Archief

Eerherstel voor de plantage: de Westerse landbouw in de vooroorlogse Indische economie

Eric Williams, een belangrijk historicus en schrijver en na de onafhankelijkheid de eerste president van Trinidad schreef in 1944: ‘Tremendous wealth was produced from an unstable economy based on a single crop, which combined the vices of feudalism and capitalism with the virtues of “neither”.’

Theepluksters in Indië. Beeld Tropenmuseum

Theepluksters in Indië. Bron Tropenmuseum

Met de single crop bedoelde hij de suikerrietcultuur, die de slechtste kenmerken van twee systemen zou combineren. In dit artikel wil ik de reputatie redden van de plantage zoals die gebruikt werd voor de suikerrietcultuur. Door een langetermijnperspectief te kiezen en plantagesystemen in verschillende delen van de wereld met elkaar te vergelijken wil ik de stelling onderbouwen dat een negatief oordeel over de plantae niet altijd gerechtvaardigd is en dat de vooroorlogse Indische vorm ook positieve gevolgen heeft gehad.

De wieg en de weg van de suikerrietcultuur

Hoewel algemeen wordt aangenomen dat de bakermat van het suikerriet vele eeuwen geleden op het eiland Nieuw-Guinea stond, wordt er pas voor het eerst officieel melding van gemaakt in 327 vóór Christus. In dat jaar rapporteerde generaal Niarchus aan Alexander de Grote dat hij tijdens een krijgstocht in Voor-Indië een rietsoort had ontdekt ‘die honing voortbrengt, zonder de hulp van bijen en waarvan een bedwelmende drank gemaakt kan worden, hoewel de plant geen vruchten voortbrengt.’

De Arabieren brachten tijdens hun veroveringstochten het suikerriet van de vruchtbare vlakte van de Euphraat en Tigxisnaar naar de gebieden rond de Middellandse Zee, van Egypte tot Marokko en van Cyprus tot Spanje. De suikerrietcultuur volgde de Koran. Eeuwen later brachten de Kruisridders zuchra mee van hun krijgstochten. In Venetië bestond in die tijd al een suikermarkt, maar in Spanje en Portugal sloeg de suikercultuur het best aan. Omdat de klimaatsomstandigheden hier niet ideaal waren, namen omstreeks 1450 de Spanjaarden de Kaap-Verdische eilanden in bezit en de Portugezen Madeira en de Azoren om daar de suikerrietcultuur met meer succes te bedrijven.

Columbus bracht in 1493 – op zijn tweede reis naar Amerika – rietstengels mee naar Hispaniola (de tegenwoordige Dominicaanse Republiek). Daarmee legde hij de kiem van het plantagesysteem dat grote staatkundige, demografische en economische gevolgen zou krijgen in het westelijke halfrond. De dikwijls erbarmelijke arbeidsomstandigheden in dit werelddeel hebben er toe geleid dat de suikerrietcultuur een synoniem is geworden voor slavernij, uitbuiting en koloniaal machtsmisbruik.

Het plantagesysteem in West-Indië en Latijns-Amerika

Indiërs, Perzen en Arabieren en de bewoners van de Euphraat-delta maakten al gebruik van onvrije arbeid om suikerriet te verbouwen. Dit gewas leverde het meest profijt op als gebruik werd gemaakt van het plantagesysteem, een grootschalige en gecentraliseerde verbouw van gewassen door arbeiders – dus geen zelfstandige boeren – en verwerking in een centrale fabriek. In tegenstelling tot bijvoorbeeld koffie, cacao en tabak vraagt suikerriet om een snelle verwerking na het oogsten, omdat anders veel suiker in het net verloren gaat. Bovendien is het verwerkingsprocédé energieverslindend en veel ingewikkelder dan bij andere cultures.

Een tabaksplantage in Nederlands-Indië. Bron Geheugen van Nederland

Een tabaksplantage in Nederlands-Indië. Bron Geheugen van Nederland

Het aanvankelijk ambachtelijke fabrieksprocédé werd in de loop der eeuwen steeds meer geïndustrialiseerd. Suikerfabrieken zijn in de plantagewereld tegenwoordig de meest kapitaalintensieve bedrijven. Ook de bijprodukten – melasse –, die gebruikt wordt voor alcoholfabricage, en de bladresten – bagasse – die geschikt is als energiebron en als grondstof voor papier, spaanplaten en kunststoffen, maken het produktieproces complex.

De groei van het suikerriet kent een kritisch punt, waarbij het riet een optimaal suiker-gehalte bereikt. Dan moet het riet snel geoogst, vervoerd en verwerkt worden. Naarmate de plantages in omvang toenamen, om in de groeiende behoefte aan suiker in Europa te voldoen, vereiste de cyclus van planten, opkweken, oogsten en afvoeren van het riet naar de fabriek een geïntegreerd beheerssysteem, dat strenge eisen stelde aan de discipline van de opzichters en arbeiders op de plantage. De oorspronkelijke bewoners van de Nieuwe Wereld – de Indianen – wensten zich niet aan de strenge arbeidsdiscipline te onderwerpen. Hun plaats werd ingenomen door slaven uit Afrika, De koloniale mogendheden, Spanje, Portugal, Engeland, Frankrijk en Nederland vonden in het plantagesysteem een goede mogelijkheid produkten te verhandelen en winst te maken. Daarnaast bood het echter de mogelijkheid hun koloniën te bevolken en daardoor als bezit veilig te stellen. De voor deze cultuur benodigde gronden werden door de conquistadores zonder pardon in beslag genomen. Suiker verdrong tabak als het belangrijkste handelsprodukt van de Nieuwe Wereld. Het had een hogere toegevoegde waarde en bezat een veel grotere, meer elastische afzetmogelijkheid.

Download het complete artikel (pdf)

Jaargang 10 (1999) No 3 – themanummer Ethiek van het kolonialisme

“Ik en niemand anders!” Het geloof van Adolf Hitler

Toen ik in mijn boek De onbekende Hitler (Baarn: Ambo, 1992) de persoon in kwestie aanduidde als een mythische figuur en een godsdienststichter, riep dit uiteenlopende reacties op. Hoewel dit in feite de kern van mijn boek is, werd het niet zelden in stilzwijgen voorbijgegaan. Anderen bestreden het, maakten het zelfs belachelijk, maar deze of gene accepteerde het. Er is weinig aandacht aan Hitlers godsdienstige ontwikkeling besteed. Mythos-Hitler-al-sJesus-II.1

Joachim Fest weet er in zijn vuistdikke boek Hitler: Eine Biografie (1973) hoegenaamd niets over mee te delen, net zo min als Sebastian Haffner in zijn befaamde Anmerkungen zu Hitler (1978; 8e druk). In Eberhard Jackels Hitlers Weltanschauung. Entwurf einer Herrschaft (1981) is geen plaats ingeruimd voor godsdienst. We hebben echter het volumineuze en breedsprakige boek van Friedrich Heer, Der Glaube des Adolf Hitler (1968), waarvan de ondertitel Anatomie einer politischen Religiosität duidelijk suggereert dat deze religiositeit integrerend onderdeel van Hitlers ‘Herrschaft’ was. Laat ons zien wat hiervan waar is.

Jeugdervaringen van Hitler

Geboren op 20 april 1889 te Braunau in Beneden-Oostenrijk, werd Hitler in de middag van 22 april door de eerwaarde heer Ignaz Probst in de parochiekerk aldaar gedoopt, waarbij hij de naam ‘Adolfus’ ontving. Later verwierp hij deze naam en noemde zich ‘Wolf’, en liet zich door intimi zo noemen. Zijn ouders vormden een ongelijk paar. Vader Alois, hoge douane-ambtenaar, was katholiek, maar praktiseerde niet; hij was anti-clericaal en dacht liberaal. Moeder Klara (Pölzl) was een vrome vrouw die dagelijks naar de mis ging. Als zeven-, achtjarig kind bezocht haar zoon de kloosterschool van het Benediktinerstift te Lambach; hij zong daar in het koor van de Sängerknabenschule. De jongen vond de eredienst zo prachtig en de abt zo indrukwekkend dat abt worden hem “een hoogst begerenswaardig ideaal” leek. Zijn eerste communie, toen nog op twaalfjarige leeftijd, moet hij in 1901 hebben gedaan.

Met de vroomheid was het gauw afgelopen. Juist op de leeftijd dat de puber de verstandige leiding nodig had die zijn vader hem niet wilde en zijn moeder hem niet kon geven, kreeg hij op de Staatsrealschule te Linz godsdienstles van een ondeugdelijke leraar, Franz Sales Schwarz. De leerlingen bestookten de domme man met netelige vragen waardoor hij in paniek raakte. Onze eigenwijze jongeling moet hieruit de conclusie hebben getrokken dat de christelijke godsdienst iets was voor primitieve personen. Hij is nog wel gevormd, op 22 mei 1904 in de Dom van Linz, maar hij gedroeg zich toen zo bokkig dat het duidelijk was dat het hem helemaal niet zinde. Dit was hoogstwaarschijnlijk zijn allerlaatste kerkgang. Nooit ging hij nog een kerk binnen, zelfs niet toen als hij als staatshoofd dit wel had moeten doen, bijvoorbeeld bij een staatsbegrafenis. Hierbij dient echter aangetekend dat hij zich nooit uit de Katholieke Kerk heeft laten uitschrijven en tot zijn dood toe de Kirchensteuer is blijven betalen.

Hitler heeft een ontmoeting met enkele kardinalen.

Hitler heeft een ontmoeting met enkele kardinalen.

Maar nog lang hield hij een band met Jezus Christus die hij bewonderde als ‘rebel’, ja zelfs, mirabile dictu, als antisemiet, want Jezus was volgens hem “de grootste strijder tegen de joodse wereldvijand” geweest. Toch was het een probleem voor hem dat Jezus een jood was, maar dit werd uit de weg geruimd door hem tot ‘Ariër’ te verklaren. Langzaam maar zeker echter begon hij zich met Jezus te identificeren, om zich ten slotte in diens plaats te stellen. Dat hij in november 1918 met gasverblinding in het hospitaal te Pasewalk had gelegen beschreef hij als zijn ‘Golgotha’; hij sprak van “een lichamelijke en geestelijke kruisiging”. Er zijn meer uitlatingen die in deze richting wijzen, bijv. toen hij in 1928 zei dat hij het werk dat Christus was begonnen, maar niet had voltooid, tot een einde wilde brengen.

Op de duur leidde deze identificatie tot terzijdestelling van de historische Jezus die hij niet meer nodig had. De breuk met het christelijk verleden bleek definitief, toen hij bij de begrafenis van Von Hindenburg tot de overleden rijkspresident zei: “Toter Feldherr, geh’ nun ein in Walhall”; het hemels Jeruzalem had dus zijn betekenis verloren. Toch duurde het nog tot oktober 1937 voordat hij kon zeggen dat hij zich “na zware innerlijke strijd van nog voorhanden religieuze kindertijdvoorstellingen had vrijgemaakt. Ik voel me nu zo fris als een veulen op de weide.”
Rooms-katholieke rituelen

Totaal in het niet verzonken is zijn christelijk verleden niet. Hij haatte de Katholieke Kerk en had tegelijk bewondering voor haar. “De Katholieke kerk,” zo zei hij, “bezit die levenskracht die al onze levens… zal overleven.” Het is bekend dat Hitler de grote ‘Kundgebungen’ van het nazidom tot in details zelf regisseerde, vooral de Rijkspartijdagen te Neurenberg. Daarbij ontleende hij veel aan de eredienst van de Evangelische en Katholieke Kerk. Men kan hier rustig van een ‘liturgie’ en van een liturgische jaarkalender spreken. Wie wel eens een film van de jaarlijkse wijding van de ‘Blutfahnen’ van de Putsch van 1924 te München heeft gezien heeft begrepen dat dit echte liturgie is, en een indrukwekkende ook! Het was als het ware het Requiem van het Derde Rijk.Hitler

Nog imposanter was het eigenlijke ‘hoogfeest’ de viering van de jaarlijkse Rijkspartijdag op de Zeppelinwiese te Neurenberg. Het hoogtepunt werd in het avondlijk duister bereikt. Als de Führer daar alleen stond, hoog boven de onafzienbare menigte, verscheen de befaamde ‘lichtdom’: honderdendertig schijnwerpers van de Luftwaffe richtten hun bundels op Hitler die dan precies in het snijpunt stond. Onweerstaanbaar gaan mijn gedachten nu naar de antieke mysteriën van Eleusis. Daar kwamen degenen samen die haakten naar de Verlossing die de polisgodsdienst hun niet kon geven. In de laatste nacht verzamelden ze zich in het ‘telesterion’, de grote mysteriehal. Dagenlang hadden ze gebeden en gevast. En nu zou de hiërofant het beslissende geheim onthullen. Tegenover hen allen stond hij alleen in het licht, terwijl zij in het donker bleven. Wij weten niet wat het teken was, vermoedelijk een grote gouden korenaar die dan plotseling wonderlijk blonk tegen de duistere achtergrond. Daar in Neurenberg was Hitler de hiërofant, en het heilbrengend symbool was hij zelf.

Download het complete artikel (pdf)

Jaargang 06 (1995) No 2 – themanummer Nederland bezet

Willem de Clercq: sensitief en veelzijdig Réveilfiguur

Recentelijk verschenen twee interessante boeken over twee vooraanstaande mensen uit het Réveil. Het eerste is een ideeënhistorische studie van Van Eijnatten over Bilderdijk het tweede een kroniek van het leven van Willem de Clercq door achterkleinzoon W.A. de Clercq. Van Eijnattens boek heeft commotie teweeggebracht. Daarin vindt weliswaar geen beeldenstorm plaats, maar wordt een fundamentele herziening van de waardering van Bilderdijks ideeënwereld bepleit. Van Eijnattens visie blijft hier buiten beschouwing, maar we kunnen wel constateren dat zijn studie het orthodox-protestantse beeld van Bilderdijk sterk aantast. Een christen-theosoof is immers een heel andere verschijningsvorm dan de vader van het Réveil.

Willem de Clercq. Bron Wikimedia

Willem de Clercq. Bron Wikimedia

Een centrale vraag die te stellen valt, is of de publicatie van W.A. de Clerq eveneens aanleiding geeft tot herziening van een ander, in brede kring geliefkoosd beeld: De Clercq als sensitief en uiterst gewetensvol christen. Voor we een antwoord formuleren op deze vraag, geven we eerst een overzicht van enkele oudere beelden van De Clerq.

Willem de Clercq (1795-1844) heeft een geheel eigen plaats in onze geschiedenis. Naar een mooi woord van de historicus en dichter Gerretson is in de schitterende pleiade van het Réveil het heldere en milde licht van De Clercqs ster terstond herkenbaar. Dit licht schijnt op de mens De Clercq die bij uitstek een gevoelsmens was. In Willem de Clercq vinden we het innig verband tussen Réveil en Romantiek. Zijn gevoelsleven bepaalde ook zijn geloofsleven en leidde hem, door alle verwarring heen, tenslotte tot een stille overgave aan Christus.

Deze concentratie op de gevoelsmens De Clercq – onafscheidelijk verbonden met de christen De Clercq – vindt ongetwijfeld haar bron in De Clercqs Dagboek, de door Allard Pierson samengestelde selectie uit de “Mémoires” van De Clercq die in handschrift meer dan dertigduizend bladzijden tellen. In bijna zeshonderd bladzijden wordt een beeld gegeven van De Clercqs leven vanaf zijn vroege jeugd tot aan zijn overlijden en maken we hem mee in allérlei aspecten van zijn bestaan: improvisator, letterkundige, en vriend. Niet minder als gelovige. Louter kroniek was echter niet Piersons opzet. Piersons blik was gericht op De Clercqs innerlijk leven. Dit bepaalde zijn keuze en zijn invoelend en liefdevol commentaar. Zo is het Dagboek vooral een spiegel van De Clercqs zijn ontwikkeld gemoeds- en geloofsleven geworden. Generaties lezers en historici hebben Piersons liefde voor De Clercq overgenomen. Ook mij is dit beeld van De Clercq als gevoelsmens en romantisch christen lief. Piersons Dagboek is een monument in de geschiedenis van het Nederlandse gevoels- en geloofsleven.

Een zelfde beeld van De Clercq schetsen de dames C.E. te Lintum en M.E. Kluit. Ook bij deze schrijfsters valt het licht vooral op de overgevoelige mens die steeds minder tegen het leven opgewassen was. Al drie de auteurs schetsen de ontwikkelingsgang van De Clercq als uiteindelijk een tragische. Al in 1828, na de eerste ontmoeting met Kohlbrugge, die op De Clercqs leven een negatieve invloed zou krijgen, neemt Pierson een hellend vlak waar. ln zijn laatste jaren zou De Clercq zelfs gebukt gaan onder toegenomen lichaamszwakte en zenuwachtigheid. Mevrouw Te Lintum spreekt in haar sterk psychologische benadering van een breuk in De Clercqs ontwikkelingsgang. Mevrouw Kluit typeert diens laatste jaren als zeer zwart. Deze beelden zijn op zich niet onjuist, maar in hun concentratie op De Clercqs zielenleven kunnen zij niet ontkomen aan het gevaar van een eenzijdig beeld van De Clercqs persoonlijkheid.

De eenzijdigheid van Pierson, weliswaar een bewuste en liefdevolle eenzijdigheid, werd reeds opgemerkt door een tijdgenoot: Johannes Bosscha (1797-1874), hoogleraar in de klassieke letteren en een levenslange en intieme vriend van De Clercq. Bosscha had bewondering voor Piersons weergave en hij roemde met name het beeld van De Clercqs jeugd- en jongelingsjaren; elke beweging van diens fijn bewerktuigde ziel werd daardoor voor onze verbeelding zichtbaar. Voor latere jaren miste Bosscha echter een overzicht van De Clercqs leven als zakenman en ter aanvulling van Pierson schreef hij daarom een levensschets van De Clercq waarin juist diens leven als zakenman, eerst als secretaris en later als directeur van de Nederlandsche Handel-Maatschappij (NHM), centraal stond.

Willem de Clercq, kopstuk uit het Reveil Naar Bosscha’s mening was De Clercqs persoonlijkheid zo veelzijdig dat men als het ware verschillende levensbeschrijvingen van hem kon geven. Op de veilingen van de NHM was hij een geheel andere persoon dan tijdens godsdienstige bijeenkomsten met geestverwanten. Bosscha’s levensbeschrijving geeft inderdaad een veelzijdiger beeld dan het Dagboek. Wordt in het laatste, zoals we zagen, de uiteindelijk tragische Werdegang van een steeds gewetensvoller en tot benauwenis toe twijfelend mens getekend, bij Bosscha, zien we, naast andere meer persoonlijke aspecten, vooral de flinke zakenman, die als directeur van de NHM en grondlegger van de Twentse textielindustrie een belangrijke plaats in onze sociaal-economische geschiedenis inneemt.

Personalia O.W. Dubois

Dr. O.W. Dubois promoveerde op een studie naar de vriendschap tussen De Clercq en Da Costa. Hij is woonachtig in Hillegom.

Download het complete artikel (pdf)

Jaargang 11 (2000) No 2 – themanummer revisie van het Réveil?

Recensie: Kloek (ea), Vrouwen en kunst in de Republiek

De beelden van het verleden die door de historicus opgeroepen worden, zijn gefundeerd op de bronnen uit dat verleden. De informatie die daarin is vervat, waren in de ogen van de tijdgenoot het blijkbaar waard om opgeschreven te worden. Veel zaken die niet de moeite van het opschrijven waard waren, zijn ons niet bekend.

Bron Uitgeverij Verloren

Bron Uitgeverij Verloren

Het onderwerp ‘Vrouwen en kunst in de Republiek’, waarnaar de auteurs, studenten geschiedenis van de Universiteit van Utrecht, onderzoek hebben gedaan,behoort tot de zaken waar niet zoveel over bekend is. Vrouwen leefden vaak op de achtergrond en speelden geen opzienbarende rol in het publieke leven. Zo konden vrouwen vaak geen lid van een gilde worden en dus geen handel bedrijven. Maar op naam van hun man bedreven veel vrouwen toch handel.

Voor de kunst ligt dat niet zoveel anders. Veel vrouwen hebben kunst gemaakt en verhandeld. Spaarzame gegevens zijn overgebleven. Maar er zijn nog genoeg dingen bekend om een boek te schrijven over door vrouwen gemaakte kunst. Na twee inleidende hoofdstukken over vrouwen en het kunstleven in de Republiek, volgen hoofdstukken over vrouwelijke kunstenaars in de Republiek. Daarin wordt het beeld bevestigd dat vrouwen geen onbelangrijke rol gespeeld hebben in het kunstleven in de Republiek. Vaak maakten zij de kunst voor de kleine man. Een enkeling kon boven het maaiveld uitstijgen en zelfs enige internationale bekendheid krijgen.

De meeste vrouwen die zich bewogen op het gebied van de kunst kwamen ook uit het kunstenaarsmilieu of door hun ouders werd grote waarde gehecht aan de kunstzinnige vorming. Deze vrouwen werden door hun omgeving gestimuleerd om te schilderen. Deze omgeving verzorgde dan ook de opleiding tot kunstenares. Natuurlijk was niet iedereen in de omgeving van de kunstenaressen even blij met de kunstzinnige uitingen. Er zijn berichten die ons vertellen dat mensen vonden dat al dat geknoei met verf voor een vrouw nergens toe diende. Vrouwen produceerden niet alleen kunst, ze verkochten die ook op markten en op de kermis. Soms gebeurde dat op een illegale manier, wat soms een boete opleverde. De rol van vrouwen in de kunsthandel is maar klein geweest. De conclusie van het hoofdstuk over de kunsthandel is dan ook: ‘De rol van vrouwen in de kunsthandel is interessant, curieus maar niet essentieel!

De waarde van dit boek ligt vooral in het gegeven dat er een lexicon in opgenomen is met informatie over een groot aantal kunstenaressen in de periode 1500-1800. Dit lexicon geeft informatie over de namen van de ouders, geboorte- en sterftejaar van de kunstenares en de aard van het werk dat ze maakte. Dit zorgt ervoor dat het boek meer is dan de bundeling van een aantal opstellen van studenten.

Download de complete recensie (pdf)

Recensie n.a.v. Els Kloek, Catherine Peters Sengers, Esther Tobé, Vrouwen en kunst in de Republiek (Hilversum: 1998) 190 blz., fl. 35,00

Jaargang 11 (2000) No 2 – themanummer revisie van het Réveil?

Transparant 26.2 (2015) is verschenen

Transparant 26.2 (2015) is verschenen. U kunt dit nummer bestellen via het bestelformulier onderaan deze pagina. Artikelen in dit nummer:

Transparant. Bron Transparant

Transparant. Bron Transparant

Redactioneel

Ardjan Logmans

De terreurorganisatie Islamitische Staat (IS) heeft niets op met het verleden, blijkt uit berichtgeving in de media. Het oorlogsgeweld heeft dit jaar eeuwenoude steden als Nimrod, Mosul en Ninevé bereikt. Op Twitter zwerven foto’s rond van mannen die beelden en andere artefacten uit musea omtrekken en bewerken met houwelen – een hedendaagse beeldenstorm. Nu is dat voor deze musea nog niet het ergste. De topstukken zijn op tijd in veiligheid gebracht. Bovendien liggen veel originelen in Europese musea. Erger is dat bomkraters en raketinslagen ook archeologische resten verbrijzelen die nog in de grond zijn te vinden. Juist in dit gebied, de bakermat van de beschaving, wordt toekomstig historisch onderzoek ernstig bemoeilijkt. De houwdegens van IS hebben echter hun eigen kijk op het verleden. Ze beschouwen zichzelf als verspreiders van de ware islam en willen met terugwerkende kracht ook het verleden islamiseren. Alles wat niet past in hun opvatting wordt verwoest. Daarmee doen zij het verleden onrecht.

Kort nieuws

Christiaan Veldman

David Onnekink, Zoeken naar de verbinding

Johan van de Worp

Historische verhalen hebben, weinig verrassend misschien, altijd een begin en een einde. Dat geldt ook voor dit verhaal. Voor David Onnekink is na ruim dertien jaar redactielidmaatschap van Transparant – waaronder de laatste vier jaar als hoofdredacteur – een einde gekomen. Maar wie is David eigenlijk en wat houdt hem als historicus bezig? Wat drijft hem als christen-historicus en wie inspireerden hem? Bij zijn afscheid blik ik met hem terug op de achterliggende jaren, maar kijk ik ook naar de toekomst. Dat christen-historici ertoe doen, is voor hem geen vraag, wel hoe hun bijdrage nu concreet gestalte dient te krijgen. Een vraaggesprek met een bescheiden historicus, die telkens weer geboeid raakt door het historische verhaal en blijvend op zoek is de zin van de geschiedenis duidelijk te maken.

Van de voorzitter

Arjan Nobel

Hij is al jaren een van dé gezichten van de VCH. Hij was betrokken bij meer dan veertien jaargangen van Transparant. In 2002 begonnen als redacteur, sinds 2010 als hoofdredacteur. David Onnekink, een bescheiden en bevlogen historicus. Met ingang van dit nummer neemt hij afscheid.

Column: Interessante tijden

Wim de Jong

De in 2012 overleden historicus Eric Hobsbawm gaf zijn autobiografie een mooie Engelse tongue-in-cheek titel: Interesting times. Hij had de 20e eeuw vanaf ongeveer de jaren ’20 bewust meegemaakt. Het is jammer dat hij er niet meer bij is, want wat zou Hobsbawm gevonden hebben van de 21e eeuw? We zijn nu alweer anderhalf decennium op streek sinds de milleniumwende, en het is nog steeds niet duidelijk in wat voor tijden we leven.

Merle d’Aubigné: vroom en vrolijk

Janneke de Jong-Slagman

Jean-Henri Merle d’Aubigné was voor mij jarenlang een begrip, een naam die stond als een huis. Twee zaken bepaalden zijn relevantie: ik dacht de theoloog en Réveilman te kennen als hofprediker van koning Willem I in Brussel en als vriend van Guillaume Groen van Prinsterer, op wie zijn orthodoxe prediking grote invloed had. Gedurende het onderzoek voor mijn dissertatie werd dat beeld van Merle bijgesteld: hij is nooit hofprediker geweest.

Onbeperkt gehecht aan majesteit en vaderland?

Pieter Prins

In 1830 kwamen de Belgen in opstand tegen koning Willem I en zijn regering. De liberale en katholieke oppositie verenigde zich en koos uiteindelijk voor afsplitsing van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. In Zeeuws-Vlaanderen leidde de opstand tot spanningen tussen protestanten en katholieken. Maar of religieuze tegenstellingen in het kiezen van partij doorslaggevend waren is maar zeer de vraag.

Column: Poetin bedankt!

André van der Elst

Onlangs maakte ik bij vwo-6 een begin met de behandeling van de Koude Oorlog, een van de verplichte historische contexten. Ervan uitgaande dat de leerlingen wel enig besef hadden van het thema, besloot ik mijn vertrekpunt te nemen in de historische beleving. Ik vertelde mijn leerlingen dat het mij altijd opvalt hoe moeilijk het is om het beklemmende gevoel van constante dreiging uit het oosten, die mijn generatie tijdens de Koude Oorlog had, over te brengen. “Jullie kennen wel de feiten, maar begrijpen die tijd eigenlijk niet”, zei ik tegen ze. Een van mijn leerlingen stak zijn vinger op en zei: “Maar met Poetin lijkt het er toch eigenlijk wel weer op?”

Wegwijs in doolhof rond erkenning Armeense genocide

Peter van der Velden

Dit jaar wordt herdacht dat de Armeense genocide – waar ook andere minderheden als Assyriërs, Grieken, Arameeërs en in mindere mate Yezidi’s slachtoffer van zijn geworden – honderd jaar geleden op 24 april 1915 is begonnen. Onder dekking van de Eerste Wereldoorlog is het restant van het vrijwel ineengestorte Ottomaanse Rijk systematisch door een centraal georganiseerde vervolging van het grootste deel van zijn christelijke inwoners ontdaan. Het doel: de oprichting van een nieuwe natiestaat met een homogene, voornamelijk Turkse bevolking.

De bekering van Constantijn de Grote

Gertram Schaeffer

Toen Constantijn in het jaar 312 de stad Rome innam onder een hem geopenbaard ‘hemels teken’, bevoordeelde hij het christelijk geloof. Velen menen dat Constantijns bekering een werkelijke keuze voor Christus was. Maar het is opvallend dat Constantijn na 312 zich tot het jaar 323 vooral liet afbeelden met Sol Invictus, de Onoverwinnelijke Zon. Is het misschien beter te spreken van een bekeringsproces in de jaren 312-323? En is de uiteindelijke exclusieve keuze voor Christus in het jaar 324 te plaatsen?

Recensie

Hans Krabbendam

Remco van Mulligen, Radicale Protestanten. Opkomst en ontwikkeling van de EO, de EH en de ChristenUnie en hun voorlopers (1945-2007), Amsterdam: Buijten en Schipperheyn, 2014; 470 blz.; € 29,50; ISBN 978 90 588 1816 4.

Vitrine

Gerard Raven

 

Nummer 26.2 bestellen

Uw voor- en achternaam (verplicht)

Straat + huisnummer (verplicht)

Postcode (verplicht)

Woonplaats (verplicht)

Uw email (verplicht)

Uw telefoonnummer (verplicht)

Vul de jaargang en het nummer in van het tijdschrift Transparant dat u wilt ontvangen (bijvoorbeeld 26.4 of 27.1).

Ik wil graag dit nummer van Transparant bestellen tegen een geringe vergoeding. Stuur me per e-mail een bevestiging met betalingsinstructies. Vervolgens krijg ik het nummer toegestuurd.

Voer de gegevens hieronder in, zodat we spam kunnen uitschakelen.
captcha

VCH benoemt nieuwe hoofdredacteur Transparant

Ardjan-Logmans-wordpress

Ardjan Logmans. Bron Ardjan Logmans

Binnenkort komt Transparant 26.2 uit. Belangrijk nieuws uit dit nummer: De Vereniging van Christen-Historici (VCH) heeft Ardjan Logmans MA benoemd tot hoofdredacteur van Transparant, het kwartaaltijdschrift van de vereniging. Hij volgt dr. David Onnekink op die, na ruim tien jaar redactiewerk, waarvan de laatste jaren als hoofdredacteur, afscheid neemt van het redactieteam.

Ardjan Logmans is vanaf 2011 redacteur van Transparant. Hij had in het verleden diverse taken binnen de redactie: die van interviewer, beeldredacteur en recensieredacteur. Ook schreef hij zelf bijdragen. Met een journalistieke en onderwijskundige achtergrond heeft hij alles in huis om met de redactie de koers van Transparant te bepalen.

Voor de toekomst wil Logmans de drie terreinen waarop de VCH al jaren actief is – het zoeken naar christelijke geschiedbeoefening, het ontsluiten van het ‘eigen’ gereformeerde verleden en het onderzoeken van in de wetenschap onderbelichte thema’s als religie, kerk en godsdienst – op een nieuwe manier onder de aandacht brengen. Dat kan door meer aandacht te geven aan het onderwijs om zo een nieuwe generatie vertrouwd te maken met een christelijke visie op geschiedenis. De inzet van de vorige hoofdredacteur, om artikelen laagdrempeliger te maken zonder tekort te doen aan de inhoud, wordt voortgezet.

Wilt u weten wat er nog meer te lezen is in Transparant? Word dan lid van de Vereniging van Christen-Historici. U ontvangt dan vier keer per jaar Transparant in de bus.

Recensie: Bregman & El-Tahri, Israël en de Arabieren, de vijftigjarige oorlog

Een politicoloog uit Israël en een journalist uit Egypte hebben samen een reconstructie proberen te geven van het verleden van de staat Israël. Door gesprekken te voeren met vele mensen uit de betrokken landen hebben zij zich een beeld gevormd van dat verleden.

Hun verhaal, dat eerder uitgezonden is op de televisie, begint bij de zionistische beweging en de problemen rondom Palestina in de Eerste en Tweede wereldoorlog. Maar na al deze problemen kregen de joden na de verschrikkingen van de tweede Wereldoorlog toch een eigen thuis. Het oprichten van de staat Israël ging niet zonder slag of stoot. Er waren problemen over de constructie van Israël, moest er nu wel of niet een tweedeling plaatsvinden? Bij het verkrijgen van het groene licht van de VN maakten de joden gebruik van onorthodoxe middelen. Maar na deze problemen werd er toch vrij onverwachts een nieuwe staat opgericht, die de naam Israël kreeg.

Direkt na de oprichting kreeg de jonge staat oorlog met de omringende landen. De Arabische wereld wilde de joden verdrijven en haar Palestijnse vrienden helpen. Dit werd een fiasco, o.a, door het feit dat de Arabische wereld zelf nog onder koloniale machthebbers leefde en aan hen de handen vol had. Na deze overwinning werd Israël niet veel rust gegund, Rusland meende politiek voordeel te kunnen halen uit een confrontatie tussen Israël en zijn buren. Zij beweerden dat Israël troepen samentrok en op het punt stond een oorlog te beginnen. Dit veroorzaakte een crisis. Israël begon uiteindelijk de oorlog zelf en kwam als overwinnaar uit de strijd. Na deze crisis neemt het boek ons al snel mee na de volgende crisis in 1973 en aan hetgeen daar aan vooraf ging. Sadat wordt opgevoerd als een moedig man, die vriend en vijand versteld deed staan na zijn breuk met het beleid van Nasser. Toen zijn poging om de vrede te sluiten met de aartsvijand van Egypte was mislukt, koos hij voor oorlog om de patsstelling te doorbreken. Israël was totaal verrast. Ten onrechte menen de auteurs. Koning Hussein van Jordanië had hen enkele weken daarvoor gewaarschuwd voor een ophanden zijnde oorlog. De oorlog eindigde onbeslist. Maar Egypte was niet langer militair de mindere van Israël. Dit was ook het doel geweest van Sadat. Nu kon hij als gelijkwaardige van Israël onderhandelen. Deze onderhandelingen leidde uiteindelijk tot een vredesverdrag, waar de presdent van Egypte met zijn leven voor moest betalen.

Intussen hadden de Palestijnen het er niet bij laten zitten. Zij hadden zich georganiseerd en vestigden zich in Jordanië, waar ze grote invloed uitoefenden. Slechts na een zware strijd wist de regering hen het land uit te krijgen. In eerste instantie probeerde Israël dit, maar hier leden zij een pijnlijke nederlaag, met het gevolg dat er een groot zelfvertrouwen heerste onder de Palestijnen. Nadat zij uit Jordanie verdreven waren, vestigden de Palestijnen zich in Libanon. Door christelijke milities te steunen, hoopten de Israëliërs hen te verdrijven uit dit land. Door in 1982 in dit land binnen te vallen en de PLO te verdrijven, stak Israël zich in een wespennest. Het lukte hen niet om een stabiel bewind in Libanon te vestigen. De beoogde president werd vermoord. Het gevolg was onduidelijkheid en veel bloed. Het koste minister van defensie Sharon zijn ministerspost en ook Begin kon het niet bolwerken. De PLO was echter noch springlevend.

Download de complete recensie (pdf)

n.a.v.Ahron Bregman en Jihan El-Tahri, Israël en de Arabieren. De vijftigjarige oorlog (Utrecht: Het Spectrum, 1998), 320 blz., fl. 39,90.

Jaargang 11 (2000) No 1 – themanummer Het wonder in de geschiedenis

Recensie: Leeuwenburgh, Darwin in domineesland

Bron Transparant

Bron Transparant

Darwin in Domineesland is de handelseditie van het proefschrift waarmee Bart Leeuwenburgh op 15 januari 2009 aan de Erasmus Universiteit van Rotterdam promoveerde. Het boek beschrijft de reacties van Nederlandse geleerden op de introductie van de evolutietheorie.

Voor zijn historische reconstructie gaat Leeuwenburgh uit van drie periodes. De eerste periode (1859-1867) kenmerkt zich door een gematigd debat: “de neiging bestond om de lieve vrede te bewaren en niemand voor het hoofd te stoten, voor de onderlinge meningsverschillen begrip op te brengen en de ogen open te houden voor nuances.” Dit wordt begrijpelijk als we beseffen dat het debat vrijwel uitsluitend door de academische elite werd gevoerd. Zij zagen Darwins theorie als een ‘aannemelijke hypothese’ die het voordeel van de twijfel verdiende. Ook veel theologen gaven op deze wijze hun instemming. De dominante Moderne Theologie ondernam wel meer pogingen om geloof en wetenschap met elkaar in overeenstemming te brengen. Wonderen waren inmiddels ‘uit’, naturalistische verklaringen ‘in’. De tweede periode (1868-1869) valt grotendeels samen met de zes lezingen die de Duitse materialistisch atheïst Karl Vogt in Rotterdam hield. Vogt was ‘de Dawkins van de negentiende eeuw’. De evolutietheorie rekende wat hem betreft af met “de verzinsels die wetenschappers eeuwenlang als onbetwistbare waarheid waren opgedrongen” zoals de idee dat we in Adam een gemeenschappelijke voorouder hadden en dat er een onsterfelijke ziel bestond. Dit was slechts “kinderlijk bijgeloof”.

Orthodoxe theïsten reageerden furieus. Velen verwierpen het principe van natuurlijke selectie als ‘onwetenschappelijk’. Zij verdedigden – als aanhangers van de ‘natuurlijke theologie’ – dat soorten onveranderlijk geschapen waren. Het was vooral de dierlijke afstamming die bij hen op de meeste weerstand stuitte. Illustratief voor het type verzet dat hiertegen geboden werd is een opmerking in het rooms-katholieke weekblad De Maasbode over de voordrachten van Vogt: “Wij zijn waarlijk nieuwsgierig of de Rotterdammers tot zes keer toe eene kolossale dosis materialistischen onzin kunnen verteeren en tot de overtuiging zullen komen naar hun apentuin te moeten snellen om daar den eersten baviaan den beste als hun urvader te omhelzen.” Mede door dit soort reacties polariseerde het debat in zeer korte tijd. De radicalen uit beide kampen zouden voortaan de inhoud en toon bepalen. Sinds Vogt lijkt de evolutietheorie daarom vast verbonden met het atheïsme en materialisme. In de derde periode (1870-1877) stond niet langer de beoordeling van Darwins theorie centraal, maar veeleer de doordenking en consequenties ervan. Het sociaal-darwinisme kwam op en werd door velen gepropageerd als ‘de nieuwe boodschap voor de mensheid’. Het waren met name katholieken die in deze periode van zich lieten horen. Zo bestreed Klönne nogmaals de “verfoeijleijke leer” dat de mens niet door “Gods adem bezield was”, maar afstamde van een “afzigtelijk gedierte”. Professor De Bruin stelde dat het darwinisme de stabiliteit van de samenleving ondermijnde omdat het de klassenstrijd aanwakkerde en “den mensch [zou] …verontchristelijken, verontzedelijken en verdierlijken.”

Op 12 februari 1877 boden zijn Nederlandse bewonderaars Darwin ter gelegenheid van zijn 68ste verjaardag een album met 217 portretten aan. Volgens Leeuwenburgh symboliseert dit moment een belangrijke overgang in de geschiedenis van de receptie van Darwins theorie in ons land. Er werd nog steeds gestreden over de voors en tegens, maar daarvoor werden nauwelijks nog originele argumenten uitgewisseld. Het zwaartepunt was inmiddels verlegd naar een discussie over de gevolgen van Darwins leer. Wie bekend is met het huidige Darwin-debat en luistert naar de ‘ernstige wetenschappers en filosofen, goedbedoelende warhoofden, strenge theologen, pseudo-wetenschappelijke charlatans en strijdbare atheïsten’ die Leeuwenburgh aanhaalt, ontkomt inderdaad niet aan deze indruk. Alles is al eens gezegd. Leeuwenburgh laat voor zijn historische reconstructie telkens twee ‘typen’ per periode aan het woord: de wetenschappelijke agnost en de naturalistische theoloog in de eerste periode; de materialistische atheïst en orthodoxe theïst in de tweede periode; de darwinist en sociaal darwinist in de derde periode. Elk type staat niet zozeer symbool voor een “gemiddeld oordeel”, maar voor een “consistent geheel van filosofische en theologische vooronderstellingen op grond waarvan men Darwins theorie beoordeelde”. Dit komt vrij gekunsteld over. De grenzen tussen de types blijken namelijk zeer vloeibaar. Sommige debaters namen tegelijkertijd verschillende posities in of veranderden later van positie. Dat maakt het moeilijk om inzicht te krijgen in de communis opinio per periode. De posities in het huidige Darwin-debat zijn eveneens lastig te herkennen. Waar moeten we bijv. de ‘theïstisch evolutionist’ plaatsen, die raakvlakken met vrijwel alle types heeft, evenwel zonder met een daarvan volledig samen te vallen? Leeuwenburgh is zich van dit dilemma bewust en trekt hier een parallel met het biologische soortbegrip. Ook bij ‘soorten’ gaat het zijns inziens niet om eeuwige essentie maar om een “poging tot pragmatische classificatie”. Die classificatie is inderdaad noodzakelijk om de debaters een context mee te geven. Een feitelijk oordeel van een persoon krijgt immers pas betekenis als we inzicht hebben in het intellectuele spanningsveld van zijn tijd. De voordelen lijken hier dus op te wegen tegen de nadelen.

Al met al is Darwin in Domineesland een aanrader voor wie in dit Darwin-jaar nog niet is uitgevierd of -geërgerd. Het boek is vlot geschreven, bevat talloze kostelijke citaten (al moeten we voor de bron daarvan bij het proefschrift te rade) en biedt ook de niet-ingevoerde lezer nuttige achtergronden over de evolutietheorie en het toenmalige wetenschappelijke en religieuze klimaat. Mogelijk kunnen we zelfs nog iets leren van de genuanceerde en luisterende houding die Nederlandse geleerden in de eerste periode aannamen. Wie daartoe bereid is, kan nog iets nieuws inbrengen in het Darwin-debat dat zich al 150 jaar voortsleept.

Donwload de recensie (pdf)

N.a.v. Bart Leeuwenburgh, Darwin in domineesland (Rotterdam: Uitgeverij Vantilt, 2009, 303 blz., €19,95).

Jaargang 21 (2010) No 1 – themanummer Linguistic Turn

Schomberg en de hugenotensoldaten: “Voorwaarts, vrienden, verzamel je moed en wrok: daar zijn uw vervolgers!”

In 1685 herriep Lodewijk XIV van Frankrijk het Edict van Nantes, dat de vrijheid van godsdienstuitoefening sinds 1598 aan Franse protestanten had gegarandeerd. Dit artikel richt zich op de reactie van Hugenootse soldaten die dienst deden in het Franse leger, maar die zich na deze manoeuvre van de koning gedwongen zagen uit te wijken naar het buitenland. Uiteindelijk namen velen van hen dienst in het leger van stadhouder-koning Willem III. De bekendste onder hen was wel Frederick Herman von Schomberg, maarschalk in het Franse leger.

Het jaar 1685 was cruciaal voor de Franse protestanten. De Hugenoten werden toen gedwongen te kiezen tussen hun geloof en hun land, hun geweten en hun vorst. Maar de vervolging van Hugenoten begon niet in 1685. De herroeping van het Edict van Nantes vormde de laatste in een serie aanvallen van de Franse kroon op de rechten en privileges van de kleine protestantse gemeenschap in Frankrijk. Al vanaf het begin van de regering van Lodewijk XIV in 1661 nam de druk op de Hugenotengemeenschappen toe. Het recht op godsdienstuitoefening van de Hugenoten kwam juridisch voortdurend onder druk te staan.
Dit proces kwam in een stroomversnelling na de Vrede van Nijmegen in 1678, die een einde maakte aan de Frans-Nederlandse oorlog. Daardoor kreeg Lodewijk XIV de kans zich met meer aandacht op binnenlandse zaken te richten. Ironisch genoeg had de beroemde protestant maarschalk Schomberg door zijn competente leiderschap over het Franse leger veel bijgedragen aan de totstandkoming van deze situatie. Hoewel Lodewijk XIV zich vanaf 1678 strikt genomen hield aan het Edict van Nantes, spoorde hij wel zijn protestantse onderdanen aan zich te bekeren.

Vlucht van de Hugenoten

De reactie van de soldaten op de herroeping van het Edict van Nantes was gemengd. Veel vooraan- staande protestantse edelen bekeerden zich bijna onmiddellijk. Hun beweegredenen zijn echter begrij- pelijk, omdat ze diepgaand geindoctrineerd waren in de cultus van bewondering voor hun koning. Daardoor hadden ze geen middelen meer om zijn directe bevelen te weerstaan, hoewel ze nooit overtuigd katholiek werden. Veel lagere edelen daarentegen, in het bijzonder in de protestantse regio’s in het noorden (Normandië) en zuiden (Languedoc), verzetten zich heftig tegen bekering, en verkozen vluchten boven het wonen in een geheel katholiek land.

Ten tijde van deze onzekere en onderdrukkende situatie hadden de Hugenoten nauwelijks leiders, maar twee mannen hadden genoeg invloed en vertrouwen om de koning een petitie aan te bieden ten behoeve van de Hugenoten, namelijk de markies De Ruvigny en maarschalk Schomberg. Frederick Herman von Schomberg was een overtuigde protestant die zich lang had verzet tegen de pogingen van de Franse autoriteiten om hem te bekeren, en hij was begrijpelijkerwijs woedend dat zijn geloof verbannen werd uit het land waar hij zich gevestigd had? Hij was een geboren Duitser en genaturaliseerd Fransman, een calvinist en maarschalk in het Franse leger?

Download het complete artikel (Pdf)

Jaargang 16 (2005) No 2 – themanummer hugenoten

Islam in de Molukken: een wereld in gisting

De Molukken bestaan historisch gezien uit drie regio’s: de Noord-Molukken: de eilanden Ternate en Tidore met het aanliggende gebied; de Banda-eilanden met Zuidoost-Seram en de zuidelijke eilanden; en de Midden-Molukken: Ambon met het aanliggende gebied. De Noord-Molukken waren in het begin van de zestiende eeuw het enige gebied ter wereld waar de kruidnagel groeide, terwijl de Bandaeilanden de enige regio waren waar de nootmuskaat groeide. Dit artikel schetst hoe de islam de weg van de handel volgde en de Molukken bereikte.

De kruidnagelen en de nootmuskaat hadden grote aantrekkingskracht op Javaanse, Maleise, Indiase en zelfs Arabische handelaren. In januari-februari kwamen zij met de noordwestmoesson met hun handelswaar naar Banda en Ternate, om in april-oktober met de zuidoostpassaat met de ingekochte specerijen weer naar het westen te vertrekken. Via de handelaren kwamen de Molukkers in de loop van de vijftiende eeuw in contact met de islam, bij uitstek de godsdienst van wereldwijze handelaren die hun religie geleidelijk verspreidden onder hun plaatselijke handelspartners, de lokale hoofden. De verspreiding van de islam volgde de weg van de handel, die vanuit India via Straat Malaka en de noordoostkust van Java naar de Molukken liep.
Goede banden met de moslimhandelaren waren voor de lokale hoofden van groot belang omdat de handelaren hun positie jegens hun onderhorigen konden versterken. De invoer van goederen en uitvoer van specerijen liep via de hoofden, zodat voor hen de handel de belangrijkste bron van inkomen vormde en daarmee een bron van macht.

De Banda-eilanden volgens een afbeelding uit 1724. Bron Geheugen van Nederland

De Banda-eilanden volgens een afbeelding uit 1724. Bron Geheugen van Nederland

Lokale machthebbers trokken ook moslims uit India, uit de Maleise wereld en van Java aan als adviseurs. Niet alleen omdat het in dienst hebben van vreemde adviseurs de hoofden prestige verschafte bij hun onderhorigen, maar vooral omdat de adviseurs door hun kennis van de handel het de lokale machthebbers mogelijk maakte het maximale profijt uit de handel te trekken. Molukse hoofden zonden bovendien soms hun zonen naar Java om daar bij in aanzien staande leermeesters hun kennis van de islam vergroten. Zo kwam het op een heuvel te Giri (bij Surabaja) gevestigde geslacht van religieuze leermeesters in een bijzondere reuk van heiligheid te staan in de Molukken en ontwikkelde Giri zich tot een populair pelgrimsoord voor Molukse moslims.

Portugezen brengen christendom

In 1512 bereikten de eerste Portugezen de Molukken. Ze moesten constateren dat in de centra van handel de hoofden reeds tot de islam waren overgegaan, terwijl een groot deel van het volk nog als heiden door het leven ging. De moslimhandelaren werden door de Portugezen niet alleen als commerciële concurrenten, maar ook als erfvijanden beschouwd. Op het Iberisch schiereiland en in Noord-Afrika hadden de Portugezen de moslims als vijanden bevochten, terwijl overal in Azië de moslims hen de voet probeerden dwars te zetten.

Pogingen van de Portugezen om in de Molukken tot de islam overgegane hoofden alsnog tot het christendom te bekeren waren weinig succesvol. Arrogant optreden van de Portugezen leidde tot voortdurende wrijvingen en oorlogen. In Banda kregen de Portugezen nooit voet aan de grond, terwijl ze in 1575 van Ternate verjaagd werden. Vanaf dat jaar hadden de Portugezen alleen nog vaste voet op Ambon, waar ze sinds 1523 gevestigd waren in het gebied van het nog heidense deel van de bevolking dat nog niet was overgegaan tot de kruidnagelteelt en daarom ook nog niet in nauw contact met de islamitische opkopers van de kruidnagelen gekomen was. Onder het nog betrekkelijk achtergebleven bevolkingsdeel van de Ambonse eilanden gelukte het de Portugezen het christendom te verbreiden.

Op het schiereiland Leitimor begonnen de Portugezen in 1575 met de bouw van een fort, waaromheen later de stad Ambon ontstond. Vanuit dit fort beoorloogden ze met steun van de Ambonse christenen de moslims van de kruidnagelrijke streken. Het resultaat was dat aan het begin van de zeventiende eeuw de Ambonse eilanden in tweeën waren verdeeld: een islamitisch deel (de noordkust van Hitu, Hoamoal, het noordelijk deel van Haruku en het noordelijk deel van Saparua) voor wie de Javaanse handelaren en de islamitische vorst van Ternate natuurlijke bondgenoten waren en een christelijk deel (de zuidkust van Hitu, het schiereiland Leitimor, het zuidelijk deel van het eilanden Haruku en Saparua en het eilandje Nusa Laut) waar de Portugezen de dienst uitmaakten.

Vestiging van Nederlands gezag

In 1599 verschenen de Nederlanders in de Molukken. Door de moslims werden zij, als vijanden van de Portugezen, hartelijk verwelkomd. Zodra de VOC met hulp van de moslims de Portugezen uit de Molukken verjaagd had, bleek zij zich echter te ontpoppen als een zeer dominante Europese macht die het monopolie op de opkoop van de specerijen voor zich opeiste en nog minder dan de Portugezen de concurrentie van andere handelaren duldde.

Het eerst ging de VOC op Banda de confrontatie aan met de op vrije handel gestelde moslims. Het resultaat was dat in 1621 de gehele bevolking van Banda was verjaagd, gedood of in slavernij weggevoerd. De grond van de Banda-eilanden werd in perken verdeeld, die werden uitgegeven aan gewezen employees van de VOC om daarin met van elders aangevoerde slaven de nootmuskaat te telen die tegen een vaste prijs aan de VOC moest worden geleverd. In de Noord-Molukken werd in het midden van de zeventiende eeuw alle aanplant van specerijen door de VOC verboden. Aan de lokale vorsten werd ter compensatie van verlies aan inkomsten een jaarlijkse toelage toegekend.

Download het complete artikel (Pdf)

Jaargang 14 (2003) No 1 – themanummer Molukken