Geloof en geschiedenis in Groningerland
Janse, A.
Natuurlijke rampen hebben geestelijke oorzaken. Deze stelling is in de geschiedenis van het christelijke westen in de levens van talloze mensen een concrete werkelijkheid geweest. Misoogsten, besmettelijke ziekten, stormen en overstromingen werden zonder aarzeling geïnterpreteerd als straffen van God voor de zonden van de mensen.
Op zichzelf is dat niet zo’n opmerkelijke zaak: wie gelooft dat God is zoals Hij zich in Zijn Woord bekend maakt, zal rekening houden met Zijn hand in alles wat gebeurt. En rampen kunnen nu eenmaal moeilijk als zegeningen worden uitgelegd.
Opvallend is wel dat deze abstracte belijdenis vaak tot geheel verschillende resultaten leidt wanneer men wil aanwijzen om welke concrete zonden God Zijn straffende hand heeft uitgestrekt. Natuurlijk, er zijn zaken waarover iedereen het eens is. De doopsgezinde leraar P.J. Twisk schreef in 1636 dat een belangrijke oorzaak van de pest was gelegen in het "vreeten, suypen, drincken, klincken, slempen, dobbelen, spelen, gasten, brassen, proncken en pralen," waardoor Gods toorn werd opgeroepen. 1 Dit was geen opzienbarende gedachte en er zullen maar weinigen zijn geweest, of ze nu gereformeerd of katholiek waren, die bij het lezen van deze woorden hun wenkbrauwen hebben gefronst. Klachten over het verval van de christelijke zeden zijn zo oud als het christendom zelf en met grote regelmaat werden natuurrampen aangewezen als het onontkoombare gevolg van de groeiende losbandigheid.
Maar we komen ook verklaringen tegen die op een veel minder voorspelbare wijze verband leggen tussen een catastrofe en gebeurtenissen, omstandigheden of opvattingen die de toorn van God zouden hebben opgewekt. En daarin is de eenstemmigheid vaak ver te zoeken. Deze tijdgebonden interpretaties zijn belangrijk omdat ze inzicht geven in hoe de schrijvers en daardoor in veel gevallen hun lezers hun eigen tijd beoordeelden en over welke zonden ze zich vooral zorgen maakten.
De watersnoodramp van 1219
Op dinsdagavond 15 januari in het jaar 1219 woedde er in de noordelijke Nederlanden een zware zuidwesterstorm. Een striemende wind zweepte het water van de Noordzee op en in de kustgebieden keek men angstig naar de dijken. Gelukkig leek de storm bij het invallen van de nacht te gaan liggen, zodat de mensen toch enigszins gerustgesteld hun bed opzochten. Kort daarna draaide de wind echter naar het noordwesten, waardoor in het Friese kustgebied de hui- dige provincies Friesland en Groningen een stormvloed ontstond. Op sommige plaatsen bleken de dijken niet tegen het kolkende water bestand.
In Fivelgo, de streek tussen Uithuizen en Appingedam, zorgde de vloed voor een ware watersnoodramp, die bekend zou worden als de Marcellusvloed. De mensen werden in hun slaap opgeschrikt door het binnenstromende zeewater. Velen wisten zich nog op het dak van hun huis in veiligheid te brengen, maar honderden mannen, vrouwen en kinderen waren te laat en vonden de dood.
Deze ramp, die voor de Friezen een periode van misoogsten, honger en hoge prijzen inluidde, kennen we voornamelijk uit twee geschriften, die beide uitvoerig ingaan op de diepere oorzaken van de gebeurtenis. De interpretaties zijn geheel verschillend, maar sluiten beide nauw aan bij toenmalige ontwikkelingen in de middeleeuwse theologie.
Caesarius van Heisterbach
In de jaren 1219-1223 schreef Caesarius van Heisterbach, een cisterciënzer monnik uit het Rijnland, een Dialoog over wonderen (Dialogus miraculorum), waarin hij de monastieke vroomheid en de leer van de kerk op pakkende wijze uiteenzet: ethische en dogmatische beginselen worden kort uiteengezet en vervolgens verduidelijkt met tientallen, nee honderden verhalen. De verhalen worden gepresenteerd als waar gebeurd en in een groot aantal komt men inderdaad historische personen, plaatsen en omstandigheden tegen. Zo ook in een verhaal dat is opgenomen in het hoofdstuk over Maria, de bewaarder (conservatrix) der wereld. Daarin geeft Caesarius namelijk een uitvoerige beschrijving van de Marcellus- vloed.
Interessanter dan de beschrijving is echter de interpretatie die erop volgt. Volgens Caesarius was de ramp ver- oorzaakt door de zonde van één man. Een Friese kampvechter was enige tijd tevoren op oneerbiedige wijze met de hostie omgesprongen. Toen zijn vrouw, die ziek op bed lag, thuis het Lichaam des Heren kreeg toegediend, had hij in beschonken toestand met een bierpul de hosties uit de handen van de priester geslagen, zodat het geconse- creerde brood op de grond was gevallen. Voor deze heiligschennende lichtzinnigheid werd de man geëxcom- municeerd en als boetedoening moest hij op kruistocht gaan. Later ontving een tante van de abt van Aduard een visioen van Maria, die haar openbaarde dat de Marcellusvloed was veroorzaakt door de zonde van deze kampvechter.
Caesarius heeft dit verhaal waarschijnlijk gebaseerd op informatie die hij van de abt van Aduard had gekregen. Blijkbaar was men er in Aduard van overtuigd dat een lichtzinnige omgang met de hostie desastreuze gevolgen kon hebben. Daarmee sloot men geheel aan bij de cisterciënzer spiritualiteit, waarin de verering van de eucharistie een belangrijke rol speelde. Sinds de leer van de transsubstantiatie, die in de elfde eeuw tot ontwikkeling was gekomen en op het Vierde Lateraans concilie van 1215 als dogma was vastgesteld, had de verering van de hostie in het algemeen een hoge vlucht genomen. Het getranssubstantieerde stukje brood werd behandeld als een reliek: er werden kaarsen voor gebrand, men knielde ervoor neer en kende er magische krachten aan toe. Een hostie in de stal verrichtte wonderen van vruchtbaarheid.
In het begin van de dertiende eeuw had het dogma van de transsubstantiatie echter nog niet overal tot een magische visie op de hostie geleid. Er zijn meer verhalen in de Dialoog van Caesarius die suggereren dat men in de Friese landen nog niet zo sterk doordrongen was van het feit dat de geconsecreerde hostie en wijn wérkelijk in het lichaam en bloed van Christus waren veranderd. Zo vertelt Caesarius ook van een priester die zulke trillende handen had, dat hij het sacrament van het bloed van Christus eens uit zijn handen op de grond liet vallen. In de hoop dat niemand het zag, ging hij er gauw met zijn voet op staan. Ook deze zonde, die voortkwam uit ongeloof ten aanzien van het wonder van de eucharistie, werd door Caesarius met de Marcellusvloed in verband gebracht. 2
Emo van Wittewierum
In de tijd dat Caesarius zijn wonderverhalen schreef, werkte een andere kloosterling aan een kroniek waarin dezelfde Marcellusvloed een centrale plaats innam. Voor deze auteur, abt Emo van het premonstratenzer klooster Bloemhof in Wittewierum (halverwege tussen Groningen en Appingedam) was de watersnoodramp van 1219 waarschijnlijk zelfs de voornaamste aanleiding om een kroniek te beginnen. 3 Dit is op zichzelf niet verwonderlijk, want het klooster Bloemhof werd zwaar getroffen door de ramp. Het zusterklooster Rozenkamp, dat onder verantwoordelijkheid van de abt viel, was onder water komen te staan en in de gehele streek raakte het grondwater verzilt, zodat de oogsten mislukten. Emo’s beschrijving van de vloed is dan ook zeer emotioneel en dat geldt nog veel sterker voor zijn beschouwingen over de geestelijke oorzaken van de ramp.
In de kroniek worden zowel natuurlijke als geestelijke oorzaken behandeld. Na een zeer gedetailleerd verslag van de rampzalige gebeurtenissen geeft Emo enkele natuurweten- schappelijke overwegingen over de mogelijke oorzaken van de vloed. Hij was een geleerd man en goed op de hoogte van de meteorologische inzichten van zijn tijd. Zo verbond hij de storm met stromingen in de oceaan, terwijl het hoge water veroorzaakt kon worden door de invloed van de maan en de stand van sterren en planeten. Maar toch bevredigde deze verklaring hem niet helemaal. Een overstroming vindt immers plaats vanwege de misdaden van de mensen, zoals in de dagen van Noach. Op de natuurwetenschappelijke beschouwingen volgen dan ook uitvoerige bespiegelingen waarin Emo zich afvraagt om welke zonden God het Friese volk zo zwaar had gestraft.
Het verhaal over de heiligschennis met de hostie vertelt Emo niet, maar wel wijst hij op een gebrek aan eerbied tegenover het lichaam en bloed van Christus in het algemeen. "De priesters gaan met de eucharistie om alsof het een gewone maaltijd is. Daarom zijn er velen ziek en zwak, daaruit komen sterfte, honger en overstromingen voort." Maar er was veel meer. De geestelijkheid hield zich niet aan nieuwe kerkelijke bepalingen, leken betaalden geen tienden, en hijzelf, was ook hijzelf niet schuldig?
Vooral de aandacht voor deze laatste vraag maakt de kroniek van Emo zo interessant. Vele bladzijden worden gewijd aan een persoonlijk gewetensonderzoek, waaruit we kunnen leren hoezeer de Friese abt worstelde met schuldgevoelens en vragen naar de ‘staat van zijn ziel’. Emo houdt zijn handelwijze en levensloop tegen het licht van het kerkrecht en de christelijke ethiek, maar uiteindelijk probeert hij alles terug te voeren op zijn diepste innerlijke drijfveren: hoe zuiver waren zijn intenties? In deze diepgaande zelfkritiek toont hij zich een leerling van de wetenschappelijke vernieuwing van zijn tijd.
Theologie in Parijs
Emo was zeer goed op de hoogte van de stand van de wetenschap. Friesland mocht dan een afgelegen gebied zijn, achtergebleven was het niet. Het ‘voortgezet’ onderwijs in de Friese landen stond op een verrassend hoog peil en van verschillende Friese geestelijken is bekend dat ze in het buitenland hebben gestudeerd. Emo studeerde maar liefst aan drie universiteiten: canoniek en Romeins recht in Oxford, letteren in Orléans en theologie in Parijs. Zijn gewetens- onderzoek, zoals we dat in de kroniek lezen, is met name door de laatste studie beïnvloed. We zouden het een concrete toepassing kunnen noemen van de nieuwe inzichten die Emo in de Parijse collegebanken had opgedaan.
Omstreeks 1200 verdeelde men de theologiestudie graag in twee vakken, namelijk in fide et moribus, laten we maar zeggen: in dogmatiek en ethiek. De ethiek mocht zich sinds het begin van de twaalfde eeuw in een nieuwe belangstelling verheugen. Men discussieerde over de erfzonde, de rol van de zintuigen bij het zondigen en de classificatie van deugden en ondeugden. Ook bestond er onenigheid over de vraag of de kern van de zonde nu gelegen was in de daad, of in de wil, in de begeerte, of in de instemming met die begeerte. Deze laatste discussie was niet nieuw, maar kwam voort uit de opvattingen van Augustinus, die in zijn boek over de Bergrede had betoogd dat niet de daad, maar de wil de kern van het zondige uitmaakt.
In de tweede helft van de twaalfde eeuw introduceerde Petrus Cantor aan de universiteit van Parijs een geheel nieuwe benadering van de ethiek. Hij bekritiseerde zijn collega’s dat ze nauwelijks aandacht besteedden aan zaken als strafrecht, oorlogvoering en levensstijl. Hij verbaasde zich erover dat men zich liever bezighield met de allegorische interpretatie van de kleuren en maten van de tabernakel dan met de morele aspecten van de wet van Mozes. 4 In zijn eigen werk laat Petrus Cantor geen gelegenheid onbenut om ethische vragen aan de orde te stellen. Daarbij gaat hij vaak uit van concrete voorbeelden, die meestal zijn ontleend aan de praktijk. Soms is zelfs duidelijk welke Parijzenaar hij precies op het oog heeft.
Zijn praktische en pastorale benadering van de ethiek vond navolging. Veel van Petrus’ ideeën werden bovendien concreet omgezet in officieel kerkelijk beleid. Zijn leerling Robert van Courson bond bijvoorbeeld als pauselijk legaat de strijd aan tegen de woekerrentes, één van de grote thema’s in Cantors werk. Ook sommige hervormingen van paus Innocentius III op het Vierde Lateraans concilie werden door Petrus Cantor voorbereid.
Emo heeft Petrus Cantor waarschijnlijk niet meer persoonlijk gekend; Petrus overleed in 1197. Wel moet hij college hebben gevolgd bij Robert van Courson, die vanaf circa 1200 in Parijs doceerde. In Emo’s kroniek wordt Robert eenmaal geciteerd, zeer waarschijnlijk naar de aantekeningen die Emo tijdens zijn colleges heeft gemaakt. Daarnaast komen in de kroniek citaten voor uit het hoofdwerk van Petrus Cantor, het zogenaamde Verbum Abbreviatum en uit werken van andere Parijse theologen als Simon van Doornik, Stephen Langton en Alain van Rijssel. Ook als Emo niet letterlijk citeert, blijkt hij beënvloed door de Parijse theologie. Die invloed betreft met name ethische kwesties, die alle zijn terug te voeren op de vraag: wat is zonde?
Wetenschap en schuldgevoel
Het bijzondere nu van Emo is, dat hij de scholastieke redeneringen over de psychologie van de zonde toepast op zichzelf. Het gaat hem niet zozeer om de abstracte vraag: wat is zonde? maar om de vraag: ben ik schuldig? Omdat hij enerzijds Augustinus volgt in diens opvatting dat de wil het beginsel van menselijke werkzaamheid is, onderzoekt hij zijn geweten en innerlijke begeerten. Omdat hij anderzijds jurist is en de ethische casuïstiek van Petrus Cantor kent, gaat hij na in welke gevallen een concrete daad een zonde genoemd moet worden en in welke gevallen niet.
Dat onderzoek is voor hem geen vrijblijvende toepassing van de wetenschap, maar een zaak van leven en dood. Als we immers (tegen onze zin) het verkeerde doen, mogen we op vergeving hopen, maar als we het verkeerde willen, verbeuren we Gods genade en halen we ons Zijn oordeel op de hals. Emo moet daarover in angst hebben gezeten. Dat blijkt onder andere uit zijn aandacht voor de relatie tussen de menselijke wil en de goddelijke voor- beschikking en uit zijn belangstelling voor de psychologie.
Men moet wel enige moeite doen om de betekenis van Emo’s zelfonderzoek te kunnen inzien. De theologische verhandelingen van Emo behoren niet tot de meest toegankelijke lectuur uit de Middeleeuwen. Men krijgt al gauw de neiging om door te bladeren op zoek naar ‘gewone’ geschiedenis. Eén citaat moge dienen ter illustratie: "Een stem in hem [= Emo] zei: ‘Mijn ziel heeft er hevig naar verlangd Uw inzettingen te begeren’, omdat hij nog niet begeerde deze te verwezenlijken. En sommigen betreuren hetgeen ze niet echt kunnen betreuren, maar ze treuren om te treuren, opdat het vruchteloze treuren een vruchtbaar treuren teweeg zal brengen." 5
Zo’n passage nodigt niet bepaald uit tot verder lezen. Het zijn bovendien niet Emo’s eigen woorden. Hij ontleent hier aan een preek van paus Innocentius III. Toch werpen deze voor ons moeilijk verteerbare zinnen licht op Emo’s innerlijk. Hij heeft namelijk in het voorafgaande verteld over zijn besluit om de wereld te verlaten en het klooster in te gaan, maar hij moet daarbij toegeven dat hij lang heeft geaarzeld voordat hij die grote stap ook werkelijk zette. In zijn hart had hij namelijk toch wel tegen het kloosterleven opgezien. Dat leek een zonde, want zijn wil tot het goede bleef in gebreke. Het citaat van Innocentius stelt hem echter gerust, want hoewel de wil zelf ontbrak, had hij wel de wil om het te willen...
Het gewetensonderzoek dat volgt op de beschrijving van de Marcellusvloed is vooral gewijd aan de vraag of hij zich schuldig heeft gemaakt aan de zonde van simonie. Dat kan geen toeval zijn: de strijd tegen de simonie was nu juist ook één van de grote thema’s van het werk van Petrus Cantor. Simonie (naar Simon de Tovenaar uit Handelingen 8) is geld betalen of aannemen voor geestelijke goederen. Emo had in het jaar 1212 inderdaad geld betaald om een edelman af te kopen die hem het recht op de kerk van Wierum betwistte en ook had hij geld en goed geaccepteerd van degenen die zich bij hem hadden aangemeld om in het klooster te mogen intreden. Vanouds was het gebruikelijk dat een intredende kloosterling een gift meebracht in de vorm van geld of goederen, waarmee het klooster dan in zijn levensonderhoud kon voorzien. Sinds het begin van de twaalfde eeuw was deze gewoonte echter steeds kritischer benaderd: de intrede in een klooster was immers een geestelijke zaak.
Emo is sterk door deze nieuwe kritiek beïnvloed. We krijgen zelfs de indruk dat hij zichzelf strenger beoordeelt dan op grond van de juridische en theologische literatuur nodig zou zijn. Hoe dieper hij in zijn wetenschappelijke literatuur graaft, hoe groter de gewetensnood lijkt te worden. In de boeken komt hij immers steeds weer de eis van een goed geweten en een zuivere intentie tegen, en daarover verkeerde hij nu juist in onzekerheid. Misschien mogen we uit het feit dat hij, waarschijnlijk kort voor zijn dood, een uittreksel maakte uit boek IV van de Dialogen van paus Gregorius de Grote en daarin met name aandacht had voor de passages over het vagevuur en de angst voor de dood, concluderen dat Emo nog steeds geen geestelijke rust had gevonden.
Geschiedenis en theologie
Zodra de interpretatie van natuurrampen iets dieper gaat dan de klacht "O tempora, o mores", spelen theologische vooronderstellingen een overheersende rol. Naar aanleiding van de Marcellusvloed van 1219 wezen de monniken van Aduard op het gebrek aan eerbied voor het Lichaam des Heren, terwijl Emo behalve aan deze en andere zonden vooral aandacht schonk aan diepe innerlijke drijfveren in zijn omgang met geld en goed. De eerste interpretatie vertegenwoordigt het ‘magische’ element in de middeleeuwse vroomheid, dat sterk aansluit bij voor-christelijke vormen van religie.
De tweede vertegenwoordigt eerder de verinnerlijking van de geloofsbeleving, zoals die in de twaalfde eeuw nieuwe impulsen had gekregen en in de vijftiende eeuw tot uiting kwam in de beweging van de Moderne Devoten. In zijn uitgesponnen zielsanalyses zouden we Emo zelfs kunnen vergelijken met de bevindelijke prediking van de achttiende eeuw. Zowel de zegslieden van Caesarius als abt Emo van Bloemhof lieten zich in hun interpretatie niet leiden door een bepaalde historische methodologie of theoretische geschiedbeschouwing, maar door dogmatische en ethische uitgangspunten. De vraag naar Gods hand in de geschiedenis was in beide gevallen een zaak van theologen, niet van ‘historici’.
Website van het Siebengebirgsmuseum te Königswinter
Biografische informatie over Augustinus
Jaargang 03 (1992) No 2 - themanummer mr. G. Groen van Prinsterer
Trefwoorden: Groningen, Apocalyps, Watersnood.
