Recensie: Frijhoff en Prak, Geschiedenis van Amsterdam 1578-1650

De afgelopen jaren zijn er in Nederland een grote hoeveelheid stadsgeschiedenissen verschenen. Zij voorzien in de behoefte van een breed lezerspubliek die geïnteresseerd is in het regionale en lokale verleden. De stadsgeschiedenissen blinken meestal niet uit in originaliteit. Op een thematische wijze worden de economische, politieke, religieuze en sociale ontwikkelingen neergezet, zonder een wezenlijke bijdrage te leveren aan het historisch debat. Daartegenover staat dat door de rijke illustraties en mooie vormgeving meestal een aantrekkelijk boek ontstaat, dat een helder en breed beeld geeft van verleden van de stad. De belangrijkste stad, Amsterdam, kan in deze ontwikkeling niet achterblijven. Met inzet van enkele aanzienlijke historici wordt in vijf delen De geschiedenis van Amsterdam geschreven.

Bron Transparant

Bron Transparant

Als opvolger van het eerste deel, over het ‘ontstaan’ van de stad, wordt in deel II-I Het centrum van de wereld beschreven hoe Amsterdam van een kleine provinciestad uitgroeide tot een metropool. Amsterdam was de spil in een wereldomvattend handelsnetwerk. Benadrukt wordt dat in dit succesverhaal de komst van migranten een cruciale rol speelde: zij brachten niet alleen kapitaal en kennis mee, maar vormden ook het broodnodige werkvolk. Clé Lesger brengt daarbij helder voor het voetlicht dat zich dit niet alleen vertaalde in de overzeese handel – met als voornaamste exponenten de oprichting van de VOC en later de WIC, die zetelden in Amsterdam – maar ook in een bloeiende nijverheid.

De enorme toestroom van migranten, waardoor drie keer een stadsuitbreiding noodzakelijk was, resulteerde in een tolerante en welvarende stad. Hoewel de gereformeerde religie de enige publieke was, werd de uitoefening van andere godsdiensten oogluikend toegestaan. In dit breed geschakeerd landschap van intellectuele en culturele invloeden groeide Amsterdam, door het aanwezige kapitaal, uit tot een centrum van kunst en cultuur. Bovendien bleek het voor nieuwkomers, zoals de rijke Portugese joden, mogelijk om zich een plek te verwerven binnen de sociaal-economische en politieke elite.

Halverwege de zeventiende eeuw vond een omslag plaats in de geschiedenis van Amsterdam: de groei maakte plaats voor consolidatie. In deel II-II (Zelfbewuste stadstaat) staat centraal dat Amsterdam, tegen de internationale en nationale politieke en economische verhoudingen in, zijn status probeerde vol te houden. Karakteristiek voor het Amsterdamse zelfbeeld in deze periode was de bouw van het paleis op de Dam. Met de bouw van het grootste publieke gebouw in Europa wilden de Amsterdamse burgemeesters laten zien dat Amsterdam een voorname, volwassen en zelfstandige stad was geworden. Het succes had ook een keerzijde. Amsterdam kreeg in toenemende mate te maken met grootstedelijke problemen. Maarten Prak laat zien dat er een hoog voorzieningenniveau was voor armen, zieken en behoeftigen, waardoor Amsterdam toch een aantrekkelijke stad bleef om te wonen. Tegelijkertijd begonnen de rangen van burgers zich steeds meer te sluiten: er werden hoge financiële eisen gesteld aan het burgerschap, zodat het voor nieuwkomers minder aantrekkelijk werd om zich in Amsterdam te vestigen. Hoewel de bevolking, in tegenstelling tot veel andere Hollandse steden, gedurende vrijwel de gehele zeventiende eeuw bleef groeien, bleek een vierde stadsuitleg minder essentieel dan gedacht. Typerend is, zoals Wijnand Mijnhardt aantoont, dat Amsterdam een belangrijk cultureel centrum bleef, maar dat kunstzinnige en intellectuele vernieuwingen voortaan van elders kwamen. Hoewel door de thematische aanpak er regelmatig herhalingen van zetten worden gedaan, is het boek leesbaar en onderhoudend. Informatief en verlevendigend zijn de vele kaderteksten, waarin bijvoorbeeld de wijze wordt beschreven waarop de Amsterdamse burgemeesters zich als ‘stamvaders’ lieten afbeelden. De toegankelijkheid wordt verder versterkt doordat de Amsterdamse geschiedenis veelal wordt gerelateerd aan personen. In dat licht is het tegenvallend dat, ondanks het gebrek aan bronnen, de ontwikkelingen slechts sporadisch worden bekeken vanuit het zicht van de gewone man (laat staan de vrouw).

De overdaad aan onderzoek naar de Amsterdamse geschiedenis laat zich niet vatten in een standaardwerk, zelfs niet in één van ruim 2500 bladzijden. Hoewel er daardoor bepaalde thema’s onbehandeld blijven, is men erin geslaagd een breed opgezette stadsgeschiedenis te schrijven, waarbij regelmatig over de stadsmuren wordt heengekeken. Bovendien wordt door het gebruik van veel illustraties het leven van de Amsterdammer in de vroegmoderne tijd schitterend gevisualiseerd. Het tweede en derde deel van De geschiedenis van Amsterdam geven zo een goed beeld van de geschiedenis van Amsterdam in de jaren 1578-1813.

n.a.v. Willem Frijhoff en Maarten Prak (red.), Geschiedenis van Amsterdam. Centrum van de wereld, 1578-1650 (Amsterdam: SUN 2004), 533 blz., €49,50.

Jaargang 17 (2006) No 2 – themanummer religie en de Nieuwe Wereld