Betekenis van Menno Simons overstijgt voor de doopsgezinden historie niet

De Friese doopsgezinde voorman Menno Simons (1496-1561) staat dit jaar in een ongekende belangstelling. Zijn vijfhonderdste geboortedag wordt door tal van activiteiten herdacht in Nederland, bijna een geheel jaar lang. Voor historici een prachtige aanleiding om de vraag te stellen wat zijn historische betekenis is geweest. Dat hij een voorman is van de Nederlandse tak van de doopsgezinden is, wordt algemeen erkend. Maar wordt zijn bredere betekenis niet overschat?

Menno Simons. Bron heiligenlexicon.de

Menno Simons. Bron heiligenlexicon.de

De Hollandse nazaten zijn anno 1996 van Menno’s erfenis afgedwaald. Ze zien in hem niet meer dan een historische figuur. Maar daarin ligt ook weer het beIangrijke van deze voorman. Menno heeft een belangrijke rol gespeeld in het organiseren van de verstrooide gemeenten, het zorgen voor eenheid in de leer en het uitstippelen van een vreedzamere koers van de doopsgezinden tegenover de revolutionaire dopersen.

Rep en roer

Wie was Menno Simons? Hoe zag zijn tijd eruit? Menno Simons leefde in een tijd waarin de wereld en de kerk in rep en roer stond. Terecht schrijft de doopsgezinde hoogleraar S. Voolstra in een recent verschenen lezenswaardig boekje dat de toenmalige christelijke wereld vervuld was van geruchten over een hervorming van kerk en samenleving. De tijd werd beleefd als een crisistijd. Allerlei epidemieën, watersnoden en sociale en economische problemen leken erop te wijzen dat het einde der tijden was aangebroken. Allerlei nieuwe ideeën gistten onder de bevolking, van (bijbels) humanisme tot uiteenlopende onorthodoxe stromingen, al dan niet vergezeld van vormen van maatschappelijk protest.

Menno Simons werd in 1496 in het Friese Witmarsum geboren. Na zijn priesterwijding werd hij in 1524 benoemd tot vicaris in Pingjum. Tijdens zijn vicariaat rezen echter steeds meer twijfels over de juistheid van de rooms-katholieke leer. Hij ontwikkelde zich in de richting van opvattingen die verwant waren aan die van de sacramentariërs en evangelischen. Het ging in dit laatste geval om een geloofsbeleving die zich ontwikkelde los van de sacramentele roomse riten van de gevestigde kerk. ‘Beschikte’ Menno aanvankelijk als priester over de genademiddelen, bovenal de mis, onderzoek van de Schrift bracht hem hierover in twijfel.

Tegelijkertijd met deze evangelische groepjes deden ook doperse opvattingen de ronde. Het ging hier om de stroming van de zogeheten radicale reformatie die haar bakermat had in Zwitserland en Zuid-Duitsland en zich als een olievlek tot in de Nederlanden verspreidde. De invloed van deze beweging sijpelde door tot in Noord-Duitsland en Nederland via de persoon van de uit Schwaben afkomstige lekenprediker Melchior Holfmann. De dopersen kritiseerden het bondgenootschap van kerk en staat, zoals zij dat in de Reformatie verwerkelijkt zagen, en stonden een onafhankelijke christelijke gemeente voor die zich onbesmet moest bewaren van de wereld. Die doopsgezinden – genoemd naar de doop als teken van overgang naar de gemeente als het geestelijke lichaam van Christus – werden Menno ook bekend in het Friese grondgebied, vooral toen in 1531 de melchioritische doper Sieke Freerks in Leeuwarden terecht werd gesteld omdat hij “zijn doop had vernieuwd”. Freerks was in 1530 in het Oostfriese Emden gedoopt door Melchior Hoffmann, samen met 300 anderen.

Lezing van de Bijbel en van de kerkvaders konden Menno niet van de rechtmatigheid van de kinderdoop overtuigen, integendeel zelfs. Ook op dit punt moest hij de leer van de Reformatie ongelijk geven. Menno Simons was inmiddels in 1532 pastoor in Witmarsum geworden maar ervoer zijn positie binnen de Kerk van Rome steeds meer als een tegenstrijdige en halfslachtige. Dopersen in zijn omgeving werden vervolgd, vooral in de tijd van de Münsterse onlusten rond 1534/1535. Ook zijn broer liet het leven bij de verovering van een klooster bij Bolsward door een groep dopersen. Uiteindelijk brak Menno in 1536 met de kerk en sloot zich aan bij de dopersen. Hij typeerde deze overgang als zijn “uitgang uit het pausdom”, elders verwoord met de uitdrukking “uyt Babel ghevloden, in Jeruzalem ghetogen”. Begin 1537 werd hij in Groningen oudste of bisschop.

Betekenis

De laatste zeven jaren van zijn leven bracht Menno door in Oldeslo in Sleeswijk-Holstein, waar hij zich ontwikkelde tot een belangrijk voorman van de doperse beweging. Zijn werkterrein liep van Amsterdam naar het noorden van Duitsland, tot en met Danzig. Hij publiceerde verschillende werken, meestal geschreven in het hem wel gezinde Oost-Friesland. Hij zorgde voor een structuur voor de verstrooide gemeenten en zette zich in om allerlei intern-kerkelijke problemen op te lossen. Maar hij er niet in om de eenheid in eigen gelederen te bewerken. Zo kon hij de neiging tot radicale tuchtoefening niet beteugelen, ja, hij werd er zelfs (bijna) het slachtoffer van. De kwestie die vooral tot veel verdeeldheid leidde was de zogeheten echtmijding, die radicale groepen probeerden door te drijven.

Ondanks deze tegenslagen is de historische betekenis van Menno dat hij de beweging der dopersen in een vreedzamer vaarwater bracht. Van begin af aan heeft hij zich tegen het geweld der Münstersen gekeerd en riep hij op tot boete en berouw. Hij nam een onafhankelijke positie in ten opzichte van de radicale dopersen en van de spiritualisten, de eveneens radicale hervormers die uitwendige tekenen (ook de sacramenten) veronachtzaamden ten gunste van de innerlijke vernieuwing. De doperse gemeente die Mennoo als ideaal voor ogen stond was een van de wereld afgezonderde gemeente, gericht op persoonlijke heiliging, sobere en ingetogen levensstijlen navolging van Christus. De ethiek, met name de persoonlijke levensethiek zou bij de doopsgezinden altijd een grote rol spelen. De ware boetvaardigheid en bekering vond zijn uitdrukking in de doop die op volwassen leeftijd plaatsvond. Dat is een reden om hem te herdenken als een vertegenwoordiger van een nieuwe stroming binnen het protestantisme. Geen radicale stroming, zoals gezegd, maar een beweging die kritiek uitte op de traditionele kerken, zowel de kerk van Rome (bestempeld als de Antichrist) als de protestantse kerken die een verbond met de (vijandige) overheid en staat waren aangegaan. De doopsgezinden bestreden de post-constantijnse verstrengeling van kerk en staat, zowel uit vrees voor het teloor gaan van persoonlijke ethische vernieuwing als vanwege het verzet tegen de rechtvaardiging van oorlog en geweld waaraan de alliantie van troon en altaar zich schuldig maakte. Voor de doopsgezinden was de kinderdoop. die iedereen zonder persoonlijke blijk van geloof inlijfde in de kerk, het symbool van die verstrengeling. De doopsgezinden wilden niet de bestaande kerk vernieuwen maar veeleer teruggaan tot de oorspronkelijke nieuw-testamentische gemeente.

Download het complete artikel (pdf)

Jaargang 07 (1996) No 3