Willem van Oranje en de godsdienstvrijheid

Uit de Nederlandse Opstand is Willem van Oranje niet weg te denken. Zonder zijn initiatieven, zijn inspirerende leiding en taaie doorzettingsvermogen, zonder het opofferen van goed en bloed van zichzelf en zijn familie, was het resultaat van de Nederlandse Opstand ondenkbaar geweest. Zijn erfenis vinden we nog terug in ons vorstenhuis, in ons volkslied, in het oranje als nationale kleur, maar ook in een Nederlandse traditie van vrijheid en gematigdheid.

De jonge Willem van Oranje, geschilderd door Anthonie Mor. Bron Transparant

De jonge Willem van Oranje, geschilderd door Anthonie Mor. Bron Transparant

Over achtergronden en inhoud van Oranjes houding tegenover de godsdienstvrijheid zijn reeds tal van boeken en artikelen geschreven. De feiten zijn in grote lijnen wel bekend, maar er is geen duidelijke overeenstemming over de vraag of Oranjes houding vooral voortsproot uit principiële opvattingen of uit politieke berekening, omdat hij protestanten en katholieken nodig had voor zijn strijd tegen Filips II.

Oranje ontwikkelde zich steeds meer tot de onverzoenlijke tegenstander van het bewind van de Spaanse koning Filips II in de Nederlanden. Diverse motieven hebben daarin meegespeeld. De belangrijkste daarvan zijn fundamenteel afwijkende visies op de stijl van regeren en de geloofsvervolging en de wijze waarop Filips zich vergreep aan Oranjes bezit, familie en eer.

In de jaren van 1561 tot 1567 groeide een steeds duidelijker verschil in visie tussen de regering van Filips II en Willem van Oranje, lid van het hoogste adviesorgaan, de Raad van State en stadhouder van de koning in Holland, Zeeland en Utrecht. Filips streefde naar een uniforme centrale aanpak van zaken, met voorbijgaan aan gegroeide gebruiken en bestaande rechten in de verschillende provincies. Deze centralistische benadering paste in het streven om een moderner bestuursapparaat op te bouwen en de eenheid van de Nederlanden te versterken. In zijn ogen was hij van godswege bekleed met een absoluut gezag. Als Opperste wetgever stond hij zelf boven de wet en was hij ook niet gebonden aan de bestaande wetten, regels en voorrechten van groepen, steden of gewesten in de Nederlanden. De vorst was slechts verantwoording schuldig aan God.
Soortgelijke processen speelden ook in landen als Spanje, Frankrijk en Engeland. Oranjes wijze van regeren was meer ouderwets feodaal. Als hoog edelman gebruikte hij zijn invloed om zaken te bereiken. Daarbij respecteerde hij de diverse andere partijen en hun gegroeide rechten. Deze stijl was meer gericht op consensus.

De godsdienststrijd

Het verschil ging zich toespitsen op de vraag naar de behandeling van de godsdienstige verschillen. Filips was vastbesloten de ketterij, het protestantisme, in zijn landen uit te roeien. Toen hij in 1559 voorgoed de Nederlanden verliet om naar Spanje te gaan, verklaarde hij tegenover de Staten-Generaal dat zijn taak tegenover deze landen vereiste ze niet voor God te verliezen. Hij zou daarvan rekenschap moeten afleggen. Bovendien zou het land aan ontreddering ten prooi vallen, wanneer niet tegen ketterse sekten opgetreden zou worden. Voorbeelden uit het verleden bewezen dat veranderingen in de godsdienst ook veranderingen in de staat meebrachten. Als de ketters gestraft zouden worden, zou men God daarmee dienen, zou de koning onschuldig blijven en mocht men hopen dat God het land in voorspoed zou bewaren. Deze visie op de taak van de overheid met betrekking tot de godsdienst van de onderdanen was wijd verspreid in die tijd.

Filips II en Willem van Oranje ontmoeten elkaar. Bron Transparant

Filips II en Willem van Oranje ontmoeten elkaar. Bron Transparant

Wanneer Filips ooit een blik zou hebben geworpen in de hem aangeboden Nederlandse Geloofsbelijdenis van 1561, zou hij met instemming hebben gelezen in artikel 36 dat het de taak van de overheid is “de hand te houden aan de Heilige Kerkendienst, om te weren en uit te roeien alle afgoderij en valse godsdienst.” Deze visie op de taak van de overheid was zowel religieus als staatkundig bepaald. De godsdienstige motivering was dat de koning persoonlijk verantwoordelijk was tegenover God. Hij kon en mocht niet toestaan dat in zijn land de mensen op dwaalwegen hun ondergang tegemoet gingen en Gods vloek over land en volk afriepen. De staatkundige motivering was dat in een land met meerdere godsdiensten het bindmiddel tussen de mensen zou verdwijnen. De mensen zouden zich om religieuze redenen kunnen keren tegen de regering en tegen elkaar.

In de Nederlanden bestond er verzet tegen de harde godsdienstplakkaten. Reeds onder Karel V had dit tot spanningen geleid. Onder Filips namen deze snel toe. De hardheid en wreedheid van de straffen stuitte velen tegen de borst. Bovendien werd de versterking van de positie van de kerkelijke rechtbanken gewantrouwd. De inquisitie werd gezien als een aantasting van de rechten van degenen die de normale rechtspraak in handen hadden. Bovendien werd de inquisitie geassocieerd met Spanje. Het feit dat de Nederlanden bestuurd werden uit Spanje, waar de vorst door Spaanse raadsheren was omringd was toch al impopulair. De invoering van nieuwe bisdommen en de uitvoering van de besluiten van het Concilie van Trente vergrootten de bestaande weerzin nog.

Oranje was één van de leiders van de oppositie tegen de koninklijke politiek inzake de godsdienst. Steeds openlijker verzette hij zich tegen de geloofsvervolging. De godsdienstige en sociale onrust culmineerde in 1566 in beeldenstormen in katholieke kerken. Oranje reageerde in Antwerpen, waar hij heengezonden was om de orde te handhaven, met het toestaan van Lutherse en Gereformeerde preken op diverse plaatsen. Elders werd dit voorbeeld nagevolgd. De koning weigerde deze politiek te accepteren en gebood scherp op te treden tegen de protestanten. Om de oproerkraaiers te straffen zond hij een leger onder de leiding van de hertog van Alva. Oranje weigerde toen neg de leiding van de opstand in handen te nemen. Wel zag hij dat er gevaar dreigde en hij week uit naar zijn familie in het graafschap Nassau in Duitsland. Van daaruit zag hij hoe Alva in de Nederlanden keiharde maatregelen nam.

Download het complete artikel (pdf)

Jaargang 05 (1994) No 4