenschappers, die sinds de late jaren negentig actief zijn. Naast historici als Piet Emmer, Wim Klooster, Victor Enthoven en Johannes Postma is in de afgelopen jaren een generatie van voornamelijk Amerikaanse academici naar voren gekomen, die de sociale en culturele omstandigheden en invloed van de Nederlanders in de West verder bestuderen. Donna Merwick, Joyce Goodfriend, David Voorhees en Benjamin Schmidt, om maar een aantal leden van deze uiteenlopende groep te noemen, bestuderen de Nederlandse koloniën vanuit een Amerikaans cultureel perspectief. Hoe dynamisch de geschiedschrijving van Nederlands Amerika is geworden, blijkt uit het feit dat het inmiddels onderdeel uitmaakt van de curricula van de zogenaamde post-graduate programmes in Atlantische geschiedenis aan prestigieuze Amerikaanse universiteiten als bijvoorbeeld New York University (NYU).
Dat hierbij onevenredig veel aandacht is voor Nieuw Nederland, valt niet alleen te verklaren door de Amerikaanse interesse in het eigen verleden, maar ook door de spectaculaire vondst, ruim dertig jaar geleden, van het archief van deze kolonie in de catacomben van de New York State Library in Albany. De vertaling en publicatie van de archiefstukken is sinds 1974 de taak van het zogenaamde New Netherland Project onder leiding van Charles Gehring. De omvangrijke serie werken voortgekomen uit dit project omvat vrijwel de gehele administratie van het gewest en vormde zelfs de in The Epic Story of Dutch Manhattan & the Forgotten Colony that Shaped America meekreeg. Shorto geeft hierin een geromantiseerd beeld van de Nederlandse gemeenschap op het eiland Manhattan en de machtsstrijd tussen de bestuurders Peter Stuyvesant en Adriaan van Donk. Zoals Wim Klooster echter aantoont in een van de hier te bespreken werken, was Nieuw-Nederland voor de WIC van ondergeschikt belang. Desalniettemin is het gewest ook in dit overzicht oververtegenwoordigd. Ter bespreking volgen hier twee bundels en twee dissertaties, waarvan er slechts een, Riches from Atlantic Commerce. Dutch Transatlantic Trade and Shipping, 1585-1817 van Johannes Postma en Victor Enthoven, zich richt op de WIC in haar geheel.
Riches from Atlantic Commerce is het eerste deel in een nieuwe serie, genaamd "The Atlantic World", uitgegeven door Brill. De redacteuren Benjamin Schmidt en Wim Klooster zijn beiden specialist op het gebied van de vroegmoderne Nederlandse Atlantische Wereld, hoewel de serie zich niet specifiek richt op de Republiek- Klooster ging onlangs zelfs zover als zich af te vragen of er wel zoiets bestaat als de Dutch Atlantic World.1 Riches from Atlantic Commerce is een fors boek dat uit veertien hoofdstukken bestaat, opgedeeld in vier secties: het eerste deel (mijns inziens) meest interessante: beschrijft het vroege begin van de Nederlandse vaart in het Atlantisch gebied (Enthoven), de handel met Portugees Brazilië (Christopher Ebert) en de geschiedenis van de WIC (Henk den Heijer). Hierna volgen delen over de slaven- en goederenhandel met Afrika, de handel met het Caribische gebied en Noord-Amerika, met Suriname, Essequibo en Demarara. De bundel wordt afgesloten met twee uitstekende overzichtshoofdstukken die de huidige stand van zaken voor wat betreft de handel en de scheepvaart analyseren. De collectie bevat ook een belangrijke serie appendices, inclusief een lijst van relevante archieven en databestanden. Riches from Atlantic Commerce is in de eerste plaats een poging om de verguisde geschiedenis van de WIC te rehabiliteren. De bundel is het product van een seminarserie en een symposium die in 1996 plaatsvonden aan de Universiteit Leiden, met de titel Dutch Atlantic Shipping, 1600-1800. Het is veelzeggend over de stand van zaken van het WIC onderzoek dat geen van de auteurs een permanente positie heeft aan een Nederlandse universiteit.
Dat het onderzoek naar de WIC – in tegenstelling tot dat naar de Nederlandse aanwezigheid in Noord-Amerika – nog gedeeltelijk in de kinderschoenen staat, blijkt uit de onevenwichtigheid van deze bundel. Bij tijd en wijlen doet de aanpak van bepaalde auteurs, die nog sterk gericht lijkt op het verzamelen van data en minder op het analyseren van het bronnenmateriaal, wel heel ouderwets aan. Het artikel van Postma over de slavenhandel is het meest sprekende voorbeeld. De laatste sectie met artikelen van Victor Enthoven en Wim Klooster is dan ook een welkome afsluiter. Hierin wordt daadwerkelijk een poging gedaan tot synthese en analyse van het Nederlandse Atlantische economische systeem. Prangender is het probleem dat de bundel vrijwel uitsluitend de nadruk legt op handel en scheepvaart, zonder de sociale en culturele kant van de WIC activiteiten te erkennen. Claudia Schnurmann’s hoofdstuk over de koopman Jacob Leisler en zijn netwerken vormt hierop een uitzondering. Als enige neemt zij ook begrippen zoals identiteit en loyaliteit onder de loep- belangrijke concepten in de internationale Atlantische wereld. De staat van onderzoek naar de WIC staat in scherp contrast met dat naar Nieuw-Nederland.
De tweede bundel met essays, Revisiting New Netherland. Perspectives on Early Dutch America, is geredigeerd door de Amerikaanse historica Joyce Goodfriend. Als een auteur die uit de Amerikaanse historiografische traditie met betrekking tot Nieuw Nederland komt, stelt Goodfriend een vraag die weliswaar nauw verwant is aan die van Enthoven en Postma - waarom wordt het Nederlandse erfgoed in Noord Amerika nog steeds als klein en onbetekenend beschouwd? - maar die tegelijkertijd duidelijk afstand neemt van de economische en politiek handelsgeschiedenis van de WIC. In haar introductie constateert Goodfriend de opmars van de zogenaamde cultural studies, een ontwikkeling waar Riches from Atlantic Commerce vrijwel volledig aan voorbij gaat.
Goodfriend geeft een goed beeld van de historiografische stand van zaken en de opsomming van haar bevindingen verdient in zijn geheel te worden geciteerd: Historici die de ontwikkelingen in de kolonie van de WIC verbinden aan gebeurtenissen in Europa, Amerika en Afrika zijn verder gegaan dan de Anglocentrische interpretatie van de geschiedenis van de kolonie om meer inzicht te krijgen in de periode waarin de Nederlanders voet aan de grond hadden in Noord-Amerika. In een aantal werken over economische, politieke, sociale en culturele onderwerpen, hebben zij omvang- rijke bronnen voor de geschiedenis van Nieuw Nederland opgegraven […] om aan te tonen wat de interactie was tussen centrum en periferie in de zeventiende-eeuwse wereld.2
Goodfriend’s bundel is een prima weergave van deze situatie, met ruime aandacht voor een internationaal perspectief. Zo beschrijft Wim Klooster de plaats van Nieuw-Nederland binnen het Grand Scheme van de WIC en Richard Waldron analyseert de concurrentie met de buurkolonie Nieuw-Zweden. Het afsluitende hoofdstuk van David Voorhees, met de intrigerende titel ‘Tying the Loose Ends Together: Putting New Netherland Studies on a Par with the Study of Other Regions’, verdient een bijzondere pluim. Voorhees zet hierin een onderzoeksagenda uiteen, die oproept tot meer onderzoek naar hoe Nederlands Nieuw-Nederland was en stelt hierbij vragen over bijvoorbeeld contacten met niet-Nederlanders - zowel Europees, Indiaans als Afrikaans -, over de rol van de gereformeerde kerk en de Nederlandse taal, en over sociale groepen en eenheden als slaven, families en handelsnetwerken. Voorhees roept hierbij op tot het begrijpen van Nieuw-Nederland binnen het kader van een Nederlands Europese cultuur.
De kracht van Goodfriends collectie is dat deze niet in de ‘val’ wordt gelokt van het huidige onderzoek naar migrantengemeenschappen in het algemeen en koloniaal Amerika in het bijzonder. Een van de problemen van het onderzoek naar de plaats van Nederlanders in de Atlantische wereld - de geschiedenis van de slavenhandel daargelaten - is dat het snel vervalt in droge handelsgeschiedenis aan de ene kant, en, meer recentelijk, in ‘nationale’ migratiegeschiedenis aan de andere kant. Zo zien bijvoorbeeld de Britten hun Empire als exclusief Brits, en de Nederlanders hun overzeese gebieden als specifiek Nederlands. Het gevolg is al snel dat de situatie in het moederland wordt geprojecteerd op die in de koloniën. Buitenlandse gemeenschappen worden zo vaak bepaalde eigenschappen toegeschreven die meer gemeen hebben met wat er speelde in patria (oorlog, revolutie, verstedelijking, religieuze afscheiding) dan met de situatie ter plaatse. Zo wordt op kunstmatige wijze een identiteit en een gemeenschap gecreëerd, die zo uniek is dat deze vrijwel niet langer past in het grotere verband. De integratie van Nieuw-Nederland in de nieuwe culturele aanpak, zoals Goodfriend deze uiteen zet in bovenstaand citaat, is in ieder geval grotendeels geslaagd, en het is te hopen dat andere wetenschappers haar voorbeeld en de agenda van David Voorhees zullen volgen.
Ook de monografieën van Jaap Jacobs en Janny Venema concentreren hun aandacht op het gewest Nieuw-Nederland, al zijn deze enger in focus dan Goodfriends collectie. Beide zagen oorspronkelijk het daglicht als. Alhoewel zowel Jacobs en Venema Nederlanders zijn, vertoont hun aanpak vooral overeenkomst met de culturele Amerikaanse traditie en past deze binnen het kader dat Goodfriend schetst in haar introductie. Beide werken bespreken niet de traditionele grote thema’s zoals scheepvaart, handel, slavernij of de organisatie van de WIC, maar de sociale organisatie en de culturele aspecten van de Nederlandse aanwezigheid in Noord-Amerika. In zeker opzicht zijn beide werken dan ook te vergelijken, al zijn er duidelijke verschillen in uitgangspunten en conclusie. Jacobs geeft voornamelijk een beschrijving van een plaats, de handelspost Nieuw Nederland, terwijl Venema’s aandacht zich vooral concentreert op een groep individuen, de inwoners van het dorp Beverwijck. De lezer krijgt de indruk dat Nieuw-Nederland ook met een andere migrantensamenstelling tot wasdom had kunnen komen, terwijl de ontwikkeling en uiteindelijke vorm van Venema’s Beverwijck een afspiegeling is van de bewoners. Dit is een logische conclusie – het beleid van de WIC in Noord-Amerika was immers in de eerste plaats gericht op handel; de plaatselijke invulling van dit beleid werd aan de zogenaamde patroon overgelaten.
Een tweede kenmerkend verschil is dat Jacobs Zegenrijk gewest een verlengstuk is van de zeventiende-eeuwse Republiek, terwijl Venema een cultuur schetst die onderhevig was aan continue verandering en invloeden van buitenaf. Jacobs’ werk, New Netherland: A Dutch Colony in Seventeenth Century America, is een vertaalde en herziene versie van zijn oorspronkelijke dissertatie Een Zegenrijk Gewest. Zijn centrale thema is de stichting en ontwikkeling van Nieuw-Nederland van handelsdepot naar een koloniale nederzetting. Hij is voornamelijk geïnteresseerd in de cultuur van dit overzeese gebiedsdeel en haar relaties met patria. Jacobs hanteert hierbij een definitie van Peter Burke waarin cultuur staat voor een ‘systeem van gedeelde betekenissen, houdingen en waarden, en de symbolische vormen (handelingen, voorwerpen) waarin zij uitgedrukt of belichaamd worden’.
Van groot belang voor Jacobs is hierbij Wim Kloosters vraag over de betekenis van het concept Dutch Atlantic. Hij ziet immers het gewest als een verlangstuk van de Nederlandse Republiek. Jacobs werk is een uitstekend geschreven en uiterst leesbare monografie. New Netherland bestaat uit zeven hoofdstukken, waarin voornamelijk de plaats Nieuw-Nederland en de instituties zoals de lokale overheid, rechtspraak, en de kerk en groepen inwoners centraal staan, maar niet de gemeenschap of de individuele personen, al bevat het werk een aantal appendices met namen van bestuursleden, dominees etc. Jacobs heeft aandacht voor de soorten immigranten en hun motieven, de levenstandaard en de sociale omstandigheden van de inwoners van Nieuw-Nederland, en contacten met de buitenwereld van Engelsen en Indianen, al ziet hij geen plaats voor deze groepen binnen de interne aangelegenheden, laat staan dat ze een bijdrage leverden aan de ontwikkelende cultuur van de kolonie.
Janny Venema’s Beverwijck: A Dutch Village on the American Frontier, 1652-1664 is het laatste werk wat hier besproken zal worden. Venema is als assistente betrokken bij Charles Gehrings New Netherland Project. Zoals de titel van haar boek al aangeeft, heeft Venema een ander uitgangspunt dan Jacobs: dat van de Amerikaanse frontier. Het centrale thema in Venema’s werk is dan ook de veranderende cultuur van de Europese - niet slechts de Nederlandse - kolonisten in een grensplaats als Beverwijck, zoals die was blootgesteld aan de Noord-Amerikaanse natuurlijke omgeving en de plaatselijke bevolking.
Hoewel ze Burke’s definitie deelt met Jacobs, leidt dit tot een ander uitgangspunt. Met behulp van een historisch-antropologische aanpak legt Venema de nadruk op de ontwikkeling van de groep individuen die zich oorspronkelijk in in 1652 in Beverwijck vestigden tot een koloniale, zoniet ‘Amerikaanse’ gemeenschap. Ze behandelt daarbij sociale thema’s als rechtspraak, de rol van de kerk, zorg voor zieken, wezen en armen, alsmede het belang van handel, slavernij, en contacten met Indianen.
Maar Beverwijck is in de eerste plaats een boek over de veranderende mentale wereld van de inwoners van de kolonie. De invloed van Venema’s promotor Willem Frijhoff is hier duidelijk zichtbaar. De sociale inrichting van de gemeenschap - familie, vriendschap, huwelijk, kinderen, kerk lidmaatschap en sociale verschillen - spelen bij Venema een grotere rol dan bij Jacobs. Bovendien heeft ze meer aandacht voor de heterogene samenstelling van haar gemeenschap. Opvallend is ook de nadruk die Venema legt op bouwen en architectuur, zowel van gebouwen als van de gemeenschap zelf. Beverwijck is rijk geïllustreerd, met veel kaarten en plattegronden die een goed overzicht geven van hoe het plaatsje eruit moet hebben gezien tijdens het bewind van de patroon Kiliaen van Rensselaer. Desalniettemin is dit het minst toegankelijke werk, voornamelijk vanwege Venema’s stroeve manier van schrijven.
De hier besproken werken worden allen gekenmerkt door de uitstekende kwaliteit van hun onderzoek. Het is duidelijk dat er een nieuwe internationale canon in ontwikkeling is, die afstand doet van de traditionele handelsgeschiedenis van de WIC. Het gevaar bestaat hierbij echter dat de nadruk te sterk komt te liggen op migratiegeschiedenis, met een te groot enthousiasme voor en een versimpeling van grote thema’s als identiteit, sociale cohesie en gemeenschap. Er is een tegenhanger nodig die de internationale context ter plaatse, niet alleen in Nieuw Nederland, maar ook in Brazilië, Suriname, Wilde Kust en de Antillen, onder de loep neemt. De werken van Klooster en Postma, Goodfriend, Venema en Jacobs vertonen bemoedigende aanwijzingen dat het onderzoek de juiste kant opgaat. Een deel van het Nederlandse Atlanticum is inmiddels herontdekt en is de kinderschoenen ontgroeid. Het is te hopen dat de rest niet lang achterblijft.
Esther Mijers, University of Aberdeen
Noten
1 Pieter C. Emmer and Wim Klooster, ‘The Dutch Atlantic, 1600-1800.
Expansion without Empire’, Itinerario 23 (1999), 2: 48-49.
2 Joyce D. Goodfriend, ‘Introduction’ in: Idem (ed.), Revisiting New Netherland. Perspectives on Early Dutch America (Leiden, 2005), 6-7.
Vertaling: David Onnekink
Personalia
Esther Mijers (1973) is als Teaching Fellow verbonden aan de Universiteit van Aberdeen. Ze was tot voor kort onderzoeker bij het project 'American Colonies, Scottish Entrepreneurs and British State Formation in the 17th Century'. Ze is specialist op het gebied van vroeg- moderne Schots-Nederlandse relaties, zowel in Europese als Atlantische context.
Jaargang 17 (2006) No 2 - themanummer religie en de Nieuwe Wereld
Trefwoorden: Kolonialisme, WIC, Amerikaanse geschiedenis.
