WebfeedRSS
Loading

De geschiedbeschouwing van Groen van Prinsterer

Lezing jaarvergadering VCH (22 september 1990)

Schaeffer, Jac.

Hartelijk dank voor de vererende uitnodiging op deze morgen voor u te mogen spreken over de geschiedbeschouwing van Willem Groen van Prinsterer. Ik wil bekennen dat ik enige schroom moest overwinnen toen ik de namen hoorde van de andere sprekers die hier voor het voetlicht treden. Hun deskundigheid op dit terrein is ongetwijfeld groter dan de mijne.

Dat geldt zeker ook voor mevrouw Van Essen, die zich al volop aan de Groen-studie begon te wijden in een periode dat ik nog mijn best deed zindelijk te worden. Wat ik vandaag over dit onderwerp wil zeggen, wil ik derhalve niet naar voren brengen vanuit mijn deskundigheid met betrekking tot het onderwerp, maar veel meer vanuit een betrokkenheid die zijn invloed al heeft doen gelden op de keuze die ik zo’n dertig jaar geleden gemaakt heb voor de geschiedenisstudie.

Afstand en betrokkenheid

Van huis uit was ik vertrouwd geraakt met de gedachte dat ideeën en beginselen de handelwijze van mensen bepalen. Studie van de geschiedenis betekende daarom voor mij, zo begon ik althans, studie van de ideeën-geschiedenis. Hoe meer ik zou weten van de achtergronden van allerlei ideologieën en denksystemen, hoe beter ik zou begrijpen hoe de wereld in elkaar zat. En, wat ook belangrijk was, hoe weerbaarder ik zou zijn in de gesprekken met andersdenkenden.

Maar de werkelijkheid van de studie was anders. Wel hoorden het Handboek en Ongeloof en revolutie tot de eerste boeken die ik aanschafte, maar de presentatie van de feiten daarin kon ik als jong student absoluut niet in overeenstemming brengen met wat mijn leermeesters in Groningen en met wat de studieboeken mij boden. Het Handboek kwam mij simplificerend en gedateerd voor. Ongeloof en revolutie vond ik fascinerend, maar ik twijfelde eraan of deze lezingen toch niet eenzijdig waren.

Kortom, mijn oude overzichtelijke wereldbeeld, waarvan ik verwacht had dat het door de studie aan overzichtelijkheid en helderheid zou winnen, werd omvergeworpen door de grondervaring van een studie die mij steeds maar weer liet zien dat de historische werkelijkheid anders en ingewikkelder was dan een mens zich tevoren had voorgesteld. Ik moest nuanceren. Krachtig getrokken lijnen gaven slechts schijnzekerheid. Ik las wel hoe bijvoorbeeld Jan Romein klaagde over het ‘vergruisde beeld’ van de geschiedenis, maar het leek me, in jeugdige betweterigheid, een begrijpelijk, maar onvolwassen heimwee naar een duidelijkheid die nu eenmaal niet samen kán gaan met de stand van kennis die de geschiedenisstudie oplevert.

Mr.dr. G. Groen van Prinsterer (1801-1876)Tegelijkertijd deed ik een andere ervaring op die mij eveneens van Groens geschiedbeschouwing verwijderde. In mijn studententijd woedde er in de vrijgemaakt-gereformeerde kerken, waartoe ik nog steeds behoor, een steeds feller wordende discussie rond de vragen van, zoals dat toen heette, de ‘doorgaande reformatie’. Wie goed vrijgemaakt was, moest zich inzetten voor gereformeerde scholen en gereformeerde politiek, het GPV, en abonnee zijn op het Gereformeerd Gezinsblad enz. Dus de reformatie van de kerk moest doorgaan op het gebied van de organisatie op andere levensterreinen.

Om de noodzaak van dit streven te accentueren, werd terzelfder tijd de afval buiten onze kerken met scherpe pen getekend. Daardoor werd duidelijk dat ‘het isolement’ ons was opgelegd. En even duidelijk werd het hoe belangrijk het was ‘te wederstaan in het begin’. Elke dubieuze uitlating ook in eigen kring kon het begin van afval zijn. Daarop werd toentertijd dan ook druk jacht gemaakt. De polemiek die hierbij hoorde, werd soms verdedigd met een uitspraak van K. Schilder: "Wie niet polemiseert, is niet bekeerd."

En met het gebruik dat van deze uitspraak van Schilder gemaakt is, kom ik op een derde en laatste ervaring die mijn omgang met Groen beïnvloed heeft. Want ik merkte op hoe niet alleen het nabije, maar ook het verdere verleden, de traditie, evenzéér onderhevig was aan een bepaalde beeldvorming als de verhouding tot anderen binnen en buiten de kerken. De geschiedenis kon laten zien hoe bepaalde beginselen van bijvoorbeeld tolerantie of independentisme of emancipatie het kerkelijk of maatschappelijk leven ondermijnden. Maar deze apologetische hantering van het verleden kon ik niet in overeenstemming brengen met de bij mij intussen gewekte belangstelling voor het verleden om zichzelf.

Kortom, als ik de balans van deze jaren ’60 opmaak voor wat betreft mijn verhouding tot Groen, dan constateer ik dat de vrees voor simplificatie, voor het geen recht doen wedervaren aan de werkelijkheid van vroeger, voor een schematisering en etikettering van het verleden langs lijnen van beginselen, een, ook emotionele, afstand tot zijn werk veroorzaakt heeft. En dat des te meer omdat Groen zo duidelijk zijn geloof verbond aan zijn geschiedvisie. Want waar het geloof zo sterk verbonden is met een bepaalde voorstelling van de feiten, dan is dat, zo meende ik toen, gevaarlijk voor zowel het geloof als de feiten.

Of ik met mijn reactie op Groen hem recht deed, laat ik voorlopig in het midden. Ik denk wel dat vergelijkbare weerstanden die alles te maken hebben met het zoeken van de eigen positie binnen de gereformeerde traditie ook een rol gespeeld hebben bij de kritiek op Groen, uitgebracht door mannen als Donner, De Pater en Smitskamp. Toch blijkt uit hun reacties, en dat is ook mijn ervaring, dat je van Groen niet loskomt vanwege zijn persoonlijkheid in combinatie met zijn profetische zeggingskracht. Zonder pose of vertoon, vurig en toch bescheiden, met een enorme volharding, heeft hij zich ingezet in de strijd tegen het ongeloof dat hij overal om zich heen veld zag winnen. Hij overschreeuwt zich nergens. Hij studeert en analyseert. Hij rangschikt met toewijding en onpartijdigheid de feiten die hij heeft gevonden. En dan beschrijft hij wat hij ziet, als een ziener. Maar één die zich nooit laat meeslepen door zijn eigen woorden. Hij wil geen systeembouwer zijn die uitgaat boven het belijden van het Evangelie. Hij wijst alleen maar aan, slag op slag, hoe de evangelische waarheid bevestigd wordt in de loop van onze geschiedenis, of in de loop van de revolutiegebeurtenissen.

Deze Groen, die op zoveel terreinen actief is geweest, die zichzelf samen met zijn vrouw zo gegeven heeft aan de zaak van Christus, die zo vaak ook geklaagd heeft over de halfheid en de lauwheid van zijn mede-christenen, die laat je niet los als je hem eenmaal hebt leren kennen. Van deze Groen afstand nemen betekent haast een loyaliteitsconflict, het postuum in de steek laten van een mede-christen-strijder. En we komen er niet door een scheiding aan te brengen tussen Groen de evangeliebelijder enerzijds en Groen de historicus of politicus anderzijds. Want de inzet van zijn leven was juist in zijn politieke en historische werk evangeliebelijder te zijn. Wát mogen en moeten we van zijn erfenis als historicus vasthouden?

De doelstelling van Groens geschiedschrijving

In 1856, Groen is dan 55 jaar en zijn Handboek der geschiedenis van het vaderland is inmiddels al tien jaren oud, schrijft hij een briefje aan zijn 13-jarig neefje Jan van der Hoop. Jan had een vraag over de rechtspleging in de zaak tegen Oldenbarnevelt waarover zijn onderwijzers kennelijk anders oordeelden dan zijn geleerde oom in het Handboek. Het is hier, zoals ook elders, treffend om te zien hoe serieus de kinderloze Groen omgaat met jongeren. Na het eigenlijke antwoord houdt Groen zijn neefje kort voor waarom het uiteindelijk gaat in de geschiedbeoefening.

"Zeer gaarne zal ik zien dat gij lust hebt in de beoefening van onze historie; er kan daaruit zooveel, ook voor de dagen die wij beleven, worden geleerd. Naauwkeurig onderzoek, eigen nadenken, voorzigtigheid, schroomvalligheid in het oordeel vellen, ziedaar! wat bij het waarderen van elke gebeurtenis, van ieder persoon, vereischt wordt. Vooral moet het ons te doen zijn, ook in de lotgevallen van ons vaderland, de wegen der voorzienigheid te leeren opmerken, in de zegeningen van dat Evangelie, welks verloochening in het tijdperk der revolutie tot op onze dagen, zoveel onheil over Nederland en Europa gebragt heeft. Zoodanige historiebeschouwing die ons telkens weer naar dat ééne nodige verwijst, kan ten zegen strekken ook voor ons eigen hart." 1

De wegen der voorzienigheid opmerken – hoe vaak is ons dat gegeven? kan men zich afvragen. Wij zijn toch meer vertrouwd met het beeld van het borduurwerk van de geschiedenis waarvan wij de onderkant zien en alleen God de bovenkant ziet. Zijn Gods wegen niet ondoorgrondelijk? En als wij toch de geschiedenis willen duiden vanuit ons geloof, is dán schroomvalligheid in het oordeel niet veel meer op z’n plaats dan bij de beoordeling van menselijke personen? Het lijkt alsof Groen die aarzeling nauwelijks kent, alsof de waarheid van Gods handelen in de geschiedenis zo duidelijk te tasten is, dat alleen ongeloof of angst om voor het geloof te kiezen, mensen kan verhinderen te getuigen van wat zo duidelijk zichtbaar is. Wie gelooft, mag zijn oog niet sluiten, "voor de lichtstralen waarin, bij de wonderen der historie, de glans zijner volmaaktheden schittert." 2

"De geschiedenis, die geen voorwerp van ijdele nieuwsgierigheid mag zijn, is nuttig, dewijl zij in de ervaring der voorgeslachten treffend onderrigt geeft, en vooral omdat ze bij het licht van het Evangelie, Gods almagt, wijsheid, rechtvaardigheid en genade in de lotgevallen van een zondig mensdom openbaart." 3 (cursivering J.S.). Groen gaat verder: "Ook op het pad der historie zij Gods Woord een lamp voor onzen voet." 4 Tenslotte merkt hij op: "Het getuigenis van Christus is de geest der wereld-historie, zoowel als der profetie." 5 Over het doorgeven van dit getuigenis heeft hij in het voorwoord al opgemerkt: "met het oog opwaarts, valt dit getuigenis geven ligt." 6

Vanuit de drang om te getuigen heeft Groen zich vervolgens aan de arbeid gezet, waarvan het Handboek het resultaat geworden is. Het is een uniek en eigenaardig geschrift geworden. Groen is geen boeiend verteller die het verleden als het ware opnieuw tot leven wil wekken. Dat is zijn talent niet, maar hij zoekt er ook niet naar, sterker, het is voor hem en voor zijn doelstelling overbodig.

In korte kernachtige zinnen, haast in telegramstijl, geeft hij het relaas van de feiten der vaderlandse geschiedenis. Daarin ligt de samenvatting van zorgvuldige studie, analyse en weging. Hij formuleert knap, spits en zeer doordacht. Toch zou het geheel iets doods houden als er niet meer was. Dat meerdere, dat de kern van zijn werk uitmaakt, zoals het voor Groen ook de geest is van "het doode ligchaam der historie" is overal in zijn werk te vinden waar hij rechtstreeks of meer zijdelings het licht opvangt uit het Woord van God; wanneer hij het "Er is geschreven" en "Er is geschied" nauw met elkaar verbindt.

Door het hele Handboek heen kan men verwijzingen vinden naar het Woord van God. Vanuit een grote kennis van de Bijbel laat Groen niet soms, maar dikwijls de lamp van Gods Woord schijnen over de wegen die de geschiedenis gaat. Hij hoeft het verleden niet tot leven te wekken. Het komt vanzelf tot leven onder de lichtstralen van dit Woord. Groens welsprekendheid ontplooit zich daar waar hij God Zelf kan laten spreken en Hem naspreekt. Zo, als een ziener, wil Groen zijn lezers ontdekken aan de waarheid.

Drie lijnen

Er zijn daarbij in het werk van Groen drie lijnen te onderscheiden. In de eerste plaats: de geschiedenis laat zien hoe God zegent en straft. "De geschiedenis van het Gemenebest is de bevestiging van de belofte: Zoekt eerst het koningrijk Gods en Zijn geregtigheid en alle dingen zullen u toegeworpen worden. Welgelukzalig het volk wiens God de Heer is." 7 Maar ook: "Uwe boosheid zal u kastijden en uwe afkeeringen zullen u straffen: weet dan en ziet dat het kwaad en bitter is dat gij de Heer uw God verlaat, en wijze vreeze bij u gemist wordt." 8

In de tweede plaats wil Groen tonen hoe sanerend de invloed van het Evangelie inwerkt op alle terreinen van het leven. Als hij het werk van Willebrord en Bonifatius in onze streken tekent, schrijft hij: "Door geloof en liefde werd, in den woesten akker, het zaad van beschaving, vrijheid en volks geluk gewerkt. Zonder dit licht der wereld, wat zou van de Noordsche Barbaren, zonder dit zout der aarde, wat zou van de Romeinsche wereld zijn geworden en van haar zedenbederf." 9 Als voorbeelden noemt hij onder andere de verbeterde positie van de slaaf en van de vrouw. Maar natuurlijk geldt ook de keerzijde van deze waarheid. Ieder die enigszins met Groens werk vertrouwd is, weet met hoeveel volharding hij heeft gewaarschuwd tegen de verderfelijke invloed van ongeloof en vervorming van de evangelische waarheid.

Tenslotte loopt er nog een derde lijn door Groens werk. Als ik de eerste lijn in navolging van Kamphuis die van de foederale causaliteit noem en de tweede die van de doorwerking der beginselen, dan kan ik de derde lijn misschien typeren als die van de normativiteit. Enkele voorbeelden hiervan. Als Groen kort wil typeren wat in de kern het leven van de heidense Batavieren inhield, gebruikt hij de woorden "zonder Christus, geen hoop hebbende en zonder God in de wereld"; 10 woest, twistgierig, verslaafd aan drank en dobbelspel. 11 Over de Romeinen: "Met onverzadelijke begeerte naar roem, magt, geld en zingenot; met onbarmhartig en diep bederf; zich uitgevende voor wijzen, waren zij dwaas geworden, vervuld zijnde met alle arglistigheid." 12

Over de Nederlanden rond 1500: "Zoo het heil der volken enkel in welvaart, wellevendheid en veiligheid bestond, kan er geen gezegender land zijn. Schatten zijn ook voor de natiën geen waarborg van wezenlijk en bestendig geluk. Ook hier was overvloed oorzaak van overdaad en weelde, van trots en overmoed, van verbastering en zedenbederf. Zelfs de grootste voorregten lieten onvoldaan, omdat men onverzadelijk was. (...) In de Nederlanden de uitspraak ten volle bewaarheid: De werken des vleesches zijn openbaar: overspel, hoererij, onreinheid, onmatigheid, afgoderij, venijngeving, vijandschappen, twisten, afgunstigheden, toorn, gekijf, tweedracht, ketterijen, nijd, moord, dronkenschap, brasserijen en dergelijke." 13

In zulke korte, rechtstreeks aan de Bijbel ontleende typeringen komt, zou ik willen zeggen, Groens christelijk realiteitsbesef naar voren. Volgens de drieledige onderscheiding die ik al eerder noemde, zou men dus kunnen stellen:

  1. Groen wijst Gods persoonlijk handelen in de geschiedenis aan;
  2. hij wijst aan hoe gehoorzaamheid en ongehoorzaamheid aan Gods Woord doorwerken; en
  3. hij laat zien hoe de realiteit van mensen en menselijke verhoudingen er uitziet bij het licht van dat Woord.

Hij doet dit alles met grote vrijmoedigheid, hij lijkt niet te aarzelen in zijn duiding en typering. Ik denk, omdat hij van zichzelf weet dat hij naar eer en geweten alle kanten van de zaken die hij beschrijft, bekeken heeft. Hij is in geweten ervan overtuigd, niet natuurlijk dat hij geen fouten kan maken, maar wel dat hij onpartijdig en eerlijk argumenten pro en contra een bepaalde voorstelling van zaken gewogen heeft. Hij weet zich ook geroepen om te getuigen. En dan, alles bijeengenomen, als hij het stof van bijkomende omstandigheden, van allerlei meningen, voor zichzelf van de kernfeiten heeft afgeblazen, komt hij weer met een nieuwe paragraaf. Hij schikt en ordent om iedereen in de samenvattende stijl die hij bezigt, zoveel mogelijk het volle pond te geven. Sine ira et studio. Maar dat blank gepoetste resultaat moet dan ook dienen om des te beter de lichtstralen op te vangen die uitschieten uit het Evangelie. De evangeliebelijder en de historicus, het "Er is geschreven" en "Er is geschied" worden bij Groen tot een haast naadloze eenheid.

Evangeliebelijder – historicus niet?

Intussen leven we meer dan honderd jaar na Groens werkzaamheid. Wat is in de eeuw na Groen gedaan met zijn werk, met name in de kring van zijn geestverwanten en medechristenen? Van Deursen constateert ergens: "na Groens dood heeft de gereformeerde gezindte een tijd lang geen historicus meer voortgebracht; althans niet buiten de kerkgeschiedenis." 14 Waarom niet, vraagt hij zich af. In zijn antwoord op die vraag verwijst hij vooral naar Groens opvolger en erfgenaam, Abraham Kuyper. Diens visie en de uitstraling daarvan stimuleerde niet tot historisch onderzoek maar tot bevestiging van het Groeniaanse geschiedbeeld dat bij hem en anderen is samen te vatten met één zin: "de nationale kracht in de Nederlandse geschiedenis wordt gevormd door het calvinisme." 15 In deze visie op onze geschiedenis zit duidelijk meer Kuyper dan Groen. Maar ik wil hier wel alvast de vraag stellen: heeft Groens geschiedschrijving zowel in het Handboek als in Ongeloof en revolutie, niet teveel definitiefs gehad en te weinig dat stimuleerde tot nader onderzoek?

De eerste grondige taxatie van Groens erfenis als historicus verricht Smitskamp in zijn dissertatie van 1940. 16 Negen jaar later maken dezelfde Smitskamp en andere geestverwanten van Groen nog eens de balans op in studies over Groens Ongeloof en revolutie. 17 Smitskamp, De Pater en Donner, om de voornaamste te noemen, hebben grote waardering voor Groen de evangeliebelijder, zijn taxatie van de strijd der geesten delen ze principieel, maar ze hebben moeite met de manier waarop hij geloof en historische wetenschap verbindt.

Als voornaamste punten van kritiek noem ik de volgende. Groen hinkt op twee gedachten. Hij wil een geschiedverhaal van mensen schrijven en de hand van God aanwijzen. Nu eens verklaart hij de feiten vanuit een natuurlijk, menselijk causale samenhang, dan weer gebruikt hij Gods voorzienigheid als verklaring. Maar, zegt Smitskamp: "Niet God, maar de mensch (is) object der geschiedwetenschap." 18 Groens dualisme kan dus wetenschappelijk niet verantwoord worden. Verder wordt Groen schematisme verweten. Hij perst de feiten in een logisch voorspelbare samenhang om aan te tonen dat bepaalde ongeloofsbegrippen wel bepaalde gevolgen moeten hebben.

Deze kritische visie op Groen is niet onweersproken gebleven. De voornaamste tegenstemmen komen van J. Kamphuis, 19 mw. J.L. van Essen 20 en A.J. van Dijk met zijn dissertatie. 21 Ik kan er niet aan denken hier enig overzicht te geven van de stand van zaken in deze discussie. Naar mijn idee stemmen de drie laatstgenoemde auteurs hierin overeen, dat zij de critici van Groen simplificatie van Groens gedachten en gebrek aan affiniteit met zijn werk verwijten. Ze accentueren de eenheid van Groens werk in zijn belijden én zijn geschiedbeoefening. Ze hebben, naar mijn mening vaak overtuigend, heel wat misinterpretatie in de exegese van Groen opgeruimd.

Geloof en ervaring

Maar het gaat in de discussie natuurlijk om veel meer dan om het recht doen aan Groens visie en standpunten. De vragen die Groens werk oproept zijn volop actueel. Ze hebben alles te maken met de verhouding tussen geloof en ervaring, een zaak die – zoals ieder kan weten – vandaag weer sterk in de belangstelling staat. Die worden opnieuw met klem gesteld binnen onze westerse geseculariseerde cultuur. Hebben wij die, nog meer dan Groen, leven in een wereld van Godsverduistering, niet meer nog dan hij er behoefte aan de werkelijkheid te zien in het licht van Gods voorzienigheid? Hebben wij zelf niet die verduistering bevorderd door, onder andere in de wetenschap, onze ogen te sluiten voor die ‘lichtstralen’ waarover Groen spreekt? Confrontatie met Groens geschiedbeschouwing plaatst ons volop in de actualiteit. Ik wil in het vervolg van dit betoog met betrekking tot deze kernvragen nog enkele opmerkingen maken.

De voor christen-historici meest confronterende vraag in de ontmoeting met Groen is: ontbreekt mij die zekerheid van geloof of die geloofsmoed waarmee Groen zijn werk verrichtte? Waarom doe ik niet als hij? Waarom is Groens Handboek als een eenzaam specimen van evangelische geschiedschrijving blijven staan? Wie is er, niet met beschouwingen, maar praktisch, in zijn voetsporen getreden, afgezien van een enkele predikant-schrijver van schoolboeken? Die vraag moet leiden tot zelfbeproeving.

Het is een persoonlijke vraag en ik wil hem ook persoonlijk beantwoorden. Afgezien van de kwestie of ik ooit een Handboek zou kunnen schrijven als Groen – het is haast overbodig op te merken dat ik daartoe niet in staat ben – ik zou het ook niet kunnen op zijn manier. Ik bedoel, op de manier waarop hij het "Er is geschreven" en "Er is geschied" met elkaar verbindt. Ik zou het ook niet willen. Blijkt uit deze opstelling de invloed van de geseculariseerde cultuur, die alleen maar natuurlijke verklaringen accepteert, die geloven en verklaren scheidt? Gedeeltelijk wel.

Laat ik eerst nog eens teruggaan naar Groen. Waarom schrijft hij, zoals hij schrijft? Als evangeliebelijder, als antirevolutionair, als christen-historicus, maar ook als kind van zijn tijd. Groen sluit zich, in zijn Handboek, gedeeltelijk, want hij is een overgangsfiguur, aan bij de oudere historiografie van de vaderlandse geschiedenis. Maar daarmee ook bij een wereldbeleving en een geloofsbeleving die, ander dan Gods Woord zélf, aan kritiek onderworpen mag worden.

Voorzienigheidsgeloof vroeger en nu

Die geloofs- en wereldbeleving van laten we zeggen het pre-industriële tijdperk, de tijd van vóór de maakbare samenleving, kenmerkt zich door een haast vanzelfsprekend voorzienigheidsgeloof. De mens voelde zicht klein en kwetsbaar tegenover de natuur, maar ook tegenover de ondoorzichtige sociaal-economische veranderingen. De vele rampen waren Gods oordelen, en voorspoed Gods (onverdiende) zegen. Christelijk geloof en algemeen levensgevoel hebben zich door de eeuwen heen verbonden in een algemeen aanvaarde herkenning van Gods hand in de geschiedenis en in het onzekere leven van elke dag.

Hoewel Groen allerminst een vanzelfsprekendheidsgeloof toegeschreven kan worden, is de invloed van die eeuwenlange gewoontevorming toch duidelijk aanwijsbaar. Enkele simpele voorbeelden. "De geschiedenis van Nederland is bij uitstek gewigtig. De Heer heeft in dit kleine en onaanzienlijke land, aan de golven ontwoekerd, groote dingen gedaan. (...) Meer bijzonder van deze landen kan worden gezegd: "God heeft ze gegrond op de zeeën en gevestigd op de rivieren"." 22 Groen verwijst vervolgens op de vorming van de Zuiderzee, de Dollard en de Biesbosch als gevolg van stormvloeden. Waarom schrijft Groen dit zo? Om aan te geven dat er al heel vroeg een bijzondere relatie bestond tussen God en Nederland? Misschien zit dat er wel een beetje in. Maar eerder denk ik aan een gedachtengang als: aan de grillige vorm van dit landje, waarover zoveel stormen gewoed hebben, is wel extra zichtbaar dat landen door God gegrondvest zijn, hoe Gods hand in soevereine macht werkzaam is.

Welke christen-geograaf of -historicus zou er behoefte aan hebben dit vandaag nog zo na te spreken? Wij kijken toch niet meer zo. En dat heeft op zichzelf toch niets te maken met gebrek aan geloof. Juist dit heel simpele voorbeeld kan, meen ik, duidelijk maken dat onze gewenning om te denken vanuit natuurlijke oorzaken het ons onmogelijk maakt even vanzelfsprekend als Groen God te noemen. Dat is op zichzelf geen achteruitgang en dat kan zelfs een vooruitgang zijn voorzover het ons ervoor behoedt God te gemakkelijk te verbinden met onze zaak.

Een tweede voorbeeld: "Dit geringe land is, door welvaart, rijkdom, macht en invloed, naast en boven de grootste mogendheden, verhoogd. God heeft het gedaan: onzer vaderen arm heeft hen geen heil gegeven; maar Uw regterhand, en Uw arm, en het licht Uws aangezigts." 23 Groens bedoeling is ongetwijfeld te waarschuwen tegen overmoed met betrekking tot het vaderlandse verleden. Maar tegelijk zegt hij: al die welvaart en die roem, ze waren het werk van God.

En weer vraag ik, welke christen-historicus van nu schrijft zo? En zo niet, waarom niet? Ik voor mij zou zeggen, omdat zo de menselijke factor in de geschiedenis overdekt wordt met te wijzen op Gods werk. Zoals ik het vreemd zou vinden als een christenzakenman die zijn bedrijf tot bloei heeft gebracht en de concurrentie op achterstand heeft gezet, bij zijn afscheid zou zeggen: niet ik heb dit bedrijf tot bloei gebracht, God heeft het gedaan. Zo'n uitspraak zou mij wantrouwend maken.

Geeft Groen aanleiding tot zulk wantrouwen, tot een al te makkelijke identificatie van menselijk en Goddelijk handelen? Groen zelf heeft zich in zijn leven al op allerlei manieren tegen dat verwijt verweerd. Hij heeft er zich altijd voor willen hoeden God te annexeren voor een menselijke zaak, hoe goed die zaak op zichzelf ook is. Maar zijn voorzichtigheid belet hem niet om Gods handelen regelmatig aan te wijzen, desnoods met het risico mis te tasten. Liever zo schrijven dan de geschiedwetenschap overleveren aan ‘historiografisch deïsme’.

En weer komt de vraag op, een geschiedwetenschap die niet weet te duiden, die niet, misschien nog voorzichtiger dan Groen, laat zien de wegen van Gods voorzienigheid, bevordert die niet het secularisatieproces?

God buiten de wetenschap?

Karl Barth (1886-1968) © Ref. Dagblad Karl Barth, vooral de jonge Karl Barth, had op dit soort vragen een rigoureus en duidelijk antwoord klaar. Tegenover alle ervaringstheologie en natuurlijke theologie kwam hij met zijn woordtheologie. "Christenen kunnen slechts leven bij het Woord Gods, dat getuigt van de ganz andere werkelijkheid dan de werkelijkheid van de mens van Blut und Boden." 24 God is niet vanuit de ervaring aan te wijzen. Alleen het Woord en de verkondiging van het Woord doet Hem kennen. De geschiedenis is een raadsel. Ook de kerkgeschiedenis is niet meer dan een "Mischmasch von Irrtum und Gewalt", met een woord van Goethe.

Deze Barthiaanse visie op een geschiedenis die in zichzelf zinloos is, een visie die door en door modem en tegelijk van alle tijden is, kan, afgezien van haar juistheid of onjuistheid, ons er wel bij bepalen dat we deze elementen helemaal missen bij Groen. Voor hem is de geschiedenis "het vlammend schrift van den heiligen God." 25 Wat merken we bij hem van de ervaring zoals Van 't Spijker die onder woorden brengt: "naarmate wij proberen te kennen, hoe meer wij het wezen der dingen trachten te verstaan, de samenhangen en de verbanden die er zijn, de tegenstellingen en de tegenstrijdigheden, des te meer zullen wij de raadselen in de geschiedenis zien en ermee tobben of worstelen, er soms onder bezwijken en er onder vertwijfelen." 26

En waarom is de geschiedenis zo vaak raadselachtig? Omdat Gods werk van schepping en verlossing altijd weer doorkruist wordt door mensenwerk. Het heil komt van God, de zonde van de mens. In deze wereld zijn ze altijd met elkaar verstrengeld volgens dezelfde wet waarover Paulus schrijft: "Zo vind ik dan deze regel: als ik het goede wens te doen, is het kwade bij mij aanwezig. (...) Ik, ellendig mens! Wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods? Gode zij dank door Jezus Christus, onze Here" (Romeinen 7:21,24).

Maar dan nu voor het laatst de vraag: betekent deze visie dat wij God buiten onze omgang met het verleden plaatsen; dat de geschiedenis voor ons het onontwarbare raadsel is van goed en kwaad, van kwaad dat goed voortbrengt en goed dat kwaad gaat worden? Ik geloof het niet.

Normativiteit en christelijk realiteitsbesef

Geschiedbeoefening is ten diepste, meen ik, communicatie met mensen uit het verleden die wij (beter) willen leren kennen. Wij hoeven God niet in het verleden te zoeken om Hem beter te leren kennen. Hij de Levende, komt naar ons toe met Zijn Woord.

In de omgang met die mensen uit het verleden zal de christen-historicus vanuit zijn geloof in de eerste plaats geïnteresseerd zijn in de vraag wat zij van hun mens-zijn terecht brachten. Dit klinkt simpel, maar zowel voor het stellen van de vraag als voor het antwoord erop is veel geloofsstrijd nodig. Want een goede omgang met mensen vraagt heel veel liefde en tegelijk heel veel waakzaamheid om te onderscheiden tussen schijn en werkelijkheid, tussen onmacht en onwil, tussen waarheid en leugen. Er is veel strijd voor nodig om de dingen niet te accepteren zoals ze zijn, en te volstaan met verklaringen die duidelijk maken dat dingen zijn zoals ze zijn. Dat werk van alleen maar beschrijven en verklaren is immers al ingewikkeld genoeg.

Maar een persoonlijk-christelijke confrontatie met het verleden moet een normatief element in zich dragen. 27 Dat is gevaarlijk omdat we zo makkelijk onze normen overdragen op het verleden, maar het lijkt me toch noodzakelijk wanneer we werkelijk willen communiceren met het verleden en dus de mensen van toen serieus nemen. De historist begint hier niet aan. Maar een christen moet de moed hebben om het te proberen.

Ik denk dat christelijke geschiedbeoefening die zich dat normatieve element bewust maakt, leert ontdekken hoe waar is wat Gods Woord ons openbaart over onszelf en over de wereld, dus leidt tot versterking van christelijk realiteitsbesef. We leven mee met de keuzen die mensen doen. We zijn geëngageerd op dezelfde wijze als Groen. Net zoals hij bij wijze van spreken telkens weer het stof van de feiten afblaast om te laten zien: zo werkt God – en hij doet dat bij het licht van Gods Woord – zo zullen wij het stof van de feiten afblazen en laten zien: zo werkt de mens – maar ook bij het licht van Gods Woord. Ik meen dat deze laatste werkwijze ons echter dichter bij de realiteit houdt.

Groen heeft een sterke geloofsvisie, een grote gedrevenheid en een indrukwekkende capaciteit tot beeldvorming. Zijn beeld van de geschiedenis heeft derhalve, zeker voor christen-tijdgenoten, een grote overtuigingskracht gehad. Maar ik vraag me wel af: heeft zijn doelstelling om Gods werk en om de doorwerking van de ideeën te laten zien, zijn communicatie met de mensen in het verleden niet in de weg gestaan? Hoe passen de mensen tussen al die grote lijnen die hij trekt? Worden ze niet al te vaak toch gereduceerd tot de dragers van ideeën? En leidt deze visie van Groen er niet toe dat vaak voorbijgegaan wordt aan de realiteit dat ideeën niet van boven neerdalen, maar projecties zijn van menselijke behoeften? De Groen die meent dat de historie niet "enkel door de reeks der daden, maar vooral door de ontplooiing der begrippen gevormd wordt," neigt eerder tot demonstratie áán het verleden, dan tot communicatie mét het verleden. Hij komt daardoor, hoe behoedzaam hij ook is, niet tot die houding van geduld en aandacht die nodig is in de omgang met mensen uit het verleden, omdat hij er teveel van verwacht. Anders gezegd, omdat hij teveel van God wil zien, ziet hij te weinig van de mensen en hun worsteling met de vragen van hun tijd.

Zeker, Groens visie heeft geleid tot een fascinerend en inspirerend beeld van onze geschiedenis en van die van het revolutietijdperk. Maar ik meen dat juist christenen, dat is zeker een sterk waarheidselement in de boodschap van Karl Barth, een dergelijk beeld niet nodig hebben. God kennen wij al uit Zijn Woord, de geschiedenis is de geschiedenis van het menselijk antwoord. Wanneer we zó kijken naar de daden van mensen in het verleden, dan zien we, hoe beter we God hebben leren kennen, des te beter ook hoe Zijn goede schepping en Zijn werk van verlossing verstrengeld zijn met onze zonden en de gevolgen van onze zonden. Het is heel moeizaam en deprimerend dat te ontdekken, maar het is in geloof evenzeer heel heilzaam en bemoedigend. Want elke nieuwe dag is een dag van genade, waarop God naar de mens toekomt met Zijn goedheid en hen de ruimte geeft om te zien wie Hij is, om te antwoorden.

Hier wil ik afsluiten. U hebt wel gemerkt dat ik geen sluitend betoog te bieden had. Groen stelt mij telkens weer voor vragen waarop ik geen afgerond antwoord weet te vinden. Wat ik in dit bestek te bieden had, heb ik gegeven.


 Laatst gewijzigd: 18-05-09 - Geplaatst: 28-02-04