‘Eerste geschiedenis’ en Koninkrijk Gods: historisch besef bij M.C. Smit

Zijn leven lang heeft de VU-historicus Meijer C. Smit (1911-1981) geworsteld met de vraag hoe hij in zijn geschiedbeoefening op wetenschappelijke wijze rekenschap kon afleggen van zijn geloof. Enerzijds stond hij tussen de historici, die veelal bezig zijn met het duidelijk maken van de relatie tussen geselecteerde gebeurtenissen of perioden en hun oorzaak: het weten van wat er gebeurde en (zo mogelijk) het causale ‘waarom?’

Anderzijds was daar zijn zeker weten en zijn vertrouwen dat zijn God regeerde, en dat Hij Zijn schepping en de ontwikkeling daarvan in haar geschiedenis leidde. Smit heeft zijn Ieven lang geleden aan het niet adequaat kunnen verzoenen van beide. De Eerste en Tweede Geschiedenis is een bundeling van door hem nagelaten geschriften. Daaruit wil ik proberen hem te volgen langs enkele mijlpalen van zijn zoektocht. Gaandeweg zal blijken dat gelovigen mede hieruit inspiratie, zin en perspectief op hun levensweg kunnen ontvangen.

Kan een antwoord op de vraag naar het Waarom objectief zijn?

In zijn inaugurele rede (1955) stelt Smit eerst de wetenschappelijke behandeling van de vraag naar het waarom van de historische gebeurtenissen aan de orde. Hij wijst er op dat die gebeurtenissen, de dingen, de mensen, méér dan ‘intra-mundaan geconditioneerd’ zijn. Ze zijn niet alleen zelf de bepalende grootheden. Ze zijn op hun beurt door de omstandigheden opgenomen in een samenhangend en overweldigend geheel van andere factoren, invloeden, structuren en ordeningen, die ten dele kenbaar, ten dele onkenbaar zijn, die ten dele rationeel, ten dele irrationeel zijn.

De zo tot stand komende historische werkelijkheid is echter méér dan de som van die factoren: alle factoren samen leidden bijvoorbeeld nog niet met dwingende noodzaak tot het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Hij verbaast zich er min of meer over dat veel van zijn collega’s daaruit niet de consequentie trekken, door te erkennen dat door die – ten dele onkenbare en irrationele – invloeden de kring van de historische causaliteit principieel nooit volledig gesloten zal kunnen worden: er komen in de continuïteit van de historische werkelijkheid onderbrekingen voor.

Er ligt volgens Smit, tussen ‘oorzaak’ en ‘werking’ in het mensengebeuren een ‘transformatieruimte’, een vrijheidsgraad, een geheim, waarvan de uitkomst onvoorspelbaar is. Daarbinnen kunnen de individuele vrijheid en verantwoordelijkheid tot expressie komen. Daar valt de persoonlijke beslissing of keuze. In die ruimte ligt voor de mens de mogelijkheid van bevrijding uit de causaliteit, uit de dwang der omstandigheden. Dat komt – argumenteert Smit – omdat de mens duaal van aard is: enerzijds is hij of zij omringd door intra-mundane invloeden en ordeningen, anderzijds leeft iedereen in een ‘het mundane ontstijgende relatie met de Transcendente’. In bepaalde opzichten is elk mens door die transcendentale relatie voor de mundane krachten ongrijpbaar, in zijn wezen zelfs onaantastbaar! ‘In dat oord van ontstijgende geborgenheid in de relatie met de Transcendente woont de menselijke vrijheid en verantwoordelijkheid.’ Daarin kan hij ook ter verantwoording worden geroepen. Zo wordt het, vol gens Smit, de taak van de vakhistoricus de grote vragen der geschiedenis opnieuw te doordenken vanuit het in-elkaar-grijpen van twéé werkelijkheden; de intra-mundane en de trans-historische werkelijkheid. En bij de vraag naar het Waarom zal veelal het menselijk handelen de onvoorspelbare, bevrijdende factor blijken te zijn.

Smit stond hierin niet alleen. Diverse historici gaven er direct of indirect blijk van zich van dit geheim bewust te zijn. Jan Romein had, in zijn inaugurele rede in 1939, de historische objectiviteit over het ‘Waarom?’ al naar het rijk der dromen verwezen: de subjectiviteit van de historicus, zijn keuze en weging van de factoren, zijn eigen vooroordelen maken een ‘objectieve’ communis opinio in interpretatie al onmogelijk. Bovendien: hoe meer gegevens, hoc meer vragen. Alle interpretaties leveren slechts een ‘vergruisd beeld’.

Bouman, in het voetspoor van Febvre, en Bloch, benadrukte in 1962 hoezeer de toenmalige geschiedschrijving de mens verwaarloosde: ‘une totale absence des hommes’ (Febvre). ‘Onze bronnen geven slechts indirecte informatie over het menselijk handelen in het verleden. Ze zwijgen in veel gevallen over ‘het menselijk wezen, voelend, denkend, lijdend, handelend’. En wij zijn nu eenmaal gebonden aan de stelregel dat wij niet meer uit de bronnen mogen afleiden dan zij in concreto te bieden hebben.’ Hij voert daama een bezield pleidooi voor een wijder en persoonlijker zoekveld voor bronnenmateriaal (brieven, dagboeken, etc.) en voor een beeldende, aanschouwelijke maar bescheiden geschiedschrijving à la Huizinga. ‘De ordening van grote aantallen vastgestelde feiten vereist tenslotte een vorm waarin de historische werkelijkheid plausibel wordt gemaakt.’ Ook Van Isacker, in 1964, spreekt van ‘het geheim in de geschiedschrijving’: ‘Wie het geschiedkundig werk herleidt tot het napluizen, catalogiseren en toegankelijk maken van relieken, doet wel aan historische wetenschap maar de ars historiae blijft hem vreemd: die wordt alleen beoefend door wie zoekt naar de mens in de geschiedenis.’ En: ‘Ook de ars historiae moet het mysterieuze in de mens suggereren én intact laten. Is daarom niet een nieuwe vorm van geschiedschrijving wenselijk die, zoals de moderne romankunst, een grotere eerbied betoont voor het menselijk mysterie?’

Bevrijding door binding aan de Oorsprong

In 1963 zien we een verdere ontwikkeling in Smits gedachten. In de handgeschreven tekst van een lezing (voor christen-studenten?) laat hij zien hoe de historicus die het antwoord op de vraag naar het ‘Waarom?’ immanent in de geschiedenis zoekt, zowel het zicht op de zin van de geschiedenis en van het leven, als op de vrijheid en verantwoordelijkheid van de mens kwijtraakt. De geschiedschrijvers zelf zijn dan in de ban der geschiedenis verzeild geraakt. Slechts aan een relatie met de Transcendente, met God, kunnen ‘zin en ‘vrijheid’ ontspringen. Hij heeft de wereld geschapen in relatie tot Zichzelf. De zin van ons leven en onze vrijheid tot handelen (goed of slecht) is een zaak rechtstreeks tussen God en ons, maar toch gebruikt God daarvoor de geschiedenis.

In Smits visie heeft elk feit zo een dubbele oorsprong. De geschiedenis komt op ons af, dwingend, keuzen eisend. De gebeurtenis die uit onze keuzen voortkomt, vindt daarin zijn geschiedenisoorsprong. Maar tevens, en daar onlosmakelijk mee vervlochten, vindt ons kiezen en de resulterende gebeurtenis zijn oorsprong in onze relatie met God.

Download het complete artikel (pdf)

Het Historisch Documentatiecentrum van de Vrije Universiteit bezit nagelaten documenten van M.C. Smit. Klik hier voor een register.

Jaargang 08 (1997) No 4