Welk licht verspreidt Vincent van Gogh eigenlijk?

In het voorwoord van de catalogus van de overzichtstentoonstelling van het werk van Vincent van Gogh (1857-1890) die in 1990 in het Van Gogh Museum en in het Kröller-Müllermuseum te zien was, schreef koningin Beatrix: “Onder zeer moeilijke omstandigheden ontwikkelde deze bevlogen domineeszoon zich in minder dan tien jaar – en vrijwel geheel op eigen kracht – van een goedwillende amateur tot een volleerd meester, wiens werk tot ver over onze grenzen bekendheid heeft gekregen.”

Dat typeert Vincent van Gogh: hij groeide op in een dorpspastorie en ontwikkelde zich tot een kunstenaar die later wereldberoemd werd, maar zich een gedrevene bleef voelen. Van Gogh groeide niet alleen op in een pastorie, hij voelde zich ook tot de theologie aangetrokken. Zelfs zo dat hij zich geroepen voelde predikant te worden. In de jaren 1877 en 1878 bereidde hij zich voor op de studie theologie, door les in Grieks en Latijn te nemen bij Mendes da Costa in Amsterdam.

Toen hij inzag dat een universitaire studie niet binnen zijn mogelijkheden lag, gaf hij zijn ideaal ‘een zaaier van het Woord’ niet op. Hij koos voor een snelle, praktische opleiding tot evangelist. Toen hij op tijdelijke basis een aanstelling kreeg op een evangelisatiepost in de Borinage, ging hij gedreven aan de slag om het bestaan van de mijnwerkers in die streek, die het grootste deel van hun leven onder de grond verbleven, te verlichten. Zijn aanstelling werd echter niet gecontinueerd, en hij nam uiteindelijk de beslissing kunstenaar te worden. We kunnen ervan uitgaan dat hij, indien hij zijn werk als evangelist had kunnen voortzetten, niet zo’n imponerend oeuvre zou hebben nagelaten en nu niet wereldberoemd zou zijn. Als kunstenaar hoopte Vincent te bereiken wat hem als evangelist niet mogelijk was: het leven van mensen verheffen.

Toen hij achter in de twintig was, brak hij met de kerk. Zijn christelijke opvoeding en de periode waarin hij zelf de bijbel intensief bestudeerde, bleven hem achtervolgen. Het verleden bleef hem bezighouden. Op een eerlijke en ontroerende manier schreef hij daarover aan zijn broer Theo in oktober 1884 vanuit Nuenen:

“O, ik ben geen vriend van het tegenwoordige christendom, ik heb het te goed in de kaart gekeken.” En vanuit Parijs schreef hij aan zijn zus Wil: “Ik voor mij ben altijd blij dat ik de bijbel beter heb gelezen dan veel lui van tegenwoordig, juist omdat het mij een zekere rust geeft dat er vroeger zulke hoge idees zijn geweest.”

Kunnen we nu uit Vincents werk aantonen dat hij vertrouwd was met de bijbel? En zocht hij, nadat hij met de kerk gebroken had, naar een alternatief, zoals Piet Mondriaan (1872-1944) deed die, nadat hij afstand had genomen van zijn orthodoxe opvoeding, voor de theosofie koos? Daar gaat het in dit artikel om: de relatie tussen Van Goghs religieuze achtergrond en het werk dat hij als kunstenaar maakte.

Bij het zoeken naar een antwoord op deze vragen zijn enkele publicaties van J. Stellingwerff en T. Kodera zeer waardevol. In zijn dissertatie Werkelijkheid en grondmotief bij Vincent Willem van Gogh vraagt Stellingwerff aandacht voor de religieuze achtergrond van waaruit Vincent van Gogh werkt. Stellingwerff wijst erop dat Vincent thuis wel opgevoed is met de bijbel, maar dat hij van huis uit geen bijbelse visie op de werkelijkheid heeft meegekregen.

Vincents vader behoorde tot de ‘Groninger richting’ in de theologie. Hij preekte niet over zonde, verlossing en genade, maar wees erop dat een mens zijn eigen duisternis te boven kan komen door het voorbeeld van Christus te volgen. Eén van de grondwaarheden van de bijbel was volgens ds. Van Gogh dat de mens zijn weg moest zoeken van het duister naar het licht. Dat heeft Vincent zijn leven lang gedaan; hij bleef zoeken.

Nadat hij de kerk de rug toegekeerd had, werd hij geen cynische atheïst. In zijn brieven bleef hij bijbelteksten citeren en in zijn werk kwamen christelijke thema’s en symbolen steeds terug. De Japanner Tsusaka Kodera promoveerde in 1989 op een proefschrift met de titel Christianity versus nature. A study of the thematics in Van Gogh’s oeuvre. Kodera heeft enkele grondthema’s die in Van Goghs werk dikwijls voorkomen, systematisch onderzocht en geïnterpreteerd. Hij wijst op de spanning in Vincents werk tussen het christelijke geloof en de manier waarop Vincent de ongerepte natuur verheerlijkt.

Toen dit artikel zo goed als afgerond was, verscheen het boekje “Een soort bijbel.” Vincent van Gogh als evangelist van prof.dr. Anton Wessels. Wessels heeft onmiddellijk een oplossing voor onze vraag naar de relatie tussen Van Goghs religieuze achtergrond en zijn artistieke werk. Voor hem is Van Gogh ook als kunstenaar een evangelist. Zijn werk moet je zien als ‘een soort bijbel’. De boerinnen, de zaaiers en de maaiers, de spitters die Vincent op het doek of op papier neerzette, moeten gezien worden als Christussen. “Vincent van Gogh beeldde met ontroerende compassie anonieme Christussen uit. En hij getuigde tot gekwordens toe, hoe de duisternis overwonnen wordt door het licht van de zon, het symbool voor Christus, en voor God.” Zo besluit Wessels zijn boek.

Het is niet verwonderlijk dat deze drie auteurs, die ieder vanuit een eigen perspectief geprobeerd hebben Vincent van Gogh zo volledig mogelijk in beeld te krijgen, elk een ander licht op hem werpen. Wessels komt tot een heel wat oecumenischer uitleg van Van Goghs religieuze opvattingen dan Stellingwerff, maar Wessels geeft zelf ook een andere inhoud aan het christelijke geloof dan Stellingwerff. Kodera heeft meer oog voor Vincents houding ten opzichte van de natuur. Het moet mogelijk zijn, vooral door het bestuderen van de brieven, vast te stellen wie van deze drie schrijvers Vincent van Gogh het best heeft verstaan. Uit die brieven weten we wat hem ten diepste bezighield.

Geloof en leven

We besteden nu aandacht aan het beeldmateriaal waarmee Vincent van Gogh tot zijn 27ste jaar vertrouwd moet zijn geweest. Vervolgens laten we een aantal schilderijen de revue passeren, waarvan aangenomen wordt dat Vincent ze maakte om zijn gedachten over geloof en leven tot uitdrukking te brengen.

Vanaf zijn jeugd was Vincent geïnteresseerd in prenten en geïllustreerde tijdschriften. Op verschillende van zijn kamertjes in London, Dordrecht en Den Haag hing een reproductie van Ary Scheffers Christus Consolator. De afbeeldingen van Ary Scheffer vinden we nu nogal romantisch en geladen, maar in de 19de eeuw waren zijn prenten in protestants Nederland geliefd.

In die tijd, vóór de opkomst van de ‘Tachtigers’, speelden de dominee-dichters een belangrijke rol in het culturele leven in Nederland; niet alleen op het gebied van de literatuur, ook op het terrein van de beeldende kunst was hun invloed groot. De predikant J.J.L. ten Kate schreef bijvoorbeeld dichterlijke bijschriften bij reproducties in tijdschriften en boeken. Uit Vincents brieven blijkt dat hij het werk van ds. Ten Kate kende.

Deze predikanten sloten niet alleen in hun publicaties bij de beeldende kunst aan; ze preekten ook geregeld naar aanleiding van onderwerpen die op prenten en schilderijen voorkwamen. Ds. E. Laurillard koos voor zijn preken eenvoudige onderwerpen uit de natuur en het dagelijks leven van boeren en vissers. Dat moet Vincent aangesproken hebben. In zijn Amsterdamse tijd kerkte hij bij ds. Laurillard, die ook populaire boekjes schreef, onder andere Met Jezus in de natuur. Het is opvallend dat de thema’s in dit boekje – de ploeger, de zaaier, koren, de zon – ook in Van Goghs oeuvre een belangrijke plaats innemen.

M.B. Mendes da Costa heeft zijn herinneringen aan Vincent van Gogh gepubliceerd. Hij memoreert dat Vincent dikwijls prenten voor hem meebracht. De platen waren beduimeld en de randen ervan dikwijls volgeschreven met citaten van Thomas a Kempis en uit de bijbel. Eén van die prenten is bewaard gebleven. Het is een reproductie van een schilderij van J.J. van der Maaten, Begrafenisstoet in een korenveld. Op de achterzijde staan verschillende bijbelteksten vermeld, onder andere Johannes 12:24-25, Markus 4:26-29, Johannes 5:24, 25, 28, 29 en Lukas 9:24. In deze teksten wordt een mensenleven met een graankorrel vergeleken. Dit bewaard gebleven prentje lijkt op een persoonlijk getuigenis van Vincent. Zijn leven lang werd hij geïnspireerd door korenvelden en zaaien en maaien. Een reproductie van de Begrafenisstoet in een korenveld hing ook in de studeerkamer van zijn vader.

Eerste periode

De eerste tekeningen die Vincent van Gogh maakte, in 1881, zijn kopiën van De Zaaier en Het avondgebed van de Franse schilder J.F. Millet. In dezelfde tijd verzamelde Vincent illustraties uit tijdschriften zoals The Graphic en The illustrated London news. Hij voelde zich aangetrokken tot het werk van de Engelse kunstenaars Herkomer, Frank Holl en Walker, dat in die tijdschriften afgedrukt werd. Zij hadden bewogen gekeken naar de allerarmsten, werklozen en wezen, en dat met de tekenpen vastgelegd. Die prenten vormden voor Vincent een “soort bijbel waar hij nu en dan in leest om zich te stemmen,” schreef Van Rappard.

In 1882 maakte Vincent een aquarel van Weesmannen en -vrouwen in de kerkbank. Ze zijn weinig betrokken bij de dienst. Vincent laat zien dat ze alleen lichamelijk in de kerk aanwezig zijn; ze zitten half ingedut. Boerenkerkhof met oude kerktoren (1885) is één van zijn eerste schilderijen. Over de betekenis is hij duidelijk: “Ik heb willen zeggen hoe doodeenvoudig het sterven en begraven gaat, doodleuk als ’t afvallen van ’t herfstblad niets dan een beetje aarde omgewoeld – een houten kruisje.”

Maar daar bleef het voor hem niet bij. De ruïne van een kerktoren vertelde hem “hoe een geloof en een godsdienst vermolmde – al was ze hecht gegrondvest, hoe echter het leven en sterven der boertjes al mee ’tzelfde is en blijft, gelijkmatig uitspruiten en verwelken als ’t gras en de bloempjes die daar wassen op dien kerkhofsgrond.” Het geloof van de boeren die rondom de kerktoren liggen, is vermolmd, maar dat van de mensen die in de kerkbank zitten, ook.

De pastorie te Nuenen – 1885 – Van Gogh MuseumToen Vincent de kerktoren schilderde, was zijn vader een paar maanden geleden aan de voet van de kerktoren begraven. Dat betekende voor Vincent dat ook het geloof en de godsdienst van zijn vader voorbij waren. Vincents eigen visie op de bijbel blijkt uit Het stilleven met de bijbel, dat hij in oktober 1885 schilderde. Op een geelbruin tafelkleed ligt een opengeslagen Statenbijbel, staat een kaarsstompje in een koperen kandelaar en ligt een geel boekje La joie de vivre van E. Zola. Vincent schilderde deze voorwerpen tegen een donkere achtergrond.

Theo had per brief vanuit Parijs geprobeerd Vincent over te halen zuiverder kleuren te gebruiken, zoals de impressionisten deden, en Manets werkwijze beschreven, omdat de sombere donkere doeken van Vincent moeilijk te verkopen waren. Vincent schreef terug: “In antwoord op uw beschrijving van de studie van Manet stuur ik u een stilleven met een open bijbel in leer gebonden tegen een zwart fond met geelbruine voorgrond, met nog een noot citroengeel.”

Toch zijn de voorwerpen op het stilleven niet met het oog op de kleur geselecteerd, maar hebben ze een diepere betekenis, lezen we in de tentoonstellingscatalogus.

“De kandelaar met zijn uitgedoofde kaars, geplaatst naast de Statenbijbel die aan ds. Van Gogh toebehoorde, verwijst naar diens dood. De bijbel, die verwijst naar het traditionele geloof van zijn vader, wordt gecontrasteerd met Zola’s La joie de vivre. Dat boek werd door Vincent opgevat als een aanbeveling: “Men moet werken en durven, wil men wezenlijk leven.” Zijn christelijke verleden, dat zo nauw met het geloof van zijn vader samenhing, had afgedaan en de toekomst was onzeker. In zijn eigen ontplooiing vormden Zola en de Franse naturalistische schrijvers nu zijn leidraad. De passage waar de bijbel opengeslagen ligt, Jesaja 53, heeft eveneens betekenis: daarin wordt de komst van de Verlosser voorspeld, die door de mensen niet als zodanig herkend zal worden. Die voorspelling associeerde Vincent zeer waarschijnlijk met zijn eigen lot.”

Tot zover de catalogus. Dat is de traditionele visie op dit doek. Volgens Stellingwerff symboliseert het kaarsstompje het oude geloof en spreekt het boekje van Zola door middel van de titel en de levendige, felle kleur van de ongeremde levensvreugde en de veroverde vrijheid van de jongere generatie (p. 78).

Kodera wijst op een tegenstelling tussen de donkere Statenbijbel, als de periode van de koude kerk en de dogmatische dominees, en La joie de vivre, dat licht, warmte en blijdschap brengt. Zola’s boekje vormde voor Van Gogh één van de eerste tekenen van vervanging (p. 162). Wessels vindt dat de bijbel niet tegen Zola’s La joie de vivre moet worden uitgespeeld. “Het ging Vincent om een andere tegenstelling, namelijk tussen wóórd en daad. Het was hem te doen om daden van liefde en niet (alleen) maar (lege) woorden” (p. 116). Mijns inziens is duidelijk dat voor Vincent de bijbel niet meer het enige Licht der Waarheid is.

De zwoegers

De zittende vrouw – Van Gogh – 1883 (Kröller Möller)De tekst uit Genesis 3:19 – “In het zweet uws aanschijns zult gij brood eten, totdat gij tot de aardbodem wederkeert…” – is een tekst die er bij Van Gogh ingeprent zat. Hij maakte opvallend veel tekeningen van zwoe- gers, spitters, ploegers en houthak- kers. Het is alsof hij zich aangetrokken voelde tot het maken van afbeeldingen van mensen die zwaar werk verrichten.

In april 1883 schreef hij over een tekening van een spitter aan Theo:

“Ik had ’t u reeds bekende weesmannetje tot model – zo’n kale kruin voorover- gebogen over de zwarte aarde vond ik wel iets, waar een zekere betekenis in lag, als doende denken bijvoorbeeld aan ‘ge zult uw brood eten in ’t zweet uws aanschijns’.” En in september van hetzelfde jaar: “Ja voor mij is het drama van de storm in de natuur, het drama van smart in het leven wel het beste. Een ‘paradou’ (paradijs) is mooi, een Gethsemane is toch mooier.”

Mensen waren voor hem vooraf sjouwers en tobbers. De aquarel Vrouwen die zakken kolen dragen in de sneeuw (1882) is daarvan een mooi voorbeeld, Op het station in Den Haag had Vincent gezien hoe men zakken met steenkolen versjouwde. Daarna maakte hij een hele serie tekeningen van zakkendragende vrouwen. Aan de horizon van de aquarel tekende hij een klein kerktorentje. Zo’n kerkje is vaak te zien op tekeningen die voor 1885 gemaakt zijn; daarna komt het veel minder voor. Het kerkje geeft een zekere religieuze lading aan het geheel.

Zaaien en maaien

Zaaien en maaien zijn werkzaamheden die geregeld terugkeren in Vincents werk. De tekst uit Galaten 6:7-8, die hij in een brief van 18 september 1877 citeer- de, moet hem daarbij door het hoofd gespeeld hebben: “Zoo wat de mens zaait, dat zal hij ook maaien en die naar de Geest zaait zal uit de Geest het eeuwige leven maaijen.” In dat jaar hoopte Vincent nog zelf een ‘zaaier des Woords’ te worden, schreef hij:

“Hoorde zondagmorgen Ds. Laurillard in de vroegpreek over “Jezus wandelde in het gezaaide”. Hij maakte grote indruk op mij – in die preek sprak hij over de Begrafenis in het koren van V.d. Maaten. Hij sprak ook over de gelijkenis van de zaaier, en over de man die het zaad in de akker strooide, en voorts sliep en opstond dag en nacht, en het zaad sproot uit en wies op, en werd lang, en hij wist zelf niet hoe…”

Zijn eigen werk als kunstenaar bracht Vincent in verband met dat van een zaaier: “Ik hoop zoveel studies te maken als ik maar kan, want dat is het zaad waar later tekeningen van komen…”, en later: “Het studies maken beschouw ik als zaaien en het schilderijen maken is oogsten.” In 1881 maakte Vincent verschillende tekeningen met zaaiers – Millet inspireerde hem daartoe; in 1888 kwam dit thema in zijn schilderijen terug.

In de jaren 1880-1890 maakte Vincent verschillende keren een maaier. Voor hem was de zaaier het symbool van geboorte en van nieuw leven, en de maaier van de dood. In Saint Rémy werd Vincent getroffen door de maaier die hij vanuit zijn kamer bezig zag in de vroege ochtendzon. “Ik zag toen die maaier – een onduidelijk figuurtje dat zwoegt als een duivel in de volle hitte om zijn werk af te krijgen – ik zag er het beeld in van de dood, in die zin dat de mensheid het koren is dat men oogst. Het is dus, als je wilt het tegengestelde van die zaaier die ik eerder geprobeerd had. Maar er is in die dood niets droevigs, het gebeurt in het volle licht, met een zon die alles overstroomt met een fijn gouden licht…” Het is niet duidelijk of Vincent de figuur van de maaier in verband bracht met een bijbeltekst. De catalogus noemt Lukas 19:21 en Johannes 4:36, 37, maar dat vind ik niet erg overtuigend.

De zaaier (1888) met een grote zon bij de horizon en een boom op de voorgrond, vormt een laatste versie van het thema. De compositie van dit doek doet sterk denken aan Vrouwen na de preek van Gauguin, de boom op de voorgrond aan Japanse prenten. De kleur en de symboliek van dit schilderij zijn van Vincent zelf. Zoals het graan het symbool is van het leven dat groeit en vergaat, zo is de boom het symbool van het leven als een hardnekkig volgehouden strijd. Het koren wordt gezaaid en al gauw weer gemaaid. De boom groeit veel langzamer, vaak tegen de verdrukking in, maar wordt ook oud.

De zaaier is hier niet meer de zaaier van de gelijkenis. In het evangelie wordt Christus zelf met de zaaier bedoeld. Op dit schilderij is de zaaier het symbool van de kunstenaar die troost brengt door zijn werk, zegt Stellingwerff terecht. In een brief van 3 september 1888 lezen we: “En in een schilderij zou ik iets troostends willen zeggen, als muziek. Ik zou mannen en vrouwen willen schilderen met iets van dat eeuwige waarvan vroeger de nimbus het symbool was en dat wij zoeken in de uitstraling zelf, in de trilling van ons koloriet.” De zon achter de zaaier van dit laatste schilderij lijkt op een aureool.

De zon

In de tekeningen die hij in Nuenen maakte, tekende Vincent aan de horizon meestal een torentje; na zijn Parijse periode nam de zon de plaats van het kerktorentje in. De zon werd steeds belangrijker in zijn schilderijen. In de traditie van de christelijke kunst komt de zon geregeld voor als symbool van God of van Christus, onder andere op grond van psalm 84:12: “Want de Here God is een zon en schild.” Ds. Laurillard schreef in zijn Geen dag zonder God naar aanleiding van deze tekst: “Daarom kon in een dichterlijke ziel de gedachte ontstaan: God de Heer is een zon…, maar dan moeten wij wensen dat het schijnsel dezer zon onze geest en ons hart bestrale… Ja, als wij wenschen dat ons gemoed als een zonnebloem zij, steeds naar het groote Licht toe kerend, om ten volle op te vangen de stralen die het nederzendt.” Misschien kende Vincent deze uiteenzetting. Kodera gaat daarvan uit.

In mei 1890, toen Vincent van een inzinking herstelde, maakte hij een eigen weergave van de ets Opwekking van Lazarus van Rembrandt. Wanneer Vincent na een instorting weer aan de slag probeerde te komen, maakte hij wel vaker gebruik van voorbeelden van oude meesters. Het lijkt er op alsof hij op zijn schilderij De opwekking van Lazarus de essentie van de ets van Rembrandt getransformeerd heeft. Hij liet de Christusfiguur weg en ook al de andere figuren zijn verdwenen, behalve Martha en Maria. Op de achtergrond schilderde Vincent een grote zon. De zon komt in de plaats van de Christusfiguur. Lazarus, met een rode baard weergegeven, kan opgevat worden als de identificatie van hemzelf.

Voor Wessels is het duidelijk dat de zon op dit schilderij symbolisch staat voor Christus. Ik ben daar lang niet zeker van. Op 3 september 1888 schreef Vincent: “O, mijn beste broer, soms weet ik zo goed wat ik wil. Ik kan het in het leven en ook in de schilderkunst wel stellen buiten een God, maar ziek als ik ben, kan ik het niet stellen buiten iets dat groter is dan ik zelf, dat is mijn leven, het vermogen tot scheppen…” En later op 7 september 1889: “Ik ben niet onverschillig en tijdens mijn ziekte zelf troosten soms religieuze gedachten mij heel erg.” Deze diep menselijke en ontroerende passages geven niet voldoende grond voor Wessels’ interpretatie. Volgens Kodera worden de zon en ook de zonnebloemen, van oorsprong christelijke symbolen, in het werk van Van Gogh geleidelijk aan utopistische symbolen. De zon als bron van licht en warmte verbindt Vincent met Japan.

Japan

Vanuit Arles schreef Vincent aan Theo: “Dit land is voor mij net zo mooi als Japan.” Vincent idealiseerde Japan. Het is voor hem utopia. In Antwerpen had Vincent in 1886 al Japanse prenten in zijn bezit. Hij was geïnteresseerd in Japanse afbeeldingen vanwege het exotische en het expressieve karakter ervan. In Parijs maakte hij in 1887 een portret van Tanguy, een handelaar in verf en kunst. Volgens de schilder Bernard had Tanguy meer affiniteit met Van Goghs socialistische sympathieën dan met zijn kunst. Beiden waren utopistische socialisten, volgens Bernard.

De socialistische overtuiging van Tanguy zou Van Gogh in het portret hebben uitgedrukt door de frontale houding en de over elkaar gevouwen handen waarmee hij de kunsthandelaar bewust weergaf als een bonze, een boeddhistische priester uit Japan, het land dat de kunstenaar associeerde met een ideale, niet-gecorrumpeerde maatschappij. De Japanse prenten op de achtergrond zouden ook daarnaar verwijzen.

In september 1888 schilderde Van Gogh zichzelf als een Japanse monnik. Hij maakte het schilderij voor Gauguin en hij schreef op 24 september aan Theo:

“Als je je verdiept in de Japanse kunst, dan zie je hoe een ontegenzeglijk wijs en filosofisch en intelligent man zijn tijd doorbrengt met? Het bestuderen van de afstand van de aarde naar de maan? Neen. Het bestuderen van de politiek van Bismarck? Neen; hij bestudeert… een enkel grashalmpje. Maar dat grashalmpje brengt hem ertoe om alle planten te gaan tekenen, vervolgens de jaargetijden, de grote aspecten van de landschappen, tenslotte de dieren, dan de mens. Zo brengt hij zijn leven door en het leven is te kort om het allemaal te doen.” En verder: “En het lijkt me dat men de Japanse kunst niet kan bestuderen zonder veel opgewekter en gelukkiger te worden en dat (die) ons doet terugkeren naar de natuur ondanks onze opvoeding en ons werk in een conventionele wereld…”

Het beeld dat Vincent van Gogh van Japan had is niet een product van Van Goghs voorstellingsvermogen. Het is tot stand gekomen door de literatuur die Vincent over Japan gelezen had. Japan werd in de 19de eeuw verheerlijkt als een land waar het leven echt en natuurlijk was.

In één van zijn zelfportretten met het beschadigde oor schilderde hij een Japanse prent op de muur. Als we bedenken dat ‘Japan’ synoniem was voor Van Goghs primitivistische ideaal, wordt de betekenis van dit portret duidelijk. Het is zonder twijfel het ‘utopia’ dat hij niet in staat was te realiseren in Arles, na de mislukking van zijn plan om in zijn huis, Het gele huis, een kunstenaarsgemeenschap te stichten. Hij idealiseerde Japanse schilders vanwege hun onderlinge samenwerking. Vincent voelde zichzelf niet meer ‘in Japan’, zoals toen hij het schilderij maakte van zichzelf als boeddhistische monnik. Toen schreef hij zijn zus Willemien: “Ik doe alsof ik in Japan ben.” In 1889 was die droom over. Hij schilderde nog één keer een Japans schilderij, maar toen als een herinnering aan zijn utopische ideaal dat voor het eerst op het portret van Tanguy verschenen was.

Tot slot

Ondanks zijn bijna religieuze hang naar Japan en zijn verheerlijking van de natuur op zich, is Vincent altijd geïnteresseerd gebleven in bijbelse voorstellingen. Op 22 september 1888 schreef hij: “Voor de tweede keer heb ik een studie van een Christus en de engel in de olijfgaard afgekrabd. Omdat ik hier wel echte olijfbomen zie, maar ik kan, of liever ik wil het ook niet afschilderen zonder modellen.” “Ik heb het echter in het hoofd met kleur: de nacht met sterren, de figuur van Christus blauw, en de engel gebroken citroengeel.”

In juni 1889 schilderde Vincent De sterrennacht, één van zijn meest geladen doeken. Het doet Kodera denken aan een voorstelling van Gethsemane. Maar deze interpretatie is niet waarschijnlijk omdat Vincent over dit schilderij nadrukkelijk zegt: “Het is niet een terugkeer naar het romantische of naar religieuze ideeën.” Het is geen weergave van een realistisch landschap! Heel opvallend is dat Van Gogh een Hollands kerkje schilderde, midden in het Provençaalse landschap.

Op dit schilderij lijkt Vincent zijn eigen doodsangst tot uitdrukking te brengen. Vlak voor zijn dood schreef hij aan zijn moeder: “Als door een spiegel in een duistere reden (1 Korinthe 13:9, ABG) – ’t is zo gebleven; het leven en het waarom van het scheiden en heengaan en ’t blijven der onrust, men begrijpt er niet meer van dan dat.” Een maand later stierf Vincent. In het vertrek waar hij lag opgebaard, waren langs de muren zijn laatste schilderijen opgehangen, onder andere de Pietà, naar Delacroix, en De Binnenplaats in de gevangenis naar Gustave Doré.

Jaargang 01 (1990) No 3 – themanummer Van Gogh, protestantisme en moderne kunst