"Haar eigenlijke taak is het huis"
Streek, H.J. van de
Aan het einde van de negentiende eeuw kwam onder invloed van de industrialisatie en ten gevolge van de opkomst van de vrouwenbeweging in protestants Nederland de discussie op gang over de positie van de vrouw in de samenleving. In toenemende mate traden vrouwen toe tot het openbare leven.
De positie van de vrouw in relatie tot gezin en arbeid in protestants-christelijke kring in de eerste helft van de 20ste eeuw
Zij werkten in fabrieken, volgden middelbaar en hoger onderwijs en deden hun intrede in sectoren waar tot dan toe vrijwel geen vrouwen werkzaam waren, zoals de geneeskunde en de journalistiek. Ook de politiek werd in toenemende mate beschouwd als een terrein dat voor vrouwen niet gesloten diende te blijven.
Het Eerste Christelijk Sociaal Congres van 1891 stelde als eerste in protestants-christelijke kring de positie van de vrouw in de samenleving openlijk aan de orde. In de jaren die volgden, bogen antirevolutionaire en christelijk-historische leiders als J.Th. de Visser, Kuyper, H. Bavinck en A.F. de Savornin Lohman en predikanten als de gereformeerde ds. J.C. Sikkel en ds. C. Lindeboom en de hervormde ds. J.F. Beerens zich over wat toentertijd het ‘vrouwenvraagstuk’ heette.
Ook vooraanstaande protestants-christelijke vrouwen hielden zich in toenemende mate met de materie bezig. Onder hen bevonden zich predikantsvrouwen zoals A.M. Lindeboom-de Jong, de echtgenote van ds. C. Lindeboom, en A.A. van Hoogstraten-Schoch en dochters, en echtgenotes van befaamde politici, zoals Henriëtte Kuyper, een dochter van Abraham Kuyper, en A.C. Diepenhorst-de Gaay Fortman. Zij was de echtgenote van het antirevolutionaire Eerste Kamerlid P.A. Diepenhorst. De advocate en christelijk-historische politica mr. F. Katz en de journaliste en juriste Gesina H.J. van der Molen waren ongehuwd en oefenden een beroep buitenshuis uit.
In deze bijdrage wordt een overzicht gegeven van de opvattingen in protestants-christelijke kring die in de discussie over de positie van de vrouw in de samenleving aan de orde kwamen. In het bijzonder wordt toegespitst op de opvattingen ten aanzien van de positie van de vrouw in relatie tot gezin en arbeid. Hier doorheen geweven wordt ook de dagelijkse levenspraktijk belicht. Met andere woorden: op welke terreinen begaven protestants-christelijke vrouwen zich in de eerste helft van deze eeuw wel en op welke terreinen niet?
Eerste Christelijk Sociaal Congres: de taak van de vrouw ligt als regel in het gezin
De industrialisatie en de landbouwcrisis hadden tegen het einde van de 19de eeuw onder de arbeidersbevolking in de steden zulke erbarmelijke toestanden teweeg gebracht, dat men zelfs sprak van ‘de sociale quæstie’. Ook in protestants-christelijke kring onderkende men de ernst van de situatie en in 1891 organiseerde de ARP samen met enkele andere organisaties het Eerste Christelijk Sociaal Congres, waar vanuit christelijk perspectief geprobeerd werd een oplossing te vinden voor de heersende nood.
Ook achtten de organisatoren het nuttig een speciale vergadering voor vrouwen aan het Congres te verbinden. Vrouwen zouden door hun taak als opvoedsters veel sociale problemen kunnen voorkomen. Uit kinderen die tijdens de opvoeding met moederlijke liefde en zorg waren omringd, konden geen dronkelappen, klaplopers of dieven voortkomen, redeneerde men. De hervormde predikant J.F. Beerens ging zover in een goede moeder zelfs de gehele oplossing van het sociale vraagstuk te zien. Hij schreef: "Als zij haar kinderen recht en braaf opvoedt en ze door haar voorbeeld, tact, maar vooral haar gebed doet wassen in allerlei christelijke deugden, dan zullen er op den duur vele millioenen voor den staat worden bespaard, die nu aan dranklijders-, krankzinnigengestichten en gevangenissen worden uitgegeven."
Kortom, alle reden aan de taak van de vrouw een afzonderlijke bijeenkomst te wijden. Socialistische vrouwen grepen de gelegenheid aan bij het begin ervan een boekje van Wilhelmina Drucker uit te delen. "Maar," aldus het commentaar van De Standaard, "de socialistische Vrouwenbond behoeft niet de minste hoop te hebben dat zij hiermede eenigen invloed zal uitoefenen."
De bijeenkomst stond onder leiding van douairière Marianne Klerck-van Hogendorp (1831-1909). Samen met haar zusters Anna en Wilhelmina zette zij zich in voor de bestrijding van de prostitutie. Ook hielden zij zich op andere terreinen met sociaal werk bezig, met name de armenzorg. In haar inleiding over de taak van de vrouw in het gezin wees douairière Klerck erop dat de man in de schepping zowel als hoofd van het gezin, maar ook als hoofd van de maatschappij was aangesteld.
Maar de vrouw was daarom niet zijn mindere: "zij is de hulpe naast hem." In een welgeordend gezin gaf de man, als het hoofd, de beginselen aan die in het gezin moesten heersen. De vrouw bracht de beginselen in praktijk, maar de aard en de behoeften van de verschillende gezinsleden en zo ontstond door deze samenwerking de huisorde waaraan ieder gezinslid zich moest houden. Een vergelijkbare ordening bestond volgens douairière Klerck in de maatschappij. Andere thema’s die op de vrouwenvergadering aan de orde kwamen, waren de vrouw en de bevordering van de zedelijkheid, de strijd tegen de dronkenschap en de ware vorm van filantropie.
Overeenkomstig de visie van mevrouw Klerck werd ook op de officiële vergadering van het Sociaal Congres over de taak van man en vrouw gesproken. Dit gebeurde aan de hand van een inleiding van de bekende predikant J.C. Sikkel over de taken van de diverse gezinsleden met het oog op de arbeid. Sikkel vatte zijn opvatting over de arbeid van de vrouw als volgt samen: "De vrouw vindt hare taak in de zorg voor den man en zijn huis. In huis of huiselijk bedrijf kan zij met hem samenwerken en de inkomsten des huizes vermeerderen, doch dit is bijzaak: haar eigenlijke taak is het huis. Het leven voor een vaste broodwinning buitenshuis is geen taak voor eene vrouw, die eenen man heeft."
De congresgangers sloten zich in grote trekken bij de mening van ds. Sikkel aan. Eén van de vragenstellers toonde zich ontevreden over het feit dat steeds meer meisjes administratief werk verrichtten. Hij vroeg zich af of het wel in overeenstemming met de Heilige Schrift was dat zoveel meisjes werden opgeleid voor posterijen, telefoon, onderwijs, enz. Prof. dr. W. Geesink, één der aanwezigen, stelde daarentegen dat niet ieder meisje het geluk had ten huwelijk gevraagd te worden. Bovendien vond hij dat een meisje dat van God buitengewone gaven had ontvangen, de kans moest krijgen vooral bij het onderwijs helpend op te treden. Een ander vulde aan dat het hierbij naar zijn mening niet om hogere burgerscholen ging, maar om scholen "waar de dochters worden opgeleid voor hare toekomstige taak als moeders." Dáár behoorde de vrouw onderwijs te geven.
Behalve het onderwijs werden ook de verpleging en enkele andere ‘vrouwelijke betrekkingen’ als bijvoorbeeld die van vroedvrouwen – functies samenhangend met huiselijke arbeid – voor vrouwen toelaatbaar geacht. Vooropgesteld werd echter dat het hierbij om uitzonderingen ging en dat de taak van de vrouw als regel in het gezin lag.
Ook douairière Klerck woonde de inleiding van ds. Sikkel bij. Ze vond het maar makkelijk gezegd: "De vrouw mag dit of dat niet doen." Wat, vroeg zij, wanneer de man zijn plicht om het gezin te onderhouden niet nakwam? Dan was de vrouw genoodzaakt buitenshuis te gaan werken, terwijl haar man daarbij recht hield op haar verdiensten. Zij vond dit een onrechtvaardigheid in de Nederlandse wetgeving. Want daarmee had de man bijvoorbeeld het recht het geld van zijn vrouw te verdrinken.
In zijn reactie op de vragen van mevrouw Klerck liet ds. Sikkel haar kritiek op de wetgeving onbeantwoord, maar op het punt van de onderhoudsplicht deelde hij haar mening. Hij trok een vergelijking met het bijbelse Israël: "Als de mannen in Israël bij de pakken neerzitten, staat eene Debora op. Maar men vergete nooit dat dit een abnormale toestand is."
De arbeid van ongehuwde vrouwen
Globaal overheerste in protestants-christelijke kring tot aan de Tweede Wereldoorlog de op het Sociaal Congres van 1891 naar voren gekomen meningen over de plaats van de vrouw in de samenleving in relatie tot gezin en arbeid. Zeker de beroepsarbeid van de gehuwde vrouw bleef beschouwd worden als ‘een abnormale toestand.’
Voor de arbeid van ongehuwde vrouwen daarentegen gold dat in steeds mindere mate. Zo beschouwde het antirevolutionaire Tweede Kamerlid mr. J.A. de Wilde, die tegenstander was van het vrouwenkiesrecht, rond 1910 de beroepsarbeid van ongehuwde vrouwen als een logisch gevolg van de maatschappelijke ontwikkelingen. Men kon de ontwikkelingen niet tegenhouden en diende ten aanzien daarvan steeds opnieuw een standpunt te bepalen.
Ook andere vooraanstaande personen in protestants-christelijke kring zagen geen bezwaren tegen de arbeid van ongehuwde vrouwen. Dit blijkt onder andere uit een in 1916 door de Nederlandsche Vereeniging van Christelijke Kantoor- en Handelsbedienden gehouden enquête, waarin een aantal van hen de vraag gesteld werd of zij het in strijd achtten met de christelijke beginselen dat de ongehuwde vrouw arbeid verrichtte op kantoor, in winkels en dergelijke. Alle ondervraagden beantwoordden deze vraag negatief. Onder hen bevonden zich onder anderen prof. mr. Anne Anema, hoogleraar aan de juridische faculteit van de Vrije Universiteit, Abraham Kuyper, prof. mr. D. Fabius, C. Smeenk en het christelijk-historische Tweede Kamerlid A.F. de Savornin Lohman.
De uit de christelijke vakbeweging afkomstige Smeenk achtte de vrouw voor vele kantoorwerkzaamheden uitnemend geschikt. Er waren naar zijn idee nieuwe beroepen ontstaan, die "zeer wel door de vrouw konden worden verricht. Die evolutie zelve moet en kan ook van christelijk standpunt zeer wel worden aanvaard."
Uit de loopbanen van enkele vooraanstaande ongehuwde vrouwen in protestants-christelijke kring wordt duidelijk dat ook zij een weg zochten in de richting van de beroepsarbeid. Eén van hen was Gesina van der Molen (1892-1978). Na de Mulo en de kweekschool doorlopen te hebben, ging zij in 1920 bij het blad De Amsterdammer als journaliste werken. Op latere leeftijd studeerde zij rechten en ontwikkelde zich in haar loopbaan verder in juridisch-wetenschappelijke richting.
Een andere vrouw die een voor protestants-christelijke vrouwen ongewone beroepspraktijk uitoefende was de advocate Frida Katz (1885- 1963). In 1919 lid geworden van de CHU, doorliep zij tot enkele jaren na haar huwelijk in 1937 een stormachtige politieke carrière. In 1919 werd zij de eerste vrouw in het hoofdbestuur van de CHU, in 1921 lid van de gemeenteraad in Amsterdam en in 1922 deed zij haar intrede in de Tweede Kamer.
Ook twee ongehuwde dochters van Kuyper, Jo en Henriëtte, ontwikkelden beroepsmatige activiteiten. Jo (1875- 1948) werd verpleegster en Henriëtte (1870-1933) assisteerde haar vader bij zijn werk, schreef romans en gedichten, en was journaliste.
Het verrichten van beroepsarbeid was óók onder protestants-christelijke vrouwen niet onomstreden. Het blad Christelijk Vrouwenleven, in 1917 door vooraanstaande vrouwen als A.C. Diepenhorst-de Gaay Fortman (1880-1958), A.A. van Hoogstraten-Schoch (1869-1951) en A.M. Lindeboom-de Jong (1875-1947) opgericht als contact-orgaan binnen de protestants-christelijke vrouwenbeweging, achtte beroepsarbeid alleen voor de ongehuwde vrouw aanvaardbaar. Maar ook zij moest oppassen haar roeping als vrouw niet in gevaar te brengen. Dit betekende dat zij zich óók in de huiselijke arbeid moest verblijden. Het was immers een onderdeel van haar roeping en mocht niet, wat "thans door zoveelen geschiedt," worden versmaad.
Gehuwde vrouwen en beroepsarbeid
Beroepsarbeid door ongehuwde vrouwen werd aanvaardbaar geacht, beroepsarbeid van gehuwde vrouwen niet. Dat was onder andere de teneur op het Tweede Christelijk Sociaal Congres, gehouden in 1919. Op het Congres vond, als onderdeel van de bespreking van het nog immer actuele sociale vraagstuk, evenals in 1891 een afzonderlijke vrouwenvergadering plaats en stond het thema ‘vrouw en arbeid’ op de agenda van de officiële vergadering.
De theoloog prof. dr. Herman Bavinck, van 1911 tot zijn dood in 1921 namens de ARP lid van de Eerste Kamer, hield er een inleiding over de beroepsarbeid van de gehuwde vrouw. Hij ging er vanuit dat de meeste gehuwde vrouwen die buitenshuis werkten dat alleen uit pure nood deden. Huwelijk en arbeid buitenshuis waren naar zijn mening slecht te combineren. Het huis verloor zijn aantrekkelijkheid en het leven werd voor man en kinderen vreugdeloos wanneer de vrouw iedere dag uit werken ging.
Beroepsarbeid van gehuwde vrouwen was onwenselijk, maar men moest het hen toch niet verbieden. Sommige vrouwen voelden zich geroepen zich aan kunst of wetenschap te wijden. Deze vrouwen vormden een uitzondering op de regel. Bavincks mening was dat het aan het geweten van de vrouw moest worden overgelaten of haar keuze een verantwoorde was.
Op dit punt ontving Bavinck de nodige kritiek. Een aantal sprekers achtte het thuiszijn van de vrouw van zo grote betekenis, dat zij vonden dat de overheid de arbeid van gehuwde vrouwen moest verbieden. Naar aanleiding van deze kritiek relativeerde Bavinck zijn woorden door te benadrukken, dat het om een kleine groep gehuwde vrouwen ging, die bovendien in getal afnam. Vanwege dit laatste vond hij het een goede zaak dat de overheid op dit punt geen straffe maatregelen zou nemen.
Overheidsbeleid inzake de arbeid van de gehuwde vrouw
Bavincks partijgenoten voelden echter wel voor (straffe) maatregelen inzake de arbeid van de gehuwde vrouw. Dit blijkt uit de steun die onder andere de ARP aan het op dit punt gevoerde overheidsbeleid gaf. De antirevolutionaire minister mr. Th. Heemskerk (van 1908 tot 1913 premier en minister van Binnenlandse Zaken) ondertekende in 1909 een beschikking dat vrouwelijke onderwijzeressen onder de 45 jaar op de dag van hun huwelijk eervol werden ontslagen. In 1910 ondernam de minister een poging de huwende ambtenares in alle overheidsdiensten en de huwende onderwijzeres ontslag te bezorgen. De poging faalde. Het wetsvoorstel haalde niet eens de behandeling in de Tweede Kamer.
Tussen 1917 en 1940 zijn door de overheid nog negen pogingen ondernomen de vrouw de arbeid buitenshuis te verbieden. Het meest verregaande voorstel was het wetsontwerp van de katholieke minister Romme van Sociale Zaken in 1937, waarin voorgesteld werd alle gehuwde vrouwen te verbieden arbeid buitenshuis te verrichten. Dit voorstel riep zoveel verzet op (óók in protestants-christelijke kring) dat de minister besloot tot afstel van het wetsontwerp.
In protestants-christelijk Nederland stond men door de tijd heen echter over het algemeen positief tegenover de (wets)voorstellen. Zo ook de Nederlandsche Christen Vrouwen Bond (NCVB). De Bond was in 1919 op initiatief van mevrouw Diepenhorst-de Gaay Fortman opgericht en beoogde "de voorlichting van vrouwen ten aanzien van maatschappelijke en staatkundige vraagstukken." Alle overige vrouwen die reeds genoemd zijn, behalve Jo Kuyper, waren bij de oprichting betrokken.
De NCVB stemde in met de kabinetsvoorstellen inzake de arbeid van de gehuwde vrouw, maar had daarbij wel de nodige kanttekeningen. Er konden zich bijvoorbeeld situaties voordoen waarin het noodzakelijk was dat de vrouw buitenshuis werkte, onder andere als de man onvoldoende inkomsten had. Maar een betere oplossing was volgens de NCVB eigenlijk een verhoging van het loon van de man.
Ook Gesina van der Molen en Frida Katz mengden zich in de politieke discussie. Van der Molen achtte het in het belang van het gezin, de samenleving én van de gehuwde vrouw zelf, indien de overheid haar de gelegenheid buitenshuis loonarbeid te verrichten zou ontnemen.
Katz deelde van der Molens mening aanvankelijk niet. In 1924 nam zij bij een kamerdebat het standpunt in tegen het ontslag van huwende ambtenaressen te zijn, in overeenstemming met De Savornin Lohmans gedachte dat de staat niet op het autonome terrein van het gezin mocht komen. Hoewel zij zich met dit standpunt de afkeuring van de protestants-christelijke pers op de hals haalde, bleef zij lange tijd haar opvatting trouw. In 1934 echter stemde zij in met een wetsvoorstel dat huwende onderwijzeressen eervol ontslag bood. Zij deed dit als waarborg voor het gezin en uit oogpunt van het leveren van een bijdrage aan een verruiming van de door hoge werkloosheid geteisterde arbeidsmarkt. Nu werd haar standpunt haar wel in protestants-christelijke kring, maar niet in de kring van de vrouwenbeweging in dank afgenomen. Hoe kon zij zich als (op dat moment) presidente van de Nationale Vrouwenraad zo opstellen! De Raad achtte haar politieke standpunt uiterst ongelukkig.
Een organisatie die zich met name tegen het wetsvoorstel-Romme verzette was de Vereeniging van Academisch-gevormde Christenvrouwen. Eén van de argumenten die de Vereeniging aandroeg, was dat vrouwen en mannen op alle terreinen van het leven samen moesten arbeiden, ieder naar door God geschonken gaven. Gesina van der Molen, ook een academisch geschoolde vrouw, deelde dit standpunt niet. Zij wees erop dat de taak van de vrouw in het gezin in de lijn van de redenering van de Vereeniging blijkbaar niet door het vrouw-zijn en de huwelijksordening was bepaald, maar door persoonlijke gaven, die vrouwen misschien meer geschikt maakten op een accountantskantoor te werken dan kinderen op te voeden!
Hoe er van verschillende zijden ook tegen het overheidsbeleid aangekeken werd, in de praktijk hadden de beschikkingen, circulaires en wetsvoorstellen met betrekking tot de arbeid van gehuwde vrouwen tot resultaat dat gehuwde vrouwen vrijwel geen mogelijkheid hadden bij de overheid of in het onderwijs werkzaam te zijn.
Voor de particuliere sector lag het anders. Ondanks pogingen daartoe is het de overheid nooit gelukt de arbeid van gehuwde vrouwen buiten de sfeer van de overheid te verbieden. In 1955 werd het verbod op arbeid van gehuwde vrouwen in overheidsdienst door middel van een motie (de motie-Tendeloo, PvdA) uiteindelijk opgeheven. Tot die tijd werden ambtenaressen op de dag van hun huwelijk "eervol uit ’s lands dienst ontslagen."
Literatuur
- H. Bavinck, De vrouw in de hedendaagsche maatschappij (Kampen 1918).
- C. Bremmer (red.), Personen en momenten uit de geschiedenis van de ARP (Franeker 1980).
- J. Bosmans, ‘De politiek en de arbeid van de gehuwde vrouw in Nederland’ in Spiegel Historiael 24 (11 november 1989), 468-474.
- T. de Bie en W. Fritschy,‘ De ‘wereld’ van de Réveilvrouwen, hun liefdadige activiteiten en het ontstaan van het feminisme in Nederland,’ in J. Reys e.a., De eerste feministische golf. Zesde jaarboek voor vrouwengeschiedenis (Nijmegen 1985).
- H.J. van de Streek, ‘De Christenvrouwen (1880-1940): liefdadigheid, vrouwenbeweging en politiek,’ in: J. de Bruijn, Een land nog niet in kaart gebracht. Aspecten van het protestants-christelijk leven in de jaren 1880-1940 (Franeker 1987), 217-239.
- G. Veldhuijzen, Wat bezielde die vrouwen? Vijfenveertig jaar Centrale van CH-vrouwen (De Meern 1979).
- C.W.I. Wttewaal-van Stoetwegen, De freule vertelt (Baarn 1973).
- Stemmen des tijds, vrouwennummer (1921).
- Proces verbaal van het Sociaal Congres, gehouden te Amsterdam den 9, 10, 11, 12 november 1891 (Amsterdam 1892).
- Tweede Christelijk Sociaal Congres, gehouden te Amsterdam op 10, 11, 12 en 13 maart 1919. Proces verbaal (Rotterdam 1919).
Stichting Christelijk Sociaal Congres
Jaargang 01 (1990) No 1 - themanummer vrouwengeschiedenis
Trefwoorden: Vrouwengeschiedenis, Arbeiders, Emancipatie.
