“Ik en niemand anders!” Het geloof van Adolf Hitler

Toen ik in mijn boek De onbekende Hitler (Baarn: Ambo, 1992) de persoon in kwestie aanduidde als een mythische figuur en een godsdienststichter, riep dit uiteenlopende reacties op. Hoewel dit in feite de kern van mijn boek is, werd het niet zelden in stilzwijgen voorbijgegaan. Anderen bestreden het, maakten het zelfs belachelijk, maar deze of gene accepteerde het. Er is weinig aandacht aan Hitlers godsdienstige ontwikkeling besteed. Mythos-Hitler-al-sJesus-II.1

Joachim Fest weet er in zijn vuistdikke boek Hitler: Eine Biografie (1973) hoegenaamd niets over mee te delen, net zo min als Sebastian Haffner in zijn befaamde Anmerkungen zu Hitler (1978; 8e druk). In Eberhard Jackels Hitlers Weltanschauung. Entwurf einer Herrschaft (1981) is geen plaats ingeruimd voor godsdienst. We hebben echter het volumineuze en breedsprakige boek van Friedrich Heer, Der Glaube des Adolf Hitler (1968), waarvan de ondertitel Anatomie einer politischen Religiosität duidelijk suggereert dat deze religiositeit integrerend onderdeel van Hitlers ‘Herrschaft’ was. Laat ons zien wat hiervan waar is.

Jeugdervaringen van Hitler

Geboren op 20 april 1889 te Braunau in Beneden-Oostenrijk, werd Hitler in de middag van 22 april door de eerwaarde heer Ignaz Probst in de parochiekerk aldaar gedoopt, waarbij hij de naam ‘Adolfus’ ontving. Later verwierp hij deze naam en noemde zich ‘Wolf’, en liet zich door intimi zo noemen. Zijn ouders vormden een ongelijk paar. Vader Alois, hoge douane-ambtenaar, was katholiek, maar praktiseerde niet; hij was anti-clericaal en dacht liberaal. Moeder Klara (Pölzl) was een vrome vrouw die dagelijks naar de mis ging. Als zeven-, achtjarig kind bezocht haar zoon de kloosterschool van het Benediktinerstift te Lambach; hij zong daar in het koor van de Sängerknabenschule. De jongen vond de eredienst zo prachtig en de abt zo indrukwekkend dat abt worden hem “een hoogst begerenswaardig ideaal” leek. Zijn eerste communie, toen nog op twaalfjarige leeftijd, moet hij in 1901 hebben gedaan.

Met de vroomheid was het gauw afgelopen. Juist op de leeftijd dat de puber de verstandige leiding nodig had die zijn vader hem niet wilde en zijn moeder hem niet kon geven, kreeg hij op de Staatsrealschule te Linz godsdienstles van een ondeugdelijke leraar, Franz Sales Schwarz. De leerlingen bestookten de domme man met netelige vragen waardoor hij in paniek raakte. Onze eigenwijze jongeling moet hieruit de conclusie hebben getrokken dat de christelijke godsdienst iets was voor primitieve personen. Hij is nog wel gevormd, op 22 mei 1904 in de Dom van Linz, maar hij gedroeg zich toen zo bokkig dat het duidelijk was dat het hem helemaal niet zinde. Dit was hoogstwaarschijnlijk zijn allerlaatste kerkgang. Nooit ging hij nog een kerk binnen, zelfs niet toen als hij als staatshoofd dit wel had moeten doen, bijvoorbeeld bij een staatsbegrafenis. Hierbij dient echter aangetekend dat hij zich nooit uit de Katholieke Kerk heeft laten uitschrijven en tot zijn dood toe de Kirchensteuer is blijven betalen.

Hitler heeft een ontmoeting met enkele kardinalen.

Hitler heeft een ontmoeting met enkele kardinalen.

Maar nog lang hield hij een band met Jezus Christus die hij bewonderde als ‘rebel’, ja zelfs, mirabile dictu, als antisemiet, want Jezus was volgens hem “de grootste strijder tegen de joodse wereldvijand” geweest. Toch was het een probleem voor hem dat Jezus een jood was, maar dit werd uit de weg geruimd door hem tot ‘Ariër’ te verklaren. Langzaam maar zeker echter begon hij zich met Jezus te identificeren, om zich ten slotte in diens plaats te stellen. Dat hij in november 1918 met gasverblinding in het hospitaal te Pasewalk had gelegen beschreef hij als zijn ‘Golgotha’; hij sprak van “een lichamelijke en geestelijke kruisiging”. Er zijn meer uitlatingen die in deze richting wijzen, bijv. toen hij in 1928 zei dat hij het werk dat Christus was begonnen, maar niet had voltooid, tot een einde wilde brengen.

Op de duur leidde deze identificatie tot terzijdestelling van de historische Jezus die hij niet meer nodig had. De breuk met het christelijk verleden bleek definitief, toen hij bij de begrafenis van Von Hindenburg tot de overleden rijkspresident zei: “Toter Feldherr, geh’ nun ein in Walhall”; het hemels Jeruzalem had dus zijn betekenis verloren. Toch duurde het nog tot oktober 1937 voordat hij kon zeggen dat hij zich “na zware innerlijke strijd van nog voorhanden religieuze kindertijdvoorstellingen had vrijgemaakt. Ik voel me nu zo fris als een veulen op de weide.”
Rooms-katholieke rituelen

Totaal in het niet verzonken is zijn christelijk verleden niet. Hij haatte de Katholieke Kerk en had tegelijk bewondering voor haar. “De Katholieke kerk,” zo zei hij, “bezit die levenskracht die al onze levens… zal overleven.” Het is bekend dat Hitler de grote ‘Kundgebungen’ van het nazidom tot in details zelf regisseerde, vooral de Rijkspartijdagen te Neurenberg. Daarbij ontleende hij veel aan de eredienst van de Evangelische en Katholieke Kerk. Men kan hier rustig van een ‘liturgie’ en van een liturgische jaarkalender spreken. Wie wel eens een film van de jaarlijkse wijding van de ‘Blutfahnen’ van de Putsch van 1924 te München heeft gezien heeft begrepen dat dit echte liturgie is, en een indrukwekkende ook! Het was als het ware het Requiem van het Derde Rijk.Hitler

Nog imposanter was het eigenlijke ‘hoogfeest’ de viering van de jaarlijkse Rijkspartijdag op de Zeppelinwiese te Neurenberg. Het hoogtepunt werd in het avondlijk duister bereikt. Als de Führer daar alleen stond, hoog boven de onafzienbare menigte, verscheen de befaamde ‘lichtdom’: honderdendertig schijnwerpers van de Luftwaffe richtten hun bundels op Hitler die dan precies in het snijpunt stond. Onweerstaanbaar gaan mijn gedachten nu naar de antieke mysteriën van Eleusis. Daar kwamen degenen samen die haakten naar de Verlossing die de polisgodsdienst hun niet kon geven. In de laatste nacht verzamelden ze zich in het ‘telesterion’, de grote mysteriehal. Dagenlang hadden ze gebeden en gevast. En nu zou de hiërofant het beslissende geheim onthullen. Tegenover hen allen stond hij alleen in het licht, terwijl zij in het donker bleven. Wij weten niet wat het teken was, vermoedelijk een grote gouden korenaar die dan plotseling wonderlijk blonk tegen de duistere achtergrond. Daar in Neurenberg was Hitler de hiërofant, en het heilbrengend symbool was hij zelf.

Download het complete artikel (pdf)

Jaargang 06 (1995) No 2 – themanummer Nederland bezet