Wie maakt de geschiedenis? Groen van Prinsterer over goddelijke ordeningen in de geschiedenis

Enige jaren geleden publiceerde A.M. Donner een boekje onder de titel Wie maakt de geschiedenis? Hij verhaalt in dit boekje de roerige Engelse geschiedenis van de 17de eeuw, het tijdperk van katholieke Stuart-koningen en van Cromwell. Donner beschrijft de vaak turbulente strijdtonelen en de hoofdpersonen met hun eigen motieven en overtuigingen.

Verschillende mannen van naam en invloed wilden richting geven aan de ontwikkelingen, de geschiedenis sturen. Maar, zo laat Donner zien, de geschiedenis neemt haar eigen loop. Mensen kunnen de geschiedenis willen máken, maar er zijn altijd onberekenbare uitkomsten en onbedoelde gevolgen. Is de geschiedenis maakbaar? Donner lijkt met zijn titelkeuze te willen aangeven dat het uiteindelijk niet de mens, maar God is die de geschiedenis maakt.

Donner, die in 1949 meewerkte aan de bekende bundel Groen’s ‘Ongeloof en revolutie’, stelt zich hiermee op een sympathiek standpunt. De geschiedenis is niet de resultante van het menselijk gedrag. Er is meer aan de hand tussen hemel en aarde. Maar wat? Hoe moeten we dat boven-individuele en structurele benoemen? Is er een Goddelijke ordening in de geschiedenis? Het is alsof Donner hier de knoop dichthaalt die hij in 1949 begon te maken. Toen schreef hij over ‘Het oorzakelijk verband tussen ongeloof en revolutie bij Groen van Prinsterer’.

In dat artikel sprak hij van het “eigenwettelijke van het historische en staatkundige” en de “verhouding tussen Gods wet en staat en historie”. Hoewel hij ook veel kritiek op Groens werkwijze had (die we hier verder kunnen laten rusten) is er fundamentele overeenstemming over het gegeven dat er in de geschiedenis een boven-individuele ordening te onderkennen valt. In zijn ‘Wie maakt de geschiedenis?’ benoemt of definieert Donner deze niet, maar leidt hij door de gedetailleerde beschrijving van een revolutionair proces toch wel de gedachten naar deze conclusie.

Onveranderlijke beginselen

Daarmee heeft Donners boek iets van een eigentijdse reprise van Groens Ongeloof en revolutie. Ook Groen wees op het boven-individuele en het structurele in de geschiedenis en wilde dit tonen in de beschrijving van een revolutionair proces. Het is duidelijk dat er volgens Groen een Goddelijke waarheid is die zich in de geschiedenis doet gelden. In het tiende hoofdstuk van Ongeloof en revolutie wijst Groen op de factoren ‘natuur’ en ‘regt’. Dit zijn ‘onveranderlijke beginselen’, waar de revolutieleer in haar praktische uitwerking steeds op stoten zal. De revolutie is ten diepste vreemd aan de mens en aan de door God gestelde orde.” Dus zal de revolutieleer tegen het geweten, tegen de ware behoeften van de mens, tegen de wezenlijkheid der staatsvormen en der verkregen rechten en vrijheden, in gestadige worsteling zijn.”

Groen spreekt met het oog op de ‘onveranderlijke beginselen’ zelfs van rotsen en bergen die de richting van de stromende rivier bepalen. Het gaat hier dus om Goddelijke ordeningen van het tijdelijke leven die zich concreet in de geschiedenis manifesteren. Het is van belang dat laatste te onderstrepen, omdat Groen wel van platonisme is beticht. Het gaat hier maar niet om ideeën die boven de werkelijkheid zweven of nauwelijks vatbaar zijn voor concretisering, nee, de ordeningen van God doen zich feitelijk in de geschiedenis gelden. Heel Groens onderneming in Ongeloof en revolutie is erop gericht om dat duidelijk te maken. Het gaat om de waarheid van de Schrift, die in de geschiedenis te aanschouwen is. De geschiedenis is niet een vrij ontwerp van de mens, de geschiedenis is gebonden aan grenzen die God haar heeft gesteld.

Redelijke orde

Maar wat bedoelt Groen precies als hij het heeft over ‘natuur’ en ‘regt’? Om met dit laatste te beginnen: Groen gaat uit van een vaste zedelijke orde in de geschiedenis. Centraal daarin staan begrippen als recht en gerechtigheid. In zijn Proeve over de middelen waardoor de waarheid wordt gekend en gestaafd uit 1834 zegt hij: “Het regt is in Gods wezen gegrond. Godverzaking brengt regtverzaking teweeg.”

Het is in een notendop de boodschap van Ongeloof en revolutie. In de geschiedenis dient het Goddelijk recht als richtsnoer voor het zedelijk leven, ja, alleen wat bestaanbaar is met de zedelijke orde van het Goddelijk recht zal in de tijd bestand blijken. Wat daartoe niet behoort, overleeft de tijd niet. Het sterft af. Dit lot treft ook het rationele ontwerp van de staat dat door de revolutie wordt gehuldigd, zo is Groens overtuiging. Het staat op gespannen voet met de zedelijke orde die God heeft ingesteld en in de geschiedenis zijn waarde heeft bewezen. Niet het staatsrecht van de filosofen, maar het historisch staatsrecht, zoals het zich in de geschiedenis heeft bewezen, moet uitgangspunt zijn voor het staatkundig handelen.

Geen historisme

Hier passen twee opmerkingen. In de eerste plaats moet worden opgemerkt dat Groen zijn opvattingen ontvouwt tegen de achtergrond van de Franse Revolutie. Groen concentreert zich in sterke mate op de ontwikkeling van het staatsrecht in de geschiedenis. Niet het volle historische leven betrekt hij in zijn overwegingen – de aandacht voor het sociale en economische ontbreekt – maar hij beperkt zich tot de opvattingen van mensen over het (staats)recht, die vervolgens in de praktijk worden gebracht. Donners mening dat de historische werkelijkheid meer nuance kent, heeft dan ook stellig een grond van waarheid in zich. Tegelijkertijd kan opgemerkt worden dat Groen ook nooit pretendeert de geschiedenis in haar geheel te vatten en te verklaren.

De tweede opmerking die moet worden gemaakt is dat Groen in zijn denken over een historische rechtsorde niet zomaar een historist kan worden genoemd. Groen heeft wel de invloed van de Historische Rechtsschool ondergaan, maar daarnaast ook andere invloeden verwerkt. Volgens het historisme vindt alles zijn grond in de geschiedenis. Het recht, de staat, de instellingen komen op, blinken en verzinken in de geschiedenis. Groen echter verwijst naar een buiten-historische oorsprong van het recht en daarmee neemt hij principieel afstand van het historisme.

Maar tegelijk – en hierin schuilt de invloed van de Historische School – ontwikkelt het recht zich wel in de geschiedenis, in gebondenheid aan het Goddelijk recht. Het is Burke, de Engelse christen-staatsman, die Groen op dit spoor heeft gezet. Voor Burke was er in de geschiedenis sprake van een “known march of the ordinary providence of God”. En ook Burke verbond dit met staatkunde en staatsrecht. Van Burke heeft Groen betuigd dat deze hem de schellen van de ogen heeft doen vallen.

Groens antropologie

Naast het ‘regt’ wijst Groen in Ongeloof en revolutie ook op de ‘natuur’. Heel vaak verwijst Groen daarbij naar de ‘wezenlijke aard’ van de dingen. Hiermee zitten we op het terrein van het schepselmatige. Misschien moeten we het nog nader bepalen tot de antropologie. Groen verwijst namelijk uitdrukkelijk naar de ‘natuur’ van de mens. Hij rekent de ‘betrekking op God’ tot de ‘aanleg’ van de mens. De revolutieleer, die dit niet erkennen wil, zal dan ook “tegen het geweten, tegen de ware behoefte van de mens indruisen”.  We kunnen wel zeggen dat Groen het heeft aangedurfd een christelijke mensvisie te verdisconteren in zijn geschiedbeschouwing. Wanneer de mens afwijkt van het door God afgebakend spoor, brengt hij onheil over zichzelf, loopt hij vast. Dat is de leer van de mens in historische context bij Groen van Prinsterer!

Geen scholastiek

Zo zijn er dus voor Groen boven-individuele ‘constanten’ in de geschiedenis. Hij wijst op een Goddelijke rechtsorde in de geschiedenis en op de creatuurlijke aard van de mens. Maar eigenlijk zeggen we nog te weinig als we deze ‘constanten’ zonder meer beperken tot het boven-individuele in de geschiedenis, zoals Smitskamp in zijn dissertatie uit 1940 doet. Dan wordt het verschil met het historisme niet duidelijk genoeg getaxeerd.

Uitdrukkelijk moet gesteld worden dat deze ‘constanten’ van buiten-historische oorsprong zijn! Het zijn regulerende ordeningen van God in de geschiedenis. Het zijn de grenzen die gesteld zijn aan het menselijk gedrag, opdat mensen het spoor niet geheel bijster worden. Een enkele maal heeft Groen zelfs betuigt dat men niet noodzakelijk op christelijk standpunt hoeft te staan om deze ‘constanten’ op te merken en er naar te handelen. 9 In dit verband kunnen we denken aan Romeinen 1:20, waar wordt gezegd dat een ieder Gods eeuwige kracht en goddelijkheid sedert de schepping der wereld met het verstand kan doorzien.

Zo heeft Groen getracht een aantal vaste elementen in de geschapen wereld in hun betekenis voor de geschiedenis te taxeren. Het is van belang in dit verband op te merken dat hij daarmee de geschiedenis beslist niet in een deterministisch schema heeft gebracht. Groen liet uitdrukkelijk ruimte voor de vrijheid en verantwoordelijkheid van de mens. Hij wees wel op ‘onveranderlijke beginselen’ in de geschiedenis, die zich feitelijk laten gelden, maar daarmee is het hele geschiedproces nog niet besproken. De mens kan die ordeningen onderkennen, maar hij kan er ook tegen storm lopen, zoals de revolutie deed. En, zo kunnen we Donner nazeggen, daarmee heeft Groen zeker de volle historische werkelijkheid in al haar aspecten niet geduid.

Groen heeft ook van tijdgenoten kritiek gekregen op zijn beschouwingen. Met name Isaäc da Costa vond dat Groen Gods voorzienigheid te sterk bond aan de objectieve historische rechtsorde. Volgens Da Costa was dit allemaal veel te juridisch gedacht. Hij benadrukte dat God op geheel eigen wijze vaak door die historische rechtsorde heen breekt.

Daarbij kwam de kritiek dat Groen zich voor deze beschouwingen beriep op katholieke denkers, die in aansluiting op de scholastiek een sterke nadruk op de ordening van de werkelijkheid legden. Inderdaad kan gesteld worden dat Groen zich beriep op denkers als Von Haller, De la Mennais, De Maistre en Burke, 10 die allen een rooms-katholieke achtergrond hadden. Maar het is de vraag of langs deze weg de scholastiek in Groen nawerkte.

Groen heeft steeds gezegd een ‘eclecticus’ te zijn en toonde zich vaak in staat elementen uit beschouwingen van anderen over te nemen en in zijn eigen principiële beschouwingen te herijken. Bovendien sprak Groen niet over een allesomvattende wereldordening, maar over ordeningen in de geschiedenis; hij wees er ‘slechts’ twee concreet aan.

Groens inzet

Belangrijker is misschien nog wel Groens inzet. Daar willen we tenslotte nog bij stilstaan. Wat is het belang van de erkenning van Gods ordeningen in de geschiedenis? Groen verwachtte van een speculeren over Gods hand in de geschiedenis, zoals hij dat ook in zijn Reveil-omgeving waarnam, dat het ten prooi zou vallen aan een gevaarlijk subjectivisme. Hoe zou men met enige zekerheid nog kunnen spreken over Gods werken in de geschiedenis? Door te wijzen op enkele ‘constanten’ in Gods regering probeerde Groen dieper inzicht te krijgen in de aard van de geschiedenis.

Daar is het hem altijd om te doen geweest. Groen wilde in zijn geschiedbeoefening doorstoten naar de diepste vragen omtrent Godsbestuur en wereldcultuur. Het ging hem er om de aard van de geschiedenis te leren kennen en daarvan als evangeliebelijder te getuigen. Steeds heeft Groen benadrukt dat men de geschiedenis niet mag losmaken van de waarheid van de Schrift. Er is een onverbrekelijke band tussen ‘Schrift’ en ‘historie’, een band die ook de geschiedwetenschap moet honoreren.

Niet alleen in Ongeloof en revolutie, maar ook eerder in zijn Proeve heeft hij hierover gesproken. Wie wel stichtelijk weet te spreken over Gods voorzienigheid, maar er verder niets mee doet, scheidt geloof en wetenschap. “Het is zeer waar dat, door alleen op God te verwijzen, de wetenschap niet wordt ontwikkeld; maar het is even waar dat, door op God niet te wijzen, de grond der wetenschap wegvallen en ieder stelsel instorten moet. Het is niet genoeg enkel de verwijderde oorzaak te kennen; maar ook in den naaste grond moet de eindoorzaak worden erkend. Aan tweede oorzaken (het feitelijk constateerbare, R.K.) zelfstandigheid te willen schenken, is de bron van menigvuldige, ook wetenschappelijke, afgoderijen geweest.”

Groen is geen aanhanger van een geschiedwetenschap die niets meer dan een ‘Histoire descriptive’ wil zijn. Groen wil spreken over de diepere oorzaken, zoals deze zich in de feiten manifesteren. Hij wil niet alleen ‘darstellen’, zoals de moderne geschiedwetenschap wil, maar ook ‘urteilen’. De wetenschappelijke onpartijdigheid, “zonder kracht of leven”, ja die zelfs tot “gevoelloosheid” geraakt, noemt hij zelfs een “afwijking”.

Groens reserves tegen de moderne geschiedwetenschap van zijn dagen maken zijn inzet actueel. Want die moderne geschiedwetenschap heeft haar wetenschappelijk uitgangspunt sindsdien niet gewijzigd. De ‘histoire descriptive’ heeft het roer stevig in handen. Het gaat in de geschiedwetenschap slechts om de beschrijving van het feitelijk constateerbare, om de ‘tweede oorzaken’, en de diepere gronden en verbanden worden zelden of nooit getaxeerd. Maar voor Groen lag daar juist de bodem van de geschiedenis. Volgens hem kan een geschiedwetenschap, die vooral wetenschap wil zijn, en de band tussen ‘Schrift’ en ‘historie’ losmaakt, geen recht doen aan de geschiedenis.

Wie maakt de geschiedenis? Deze vraag van Donner verwijst naar een ander wetenschappelijk uitgangspunt. Niet het denkend subject, die zich een geschiedenis ontwerpt aan de hand van de door hem gestelde feiten, staat daarin centraal. Maar de geschiedenis, zoals deze door God is verordineerd en in stand wordt gehouden, staat centraal. Niet dát is geschiedenis wat we als resultante van het menselijk gedrag kunnen onderscheiden. Dat is voor Groen en Donner de beweging aan de oppervlakte. Geschiedenis is ten diepste het door de mens in zijn historische omstandigheden gegeven antwoord op de stem van God. Door te wijzen op Gods ordeningen, maakt Groen duidelijk dat die omstandigheden niet willekeurig of contingent zijn, maar steeds gebonden blijven aan de wetten die God voor Zijn schepping heeft gesteld.

Jaargang 03 (1992) No 2 – themanummer mr. G. Groen van Prinsterer (notenapparaat ontbreekt in webversie)