De visie in de middelnederlandse literatuur op de Arabische wereld

Openstaan voor andere culturen is een van de belangrijkste waarden, zo niet de belangrijkste waarde, die in het geschiedenisonderwijs wordt uitgedragen. De achterliggende overwegingen zijn dat een dergelijke attitude niet alleen bevorderlijk is voor de tolerantie in de samenleving, maar dat een kennismaking met andere culturen ook nog eens verrijkend is voor de eigen cultuur en bovendien leert de eigen cultuur te relativeren.

Terecht is wel eens de opmerking geplaatst dat bij een dergelijke benadering van het verleden het gevaar natuurlijk levensgroot is dat door het leggen van kunstmatige verbanden tussen vroeger en nu het verleden wordt beoordeeld met de normen en waarden van vandaag de dag.

De onderwerpskeuze voor het centraal schriftelijk examen geschiedenis 1998 en 1999 is ingegeven door de hedendaagse problematiek van de multiculturele samenleving. Een van de onderwerpen is dan namelijk Europa en de buitenwereld (1150-1350). In deze periode bloeiden de contacten tussen Europa en de Arabische wereld op. Niet alleen was er vanuit Europa een toegenomen vraag naar luxe goederen uit het oosten zoals damast, zijde en kruidnagelen. Er was interesse in de wetenschappen die in het oosten op een hoger niveau stonden, zoals geneeskunde, alchemie en algebra. Zo geraakten via de Arabische wereld de geschriften van Artistoteles bekend aan de Europese universiteiten. Door de verhalen en reisverslagen van handelaren, kruisvaarders, pelgrims en diplomaten nam de kennis van deze gebieden sterk toe.

De ‘bedenkers’ van dit onderwerp willen de leerlingen confronteren met belangrijke vragen als: “In hoeverre staan twintigste-eeuwse West-Europeanen werkelijk open voor niet-westerse opvattingen, ook al zijn deze tegenwoordig binnen hun eigen landsgrenzen in mindere mate vertegenwoordigd? Speelt de neiging de eigen cultuur als norm te hanteren nog steeds een rol?” Of is de situatie nog zo als in de Middeleeuwen toch het beeld van andere culturen ondanks de toenemende contacten niet aangepast werd aan de werkelijkheid? Eén van de redenen dat de oude stereotypen een belangrijke rol bleven spelen, is volgens de bedenkers van dit thema, de middeleeuwse opvatting dat de eigen godsdienst superieur was. Vanuit de normen en waarden van een multiculturele samenleving lijken zo de middeleeuwse opvattingen al snel geborneerd.

De belangrijkste bronnen om middeleeuwse opvattingen over de Arabische wereld te achterhalen zijn literaire werken. Nu zijn de meeste middeleeuwse verhalen over de Arabische wereld natuurlijk helemaal niet geschreven om een beter begrip bij te brengen van een andere en vreemde beschaving. Ze zijn geschreven voor een publiek dat niet of nauwelijks in aanraking kwam met de Arabische wereld. Verhalen over zo’n verre en vreemde wereld waren dan ook bij uitstek geschikt om de eigen normen en waarden op een kritische manier te onderzoeken en de vraag te stellen wat dc betekenis van de christelijke godsdienst was in die samenleving. Een middelnederlands verhaal als dat over Floris ende Blancefloer heeft een dergelijke functie. Het is de moeite waard om wat meer aandacht te besteden aan dit verhaal, ook al omdat het voorkomt op de literatuurlijst die aan de stofomschrijving is toegevoegd. Iedereen die dat wil kan het trouwens lezen in een moderne Nederlandse vertaling.

Floris ende Blancefloer

Aan het einde van de vijftiende eeuw maakte de Gentse edelman Joos van Ghistele een reis door de toenmalig bekende wereld. Hij bezocht India, Ethiopië en het Heilig Land. In Alexandrië werd hem een toren aangewezen waar Blancefloer zou zijn gevangengehouden. Ook in Alexandrië kende men blijkbaar het verhaal van Floris en Blancefloer. Er werd in gespeeld op de nieuwsgierigheid van goedgelovige toeristen, die nu wel eens de plaats wilden zien waar het allemaal was gebeurd. Toch zullen dc meeste bezoekers van Alexandrië wel geweten hebben dat het verhaal zich afspeelde in Cairo, een plaats die meestal gelijkgesteld werd met Babylon.

De reis van Joos van Ghistele. Bron dbnl.org

De reis van Joos van Ghistele. Bron dbnl.org

De geschiedenis van Floris en Blancefloer was in de middeleeuwen door heel Europa algemeen bekend. Het verhaal is geschreven in de twaalfde eeuw in Frankrijk en al snel kwamen er al vertalingen van in het Engels, Spaans, ltaliaans, Hoogduits, het Noors en ook het Nederlands. De middelnederlandse versie is waarschijnlijk geschreven omstreeks 1260 voor het hof van de Vlaamse graaf. Floris ende Blancefloer gaat over een Moorse prins die verliefd wordt op een christelijke slavin. Wanneer de ouders van Floris dat ontdekken, wordt Blancefloer verkocht aan handelaars, die haar op hun beurt verkopen aan de emir van Babylon. De emir is zo onder de indruk van haar schoonheid dat hij besluit met haar te trouwen. Zijn vorige vrouwen heeft hij na één huwelijksjaar gedood, maar hij belooft haar dat hij met deze gewoonte zal breken.

Download het complete artikel (pdf)

Jaargang 08 (1997) No 4