De bril van de biograaf

Toen ik vorig jaar de recensies van mijn biografie over de theoloog en dichter Jacob Revius (1586-1658)  op een rij zette, viel me één ding op. Bijna alle recensenten hadden het over de vraag hoe gereformeerd de bril van de biograaf is. Doet ze aan verheerlijking van het gereformeerde verleden? Kan ze afstand bewaren, ondanks haar betrokken houding? Lukt het haar om empathie en eerlijkheid samen te laten gaan?

Enny de Bruijn

Voor Revius worden mensenlevens geduid in het licht van een theologisch bepaald wereldbeeld, waarin de processen van bekering en heiliging invloed uitoefenen op identiteit en levensgang van een persoon, en waarin uiteindelijk een absoluut waarheidsgetrouw, goddelijk oordeel over ieder mensenleven wordt uitgesproken. Onherkenbaar voor veel 21e-eeuwers, maar niet voor iemand die het christelijke perspectief met Revius deelt. Beeld Transparant

Dat recensenten zulke vragen stellen, komt waarschijnlijk allereerst door de omschrijving van de auteur (‘werkt als cultuurredacteur bij het Reformatorisch Dagblad’) op de achterflap van het boek, maar ook door het verslag van de promotieplechtigheid op de website refdag.nl. Zelfs lezers die de auteur ondanks haar RD-baan het voordeel van de twijfel geven, kunnen niet anders dan bange vermoedens koesteren nadat ze dat verslag hebben gelezen. Het begint zo: “Schreef Enny de Bruijn met haar proefschrift een gereformeerde biografie van Revius? Daar lijkt het op, stelt een opponent tijdens de promotieplechtigheid van De Bruijn, dinsdag in Utrecht.” En verderop: “De biograaf heeft zich teveel vereenzelvigd met Jacob Revius (1586-1658), zo blijft prof. dr. J. W. Renders uit Groningen aanhouden. Hij onderbouwt dat met Revius’ strijdschriften tegen de Rooms-Katholieke Kerk. Daarbij zou De Bruijn niet alleen de paus de antichrist noemen, maar ook Hitler.”[1]

Zo wil je niet in het nieuws komen, zelfs niet als christenhistoricus. Zeker niet als je, zoals ik, het bijna tot doel van je boek gemaakt hebt om te bewijzen dat je als gereformeerde biograaf ondanks je gekleurde bril níét bevooroordeeld hoeft te zijn. Maar de combinatie van biografiehoogleraar Hans Renders die een zo prikkelend mogelijke vraag wil stellen, een journalist die een zo spannend mogelijk verslag wil schrijven en een krant die graag de aandacht trekt met de tegenstelling christendom-wereld – allemaal volstrekt begrijpelijk vanuit ieders eigen rol –, maakt dat de nuance buiten het gezichtsveld van het publiek verdwijnt.

Gelukkig laten de recensenten zich vervolgens niet sturen door de allereerste beeldvorming. De meesten komen tot de conclusie dat het alleszins meevalt met de gereformeerde missie van de biograaf. De enige die niet overtuigd is, is Paul Abels (in het Tijdschrift voor Nederlandse Kerkgeschiedenis) die “soms een gebrek aan kritische en analytische distantie van de auteur tot de hoofdpersoon constateerde”. Maar daartegenover staat bijvoorbeeld Martine van Ittersum in BGMN (“Although De Bruijn sympathizes with Revius, she is not blind to the failings of her hero”), of Jurgen Pieters in Ons Erfdeel (“Al snel wordt duidelijk dat De Bruijn in dit boek zeer verstandig met haar betrokken houding is omgegaan. Deze biografie is geen apologie geworden, en zeker ook geen hagiografie, maar een genuanceerd en overtuigend portret”). Of Hans Renders in Vrij Nederland – jawel, dezelfde als de kritische vraagsteller – die het boek beschrijft als “aan de verzuiling ontsnapt”.[2]

In het genre dat de Amerikaanse biograaf Carl Rollyson low biography noemt, is het duidelijkst sprake van zichtbaar gekleurde levensbeschrijving.[3] Het doel van low biography ligt immers niet in een kritische, genuanceerde en feitelijk beargumenteerde beschrijving van gebeurtenissen en personen, maar in het presenteren van ideaalbeelden. Denk aan de populaire maar weinig degelijk onderbouwde biografieën van prinsessen, sporthelden of filmsterren. Geen kritische nuancering, maar bevestiging is het parool. Op religieus gebied kent het genre zijn eigen variant: de stichtelijke biografie van dominees, heiligen en andere vromen uit de volkscultuur, waarin het niet gaat om wetenschappelijke betrouwbaarheid en controleerbaarheid, maar om het opwekken tot vroomheid en het versterken van de eigen identiteit.

Maar wie denkt dat een gekleurd perspectief in high biography (waar kritische vragen en gedegen onderzoek voorop staan)  niet voorkomt, hoeft slechts te kijken naar de oogst van de laatste jaren. Nog altijd is Calvijn soms de verlichte hervormer, soms de nimmer lachende boeteprediker die zijn volgelingen in een ijzeren keurslijf dwong. Nog altijd is Theodorus van der Groe soms de bewonderde oudvader, de laatste onder de profeten, soms een narcistische figuur met grootheidswanen. En nog altijd is Lidwina van Schiedam soms de heilige met bijzondere ervaringen, soms een van de vroegst gedocumenteerde voorbeelden van hysterie.

Trouwens, het verschijnsel blijft zeker niet beperkt tot biografen, en ook niet tot christenen. Neem de socialistische geschiedschrijving, of, actueler, de manier waarop prominente historici, met Jonathan Israel als boegbeeld, de verlichting en figuren als Spinoza beschrijven. Het indrukwekkende beeld dat zij oproepen van een gevecht tussen ‘moderniteit’ (tolerantie en secularisatie) en ‘traditie’ (religieuze intolerantie en puriteinse praktijken) kan niet los gezien worden van de eigen ‘verlichte’ idealen en opvattingen over vooruitgang in de geschiedenis.

In feite hebben we het hier over de persoonlijke affiniteit die bij historici eigenlijk altijd een belangrijke rol speelt. Zelfs de ‘strikt-wetenschappelijke’, kwantitatieve benadering van het verleden kwam, beweert Frits van Oostrom, ooit op uit sociaal engagement: de afkeer van elites en de behoefte om de anonieme massa stem te geven. En “een al lang tot statig standaardwerk verheven boek als Ernst Robert Curtius’ Europäische Literatur und lateinisches Mittelalter begon destijds al evenzeer met wetenschappelijke projectie: de behoefte namelijk om een dam op te werpen tegen de barbarij van het nazisme, die Curtius ertoe dreef de culturele eenheid van het avondland te demonstreren”.[4]

Natuurlijk is geschiedschrijving altijd subjectief, en natuurlijk is dat in een ‘onmethodisch’ genre als de biografie nog sterker het geval dan in andere genres. Het maakt zelfs al uit of de biograaf man of vrouw is: vrouwen blijken gemiddeld genomen andere en meer details te geven over kinderen en kleding, mannen over intellectualia en seks.[5] En dan hebben we het nog niet eens over de manier waarop je als biograaf teksten interpreteert, selecties maakt, verbanden legt of patronen probeert te ontdekken. Eigenlijk is het hoogst opmerkelijk, signaleert biografe Paula Backscheider, dat in een tijd waarin zo veel bekend is over verborgen verleiders en mogelijkheden tot manipulatie van berichten, de manipulatieve mogelijkheden van de biograaf totaal niet kritisch worden beschouwd. Recensies hebben het zelden over die invloed – en dat terwijl biografen wél onze beeldvorming en waardering van historische figuren bepalen.[6]

Vanuit die gedachte valt het dus eigenlijk zeer toe te juichen dat de recensenten van de Reviusbiografie de vraag naar de ‘gereformeerde bril’ van de biograaf stellen. Al is het misschien nóg nodiger dat dat bij niet-gereformeerde biografen gebeurt, omdat juist de gekleurde bril van een vertegenwoordiger van de levensbeschouwelijke mainstream voor de meeste lezers onzichtbaar is.

Enny de Bruijn. Beeld ennydebruijn.nl

Dát je als biograaf een zekere betrokkenheid ervaart bij je onderwerp, spreekt dus vanzelf. Ook als je nog een stapje verder gaat, en affiniteit hebt met de idealen van de gebiografeerde persoon of in dezelfde traditie staat, is dat helemaal niet zo uitzonderlijk. Denk aan Elsbeth Etty over Henriette Roland Holst, Steven Nadler over Spinoza, Marja Vuijsje over Joke Smit, Piet Calis over Vondel, Michel van der Plas over Godfried Bomans, enzovoort. Geen biografie zonder betrokkenheid, positief of negatief. Het gaat er maar om in hoeverre je je daarvan bewust bent, daar kritisch mee omgaat en dat welbewust inzet.

Affiniteit heeft veel voordelen. In mijn geval: ik deel met Revius het perspectief van de gereformeerde traditie, wat het inlevingsvermogen vergroot en extra gevoelig maakt voor de problemen die binnen die traditie een rol spelen. En daarbij doel ik niet alleen op de discussies tussen remonstranten en contraremonstranten, maar ook op de ervaring van geloven, van bidden, van proberen Gods stem te verstaan en daarnaar te handelen – de religieuze emotie die vreemd en onherkenbaar is voor veel lezers, en dus uitleg behoeft. Zoals Willem Frijhoff schrijft: “Any serious biographer will inevitably become personally involved in a narrative about someone who had undergone a spiritual or mystical experience. Without the necessary empathy, such experiences cannot be taken seriously and properly analyzed.”[7]

Of neem zoiets fundamenteels als de vraag naar persoonlijke identiteit. In onze westerse samenleving van ná Darwin, Nietzsche en Freud geloven we daar niet meer in en dus stellen we ook geen waarheidsvragen meer over mensen – we buigen ons liever over vragen rond beeldvorming en constructie, rond zelfbeeld, receptie, image-building, self-fashioning en personal myth. Maar voor Revius en zijn tijdgenoten heeft de persoonlijke identiteit een vaste kern – de door God geschapen, onsterfelijke ziel – en mensenlevens worden geduid in het licht van een theologisch bepaald wereldbeeld, waarin de processen van bekering en heiliging invloed uitoefenen op identiteit en levensgang van een persoon, en waarin uiteindelijk een absoluut waarheidsgetrouw, goddelijk oordeel over ieder mensenleven wordt uitgesproken. Onherkenbaar voor veel 21e-eeuwers, maar niet voor iemand die het christelijke perspectief met Revius deelt.[8]

Toch ligt daar tegelijk ook de valkuil: de wereld waarin Revius leeft is ver en vreemd, en het spreekt niet vanzelf dat hij met dezelfde woorden ook dezelfde dingen bedoelt als christenen van vandaag. Daarom moet ik niet proberen de afstand van vier eeuwen weg te poetsen, en me inspannen om zo veel mogelijk van zijn wereld te weten te komen – die heel anders is dan de mijne. Maar wat nóg belangrijker is: een goede biografie is alleen mogelijk als ik ook van buiten naar de gereformeerde traditie kan kijken en verschillende perspectieven kan toelaten. Niet alleen van Revius zelf, maar ook van zijn geestverwanten en tegenstanders, van tijdgenoten en van latere onderzoekers. Identiteit heeft immers niet alleen te maken met wat iemand van zichzelf denkt, maar ook met wat anderen – vriend én vijand – van hem denken.[9]

Daarom geloof ik niet dat alleen een geestverwant een goede biografie van een historische figuur kan schrijven: de geestverwant zal zich moeten inspannen om afstand te nemen van de held en zich in te leven in de critici, de niet-geestverwant moet zich inspannen om zich in te leven in de held en afstand te nemen van de critici.[10] Een van de mooiste voorbeelden daarvan is wat mij betreft Willem Frijhoff met zijn biografie van Evert Willemsz – ondanks bezwaren die je tegen de omvang van dat boek kunt hebben. Hij erkent zelf dat er een grote afstand bestaat tussen zijn eigen “rather lighthearted and ritually rich Catholic upbringing” en “the sober and often somber spirituality of orthodox Calvinism” van zijn held.[11] Maar hij heeft er zijn uiterste best voor gedaan om iemand die niet in alle opzichten zijn geestverwant is, toch zo goed mogelijk in diens eigen kader te vatten en serieus te nemen.

Het resultaat staat of valt dus niet met de bril van de biograaf, maar met de manier waarop hij zijn werk uitvoert. Daar zit ook het verschil tussen high biography en low biography: niet in het perspectief, maar in de breedte en diepte van het onderzoek, en in de wil tot begrijpen en inleven.[12]

Niettemin, als Bart-Jan Spruyt in Elsevier schrijft dat “zo’n betrokkenheid blijkbaar nodig is om alles te zien en alles te begrijpen en de eenheid in een vroeger leven te herstellen”, en Aleid Truijens in De Volkskrant dat “je ineens voelt dat Revius voor de schrijfster een levend persoon is” – dan zie je in gedachten sommige professionele historici hun wenkbrauwen fronsen.[13] De persoonlijke toon die aantrekkelijk is voor het bredere publiek roept bij hen juist argwaan op. Dat komt doordat zij vaak een ander idee hebben over nut en noodzaak van de biografie dan ‘gewone’ lezers.

Enny de Bruijn promoveerde in 2013 op een biografie over Jacob Revius. Beeld Transparant

Nog altijd vinden veel historici dat een biografie pas waardevol kan zijn als de beschreven persoon model staat voor een grotere groep, als hij of zij representatief is qua ideeën en ervaringen. Maar die opvatting is eigenlijk een beetje achterhaald: de laatste jaren is er immers sprake van een groeiende belangstelling voor het biografische, het persoonlijke en unieke in de geschiedenis. Geschiedschrijvers spreken zelfs van een biographical turn, en verklaren dat door te wijzen op het verdwijnen van de ‘grote verhalen’, waardoor narratieve geschiedschrijving, microhistory en biografie terugkeren. Er zou zelfs een samenhang kunnen zijn met de val van het communisme en de bijbehorende nadruk op persoonlijke verantwoordelijkheid, initiatief en individualisme.[14]

Intussen zijn literatuurhistorici (zoals ik) vanouds altijd al gewend om voor het persoonlijke, het unieke, het afwijkende en het uitzonderlijke te gaan, in plaats van te zoeken naar representativiteit en objectiviteit. Door van de buitenkant naar groepen mensen te kijken, kom je er immers nooit achter hoe de binnenkant eruitziet, hoe mensen op een bepaalde plaats in een bepaalde tijd hun gevoelens, ervaringen en gedrag betekenis geven. Zulke vragen kun je slechts vanuit het individu benaderen. Dat is precies waarom ik denk dat de Reviusbiografie geen ‘gereformeerde biografie’ is, in de zin van ‘verdediging van een bepaalde traditie’. Het gaat er mij niet om de algemene gereformeerde idealen – van vroeger of nu – te illustreren aan de hand van Revius’ leven, het gaat om Revius’ leven, dat interessant wordt zodra het begint af te wijken van de te verwachten idealen.

Ik wilde Revius’ unieke en individuele levensverhaal niet laten opgaan in de context, of slechts laten dienen om bepaalde ideeën en idealen over een tijdperk of een traditie te onderstrepen. Levensverhalen zijn immers niet zozeer interessant vanwege hun exemplarische karakter. Te vaak worden ze slechts gebruikt om een ideologisch verhaal of een theorie te bevestigen – of het nu gaat om confessioneel gekleurde geschiedschrijving of om geschiedschrijving van vrouwen, homo’s, kleurlingen, slachtoffers van geweld, arbeiders en andere underdogs.[15] Een biografie is juist bij uitstek geschikt om dominante geschiedvisies te relativeren of te nuanceren, dankzij het feit dat de hoofdpersoon níét representatief hoeft te zijn.

Revius’ persoon en werk lenen zich op het eerste gezicht bij uitstek om het gereformeerde perspectief op de contemporaine cultuur te laten zien, en ook, andersom, de gereformeerde poging tot beïnvloeding van die cultuur. Maar uiteindelijk dienen zijn teksten niet slechts om de geschiedenis te illustreren.[16] Het zou hem tekortdoen wanneer hij alleen maar als voortreffelijk representant van zijn tijd, van het gereformeerde gedachtegoed of van een bepaalde theologische of literaire traditie beschouwd zou worden. Misschien lijkt hij, op het eerste gezicht, in bepaalde hokjes te passen, maar wie scherp kijkt, ontdekt uiteindelijk dat die hokjes niet in alle opzichten voldoen.


PERSONALIA

Dr. Enny de Bruijn (1968) is journalist en auteur. Ze promoveerde in 2012 op een biografie over Jacob Revius (1586-1658). Ze studeerde Nederlands aan de universiteit van Utrecht, was daarna docent in het voortgezet onderwijs en is momenteel cultuurredacteur bij het Reformatorisch Dagblad.


Dit artikel verscheen in november 2013 in Transparant (nr. 24.4)


Noten:

[1] Zie www.refdag.nl/kerkplein/kerknieuws/dr_de_bruijn_theologie_bepaalt_humanisme_bij_revius_1_642583. In de papieren versie van het Reformatorisch Dagblad van 9 mei 2012 zijn deze zinnen overigens gewijzigd en gezakt naar halverwege het verslag. Vgl. de bewuste zinsnede uit de biografie: “Zoals Hitler voor diverse geschiedschrijvers van de twintigste eeuw een symbool is van het kwaad, een moreel ijkpunt, zo is de paus dat voor veel protestantse geschiedschrijvers van de zestiende en zeventiende eeuw.” (E. de Bruijn, Eerst de waarheid, dan de vrede (Zoetermeer, 2012) 334).

[2] Zie voor een overzicht van recensies, met links en bronvermeldingen: ennydebruijn.nl/boeken-2/eerst-de-waarheid-dan-de-vrede-2012.

[3] H. Renders, De zeven hoofdzonden van de biografie, (Amsterdam, 2008) 17.

[4] F. van Oostrom, Aanvaard dit werk (Amsterdam, 1992) 284.

[5] J. Linders, ‘De stem van de biograaf’, Biografie Bulletin 11-3 (2001) 178.

[6] J. Linders, ‘De stem van de biograaf’, 175.

[7] W. Frijhoff, ‘The improbable biography’, in: V.R. Berghahn & S. Lässig (eds.), Biography between Structure and Agency, (New York, 2008) 228.

[8] Vgl. R. Smith, ‘Self-reflection and the self’, in: Roy Porter (ed.), Rewriting the Self (New York/Londen, 1997) 50: ‘Most modern people, when they use the category of the ‘person’ (…) ignore the theological dimension. This is badly ahistorical when projected back on to the seventeenth century. There was an extensive medieval and early modern literature that discussed the nature of the person in terms of the individual rational and immortal substance or soul.’ Vgl. ook W. van Bunge, ‘De integratie van leven en werk. Het onderwerp van de intellectuele biografie.’ Biografie Bulletin 16 (2006), 32.

[9] De Bruijn, Eerst de waarheid, 16-17, 30-34.

[10] Vgl. de discussie rond de Kuyperbiografie van Jeroen Koch (A. Th. van Deursen, ‘Kuyper in de taal van een libertijns pamflet’, Reformatorisch Dagblad (17 mei 2006); W. Berkelaar, ‘Polemist voor eigen parochie’, De Academische Boekengids 58 (september 2006) 9-12).

[11] Frijhoff, ‘The improbable biography’, 229.

[12] Renders, De zeven hoofdzonden, 17

[13] B.J. Spruyt, ‘Hartstochtelijke dominee’, Elsevier 68.19 (12 mei 2012) 67; A. Truijens, ‘Monument voor refo Revius’, De Volkskrant (7 juli 2012), Boeken 7.

[14] S. Lässig, ‘Introduction’ en I. Kershaw, ‘Biography and the historian’, in: Berghahn & Lässig (eds.), Biography between Structure, 3-7, 31-32.

[15] Renders, De zeven hoofdzonden, 45; Van Bunge, ‘De integratie van leven en werk’ p. 33; J. Fontijn, Broeders in bedrog (Amsterdam, 1997) 77; H. Renders, ‘Biograaf, stap uit dat leven’ Vrij Nederland (12 maart 2011) 57. Vgl. ook P. van Rooden, ‘Nut en nadeel van de biografie’, Tijdschrift voor Sociale Geschiedenis 15 (1989), 72-73.

[16] Vgl. C. Gallagher & S. Greenblatt, Practicing New Historicism (Chicago/Londen, 2000) 16-17.