Verzuiling? Ontzuiling?

In een periode van grote nationale vernedering sprak Colijn op 10 augustus 1940 in de Apollohal te Amsterdam tot ons volk:

“Maar ook zal men iets anders moeten beseffen. Dit namelijk, dat het Nederlandsche volk nu eenmaal uit drie groote geestelijk verschillend georiënteerde groepen is samengesteld. Een derde van dit volk is, om het maar in gewone taal te zeggen, orthodox protestant, een derde is roomsch-katholiek, een derde is gegrepen door de grondgedachten van het humanisme. Deze drie groote geestelijke stroomingen zijn er nu eenmaal in ons volk en bij allen arbeid, die op praktische terrein verricht wordt, zal men ook met dat feit moeten rekenen. Dat bedoel ik onder andere met de aanvaarding van de historische beginselen waaraan onze staat zijn oorsprong dankt.” 1

Hendrikus Colijn. Bron Wikimedia

Hendrikus Colijn. Bron Wikimedia

Het was niet voor het eerst dat Colijn dit zei, en zijn inzicht zal mede gevormd zijn door de vele gesprekken die hij gevoerd heeft met de door Groen van Prinsterer geïnspireerde historicus Gerretson, die enige jaren zijn secretaris is geweest. En Colijn had gelijk. Vanaf het moment dat er sprake was van het ontstaan van een eigen Nederlandse staat, waren er op het grondgebied van de van Spanje bevrijde Republiek drie geestesvolkeren: de principiële protestanten, die zich om strikt religieuze redenen hadden afgescheiden van de Rooms-Katholieke Kerk; de humanisten, die zich eveneens hadden bevrijd van ieder gezag van de Rooms-Katholieke Kerk – zij het lang niet altijd om religieuze redenen – én het wat verweesd overgebleven deel van de Rooms-Katholieke Kerk, massaal in het zuiden van het land, boven de rivieren hier en daar verzameld in wat aantal betreft niet te onderschatten enclaves, wier lot met name door de rooms-katholieke historici Gerard Brom, L.J. Rogier en P. Polman O.F.M. boeiend en ontdekkend beschreven is, al zijn hun boeken binnen de gereformeerde volksgroep nauwelijks gelezen.

Ook het omgekeerde is natuurlijk het geval. Toen ik aan Anton van Duinkerken in januari 1966 eens vroeg wat zijn oordeel was over het werk van de gereformeerde historicus H. Algra, antwoordde hij: “Hij is een knap volkshistoricus, maar zijn vaderlandse geschiedenis gaat niet over mijn vaderland.” 2 Dit antwoord valt alleen te verstaan tegen de achtergrond dat er in Republiek en Koninkrijk in feite drie ‘vaderlanden’ werden beleefd en gebouwd: een protestants, een humanistisch en een rooms-katholiek, met al het andere slechts als omgeving en ingeving.

Natuurlijk waren deze drie geestesvolkeren, die ieder hun eigen geschiedenis zouden doormaken, niet steeds door hoge muren en duidelijke grenspalen grimmig gescheiden. Om dat te verstaan behoeft men niet alleen te wijzen op de hedendaagse oecumene, maar is daar ook reeds heel in het begin van de bewogen Reformatieperiode, als symbool van een mysterieuze verbondenheid, de vrijwel nooit in Nederland vertoevende want steeds rusteloos op reis zijnde Rotterdammer, de priesterzoon Desiderius Erasmus (1466-1536).

Altijd bezig met religie en wetenschap, maar beide dienend in een voor die dagen en ook in onze ogen ongewone positie: hij is levenslang trouw gebleven aan de oude moederkerk, die hij nooit verliet, al somde hij in zijn geschriften al haar gebreken op; hij was tevens de erkende leider van de zeer kritische humanisten van zijn en later dagen, die evenzeer Rome als de Reformatie van onverdraagzaamheid voorhielden. Maar vóór alles was hij toch bezield door een, zoals uit al zijn geschriften blijkt, typisch protestantse, door en door bijbelse spiritualiteit, waarin hij troost en vrede vond temidden van alle onvrede van zijn dagen, waarin ook binnen zijn oude vaderland de religieuze en politieke tegenstellingen steeds scherper werden.

Hierbij dient opgemerkt dat tot de orthodox-protestantse volksgroep ook de calvinisten behoorden, die echter nooit meer dan tien procent van de Nederlandse bevolking uitmaakten, en dus weer slechts éénderde van het protestantse volksdeel vormden. Opmerkelijk is dat de calvinisten, ondanks periodieke achteruitzetting en perioden van onderontwikkeld zijn, zowel bij het ontstaan van de natie als in later perioden, een vaak leidinggevende rol hebben gespeeld, zowel op kerkelijk, politiek als wetenschappelijk gebied, terwijl zij daarentegen op esthetisch gebied streng in oordeel, maar zwak van prestatie waren.

De Rooms-Katholieke Kerk werd bij de stichting van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden niet verboden, maar wel ernstig achteruit gezet, en in de uitoefening van de religie ernstig gehinderd: de kerkgebouwen mochten niet op een opvallende plek aan de openbare wegen worden gebouwd – het waren doorgaans zelfs schuilkerken! –, de jonge rooms-katholieken mochten niet aan de Nederlandse universiteiten studeren, en in het leger mocht geen rooms-katholiek de hogere officiersrangen bekleden. Plakkaten met verboden en zelfs verbanningen tegen rooms-katholieke geestelijken werden herhaaldelijk afgekondigd, waarover Polman terecht opmerkt: “Niet onderdrukking, maar beteugeling van het katholicisme zou in de toekomst de strekking zijn der plakkaten.” 3 Wat de verbanning van de Jezuïeten betreft, merkt Polman overigens mild op: “Dat er telkens toch maar weer Jezuïeten waren om zich te laten verbannen, wijst al op een praktijk van tolerantie.” 4

Eerst de invloed van de Franse revolutie heeft aan deze achteruitzetting van de rooms-katholieken in Nederland formeel een einde gemaakt, al zouden zij nog de gehele negentiende en een deel van de twintigste eeuw nodig hebben om hun rechtmatige invloed op de protestanten en de humanisten te herwinnen. Waar rooms-katholieken, humanisten en orthodox-protestanten ook in de negentiende eeuw zozeer gescheiden optrokken, valt te verstaan dat zij ook in de politiek eigen leiders hadden: Groen van Prinsterer, Thorbecke, Kuyper, Schaepman, welke laatste was vooraf gegaan door de jurist J.B. van Son (1804-1875) en apologetische figuren als de notaris-publicist J.G. Le Sage ten Broek (1775-1847) en de Warmonder hoogleraar Cornelius Broere (1803-1860).

Dat ieder van deze geestesvolkeren met eigen splitsingen van doen had, omdat het meer of minder rigoureus beleven van eigen beginselen naar conservatieve of progressieve interpretatie in het geding was, en omdat de actualiteit van bet sociale vraagstuk binnen iedere volksgroep steeds meer aan de orde kwam, is een feit dat tot op vandaag een rol speelt. In deze strijd om de voorrang van geestelijke inzichten en praktijken trachtte, voorzover deze ook politiek aan de orde was, het Huis van Oranje, met een beroep op de verdraagzaamheid, een bemiddelde rol tussen de drie geestesvolkeren te spelen, die tot op vandaag plaats vindt bij de kabinetsformaties. Ook de enige calvinist onder de Oranjes, de Stadhouder-Koning, deed als stadhouder van de Republiek jegens predikanten en regenten, en als koning van Engeland jegens zijn ministers, herhaaldelijk een beroep op de verdraagzaamheid, die hem lief was, en zonder welke geen geestelijke samenleving binnen een natie mogelijk is.

Mij thans bepalend tot enige vragen die de redactie mij heeft voorgelegd, valt allereerst te zeggen dat ieder van deze geestesvolkeren eigen geschiedenis, eigen strijd en ontwikkeling heeft doorgemaakt, maar ook eigen fouten heeft gemaakt, welke laatste voornamelijk voortkwamen uit het doen alsof de beide andere geestesvolkeren niet bestonden.

Dat er in Nederland altijd een openbaar dan wel anoniem antipapisme heeft bestaan kan algemeen bekend zijn; dat gereformeerde predikanten niet altijd verdraagzaam waren heeft Vondel ondervonden, en het heeft in feite tot het tweede Vaticaanse Concilie geduurd eer rooms-katholieken in de protestanten medechristenen konden zien, en ook humanistische waarden erkenden, die Abraham Kuyper voor zijn volgelingen op voorzichtige wijze reeds aanvaardbaar had gemaakt door zijn leerstuk van de gemene gratie. Maar altijd zal verdraagzaamheid een deugd blijven die iedere generatie moet aanleren, en waarvan het in de praktijk brengen oefening vereist. Want ook ándere geestesvolkeren dan waartoe wij zelf behoren, hebben voor hoge beginselen gestreden, ook wanneer zij daar niet altijd trouw aan waren, en van hun strijd kunnen wij ook vandaag veel leren en afleren. Vandaar dat ook de interne geschiedenis van andere nationale en andere geestesvolkeren voor ons waarschuwend en soms hartverwarmend kan zijn.

Vrijwel iedere natie en ieder geestesvolk telt aantrekkelijke én minder achtenswaardige figuren; in elke natie en in ieder geestesvolk ontdekken wij de diep religieuzen en de oppervlakkigen, de sympathieke en de kwade geesten, de bijgelovigen en de denkers, de welovertuigden en de sceptici, de critici en de gerusten, de conservatieven en de progressieven, de meditatieven en de activisten, de relativisten en de fanatici, de hoffelijken en de stuggen, de onverschilligen en de waarheidszoekers, de diplomaten en de openhartigen, de barokken en de puriteinen, de geleerden en de eenvoudigen, de strijdbaren en de vreedzamen, de badinerenden en de ernstigen, de milden en de gestrengen, de twijfelaars en de verzekerden, de optimisten en de pessimisten, de sterken en de zwakken. Kortom: overal is alles.

De historische realiteit van deze geestesvolkeren, die bestaan zolang er in ons land bewuste rooms-katholieken, protestanten en humanisten leven, laat zich niet typeren door de wat vreemde, gewrongen beeldspraak ‘verzuiling’, die meer als strijdbare nickname aandoet dan als een rake typering. Ook de term ‘ontzuiling’ geeft soms meer een politiek en cultureel verlangen weer dan een realiteit. In dit verband is typerend wat de classica en dogmenhistorica mw. prof.dr. C.J. de Vogel in 1939 schreef:

“De zin der kerkgeschiedenis is uiterst moeilijk te begrijpen. Luther heeft den ondergang van de Roomsche Kerk verwacht. Het is niet geschied. De Roomsche Kerk is blijven bestaan. (…) Anderzijds, de Roomsche Kerk, die terecht leert dat de hæresie geen kerkvormende kracht, geen duurzame levensvatbaarheid heeft, verwachtte en verwacht den ondergang van het protestantisme. Het is tot nog toe niet geschied.” 5

Wie zo realistisch is in te zien dat de Rooms-Katholieke en Protestantse Kerken in deze eeuw zware beschadigingen hebben doorstaan, vooral na de Tweede Wereldoorlog, zal daarmee nog niet van mening hoeven te zijn dat ook de rooms-katholieke en protestantse overtuigingen zijn verdwenen of der verdwijning nabij zijn. Voor wat de confessioneel-gereformeerde gezindte betreft, ook deze bestaat nog volop, in diverse kerken en partijen, en laat zijn invloed gevoelen, al wordt deze, evenals in de vorige eeuw nog steeds door velen schouderophalend voorbijgegaan, vaak ook in protestantse kring. Daar sluit op aan dat de humanistische volksgroep aan de rijksuniversiteiten nog steeds overmatig veel invloed heeft, en de historici aan onze rijksuniversiteiten doorgaans weinig kennis hebben van de interne verhoudingen binnen de rooms-katholieke en protestantse gezindten, zoals die in de loop van de eeuwen gegroeid zijn, evenals het ook maar al te waar is dat rooms-katholieke en gereformeerde academici vaak weinig weten van de binnen de humanistische gezindte bestaande sociale, politieke en wijsgerige stromingen.

De beschuldiging van sommige humanistische historici dat de gereformeerde historici zich slechts met de geschiedenis van eigen gezindte bezig houden, is slechts ten dele waar. Een bekwaam historicus met een open blik voor het geheel zal voor de negentiende eeuw zowel Fruin, Nuyens als Groen van Prinsterer hebben gelezen, en voor de twintigste eeuw zowel Huizinga, Gerard Brom als Gerretson. Anders ontkomt men niet aan het gevaar dat men nog zo dikwijls bij de rijksuniversiteiten aantreft: dat men de geschiedenis van de eigen gezindte – bijvoorbeeld de humanistische – voor het geheel aanziet. Een wel zeer ongewenste bijziendheid, waarbij men de interne geschiedenis en de uitstraling daarvan op het geheel van maar liefst tweederde van de bevolking negeert, ja zelfs móet negeren, omdat men die vrijwel niet kent.

Daar staat tegenover dat de geschiedenis van een bepaalde gezindte vaak het best bestudeerd en beschreven kan worden door iemand die tot die gezindte zelf behoort – de humanistische door een humanist, de rooms-katholieke door een rooms-katholiek, de protestantse door een protestant – omdat deze zijn gezindte doorgaans van binnenuit kent, met al zijn waarden en gebreken, mits hij ook van de geschiedenis van andere gezindten die binnen een natie leven, goed heeft kennis genomen. Want wie zich niet steeds het geheel voor ogen stelt, kan ook de delen niet goed historisch analyseren en beschrijven. Het is daarom niet te verwonderen dat de in de Rijks Geschiedkundige Publicatiën uitgegeven Romeinse bronnen voor de kerkelijke toestanden der Nederlanden onder de apostolische vicarissen door een rooms-katholiek zijn uitgegeven en de Briefwisseling van Groen van Prinsterer door gereformeerde historici.

Dat de Vereniging van Christen-Historici zich óók, ja voorál concentreert op de geschiedenis van de eigen gereformeerde gezindte, zowel op kerkelijk, politiek, maatschappelijk als cultureel gebied, is een even nuttige als vanzelfsprekende zaak, maar wederom: mits zij daarbij ook grondig kennis neemt van de geschiedenis van andere protestanten, van rooms-katholieken en humanisten, zoals de VCH mag hopen en verwachten dat historici van andere gezindten kennis zullen nemen van de geschiedenis van de gereformeerde gezindte, en daarover waar nodig ter wederzijdse verrijking met elkaar in gesprek treden.

Kunnen wij de nickname ‘verzuiling’ en van de eschatologische verwachting van de ‘ontzuiling’ nog wat leren? Ongetwijfeld – zoals men van de bestrijding, de beeldspraak en de daarin gelegen spot en ironie van de tegenstanders doorgaans kan leren.

Enerzijds valt op te merken dat de propagandisten van de ‘ontzuiling’ – een vooral in de politiek gebezigde term, evenals destijds het woord ‘doorbraak’ – de zwakheden van de rooms-katholieken en de protestanten zo niet hebben doorzien, dan toch hebben aangevoeld. Onder meer dat de rooms-katholieken wel een eigen overtuiging hadden, maar dat die vaak zeer op een buitenpersoonlijke ultramontaanse autoriteit berustte, al was dit, voor wat de Nederlandse rooms-katholieken betrof, mede het gevolg van de omstandigheden waarin zij sinds de stichting van de Republiek noodgedwongen verkeerden. Maar bovendien, vaak vergetende dat ook het humanisme veelal een huis was en is tegen zichzelf verdeeld (conservatieven en liberalen; VVD contra de PvdA) hebben de humanisten, evenals de rooms-katholieken aan de protestanten hun onderlinge verdeeldheid en toenemende verbrokkeling voortdurend als hun grote zwakheid aangewezen.

Daar staat als groot punt tegenover dat, zoals de humanist het recht heeft zijn eigen politieke en culturele wereld op te bouwen en te bevestigen, ook de rooms-katholieken en de gereformeerden daartoe het recht hebben, evenals de lutheranen, de doopsgezinden, de joden en alle buitenlanders dit in ons land altijd in vrijheid gedaan hebben. Met afwijzing van alle onnodige splijtzucht – vaak als gevolg van tevéél wijsgerige en theologische discussies binnen eigen kring – en onder afwijzing van alle autoriteit die onderlinge gesprekken én die met andere gezindten bemoeilijkt, dient men de vrije bloei van anderer en eigen cultuurklimaat niet tegen te staan maar veeleer te bevorderen, mits men bereid is tot voortgaand gesprek en de nodige samenwerking.

Daarbij dient men te bedenken dat de vraag of en waarom een bepaald geestesvolk een eigen culturele wereld wenst op te bouwen, allereerst door dat geestesvolk zélf dient te worden uitgemaakt, en níet door de tegenstanders, die doorgaans in de strijd om de nationale hegemonie in politieke en culturele zin vaak belang erbij hebben de zelfstandige ontplooiing van een bepaalde volksgroep tegen te staan, ja deze liefst doen verdwijnen. Een bekend woord van Lohman is geweest: “wij zouden hier in Nederland nooit christelijke partijen hebben gekregen, indien de liberalen hier te lande waarachtig liberaal geweest waren.” Maar toen de liberalen dat jegens Groen van Prinsterer níet bleken te zijn, heeft de jonge Lohman zich achter Groen van Prinsterer gesteld, en bleef hij tot zijn dood de samenwerking met andere antirevolutionairen zoeken, omdat hij, afkerig van iedere onnodige versplintering, op het standpunt stond dat de gelovige protestanten hun eigen cultuur dienden op te bouwen en tegen politieke tegenstanders veilig te stellen.

Dat beide grote protestantse partijen zich voor het grootste deel met de rooms-katholieken hebben verbonden in één partijverband, houdt een risico in, en was eerst mogelijk ná het tweede Vaticaanse Concilie, toen het ultramontaanse autoriteitsgeloof aanmerkelijk verzwakt was, en bovendien vele rooms-katholieken en protestanten bij elkaar de ernstige poging tot navolging van het Evangelie hadden bespeurd. Dat echter ook vele protestanten daaraan niet hebben deelgenomen, is hun recht, al valt over de plicht daarvan nader te discussiëren. Eén en ander bewijst echter dat én rooms-katholieken én protestanten – waaronder vele gereformeerden – wel degelijk geluisterd hebben naar de kritiek van hun tegenstanders: te waken tegen autoriteitsgeloof en onnodige verdeeldheid in de politiek. Wat dat betreft zijn de rooms-katholieken, de antirevolutionairen en de christelijk-historischen gedurende de afgelopen jaren in staat geweest tot een samenbindende hergroepering der partijen, waartoe de grote progressieve politieke partijen niet in staat zijn geweest, met uitzondering dan van de extreem-linkse flank.

J.R. Slotemaker de Bruïne. Bron Wikimedia

J.R. Slotemaker de Bruïne. Bron Wikimedia

Maar het verdwijnen van bepaalde rechtse of linkse instituten betekent echter nog niet – en men wachte zich voor dit gezichtsbedrog! – dat ook de overeenkomende overtuiging is verdwenen: wat dat betreft is de term ‘ontzuiling’ evenzeer misleidend als de term ‘verzuiling’! Ik voeg daar veeleer aan toe dat dit alles in de Europese Gemeenschap evenzeer zijn eigen perspectief krijgt. Want de nu wel noodzakelijke bezinning binnen nationaal verband over de crisis binnen de Partij van de Arbeid en de altijd te stellen vraag hoe de christelijke waarden binnen Nederland en daarbuiten moeten worden gediend en bewaard, dienen zowel historisch als maatschappelijk en cultureel thans ook met klem binnen Europees verband, ja zelfs op wereldniveau, te worden gesteld vooral na het wegvallen van het communistisch machtscentrum. Dit is een even zware als uitdagende, maar ook verheven taak, die wij niet kunnen volbrengen zonder op onze nationale geestesbronnen te letten. Ook hier geldt het woord van de christelijk-historische theoloog, politicus en sociale voorman J.R. Slotemaker de Bruïne, die op diezelfde reeds door mij genoemde 10de mei 1940 tot het Nederlandse volk en de Duitse bezetting sprak:

“Wij zeggen tot ons volk: neem ons, zooals wij zijn; en zij zijn volslagen te uwen dienste. Vraag ons niet, ter wille van de volkseenheid het heiligste, dat wij bezitten, buiten bet openbare leven te plaatsen; gij zoudt daar uw volk meer verarmen en gij zoudt ons aandeel in den bouw van het volk daarmede verzwakken. Ter wille van ons volk; let wel, ter wille van ons volk: neem ons zooals wij zijn!” 6

Dit geldt een halve eeuw later in gelijke zin ook van de confessioneel-gereformeerden, ’t zij zij in een ruimer kerkverband optreden dan wel in de politiek of in de wetenschap. Wij zijn niet beter dan anderen, maar hebben onze geestelijke schat te bewaren, zoals de anderen de hunne! Wij zijn tot veel bereid, maar niet tot de biecht: “Excuus dat wij bestaan.” Wij zijn ook als gereformeerd historici bereid ons volk tot ver buiten onze grenzen te dienen, maar gevoelen niets voor een gelijkschakeling die neerkomt op uitschakeling van onze overtuiging en geschiedenis. Daarbij geeft de historie in kerk en staat één ding duidelijk aan: wij gereformeerden zijn zowel bereid met anderen samen te werken, als in staat eigen weg te gaan, omdat wij een eigen overtuiging hebben, die wij onder geen beding willen prijs geven of verzwijgen. En onze overtuiging heeft binnen en buiten ons land eigen geschiedenis gemaakt, zowel wanneer wij deelnamen aan het beleid van een meerderheidsvorming als wanneer wij in de minderheid in isolement bleven.

Tot slot: het zou onjuist zijn er niet aan te herinneren dat de hier genoemde grote drie ‘gezindten’ ook hun momenten van onderling begrip hebben gekend, die treffend en voorbeeldig waren. Ik denk allereerst aan een bekentenis van de grote rooms-katholieke culturele ambassadeur van de negentiende eeuw, J.A. Alberdingk Thijm (1820-1889) in zijn schrijven van 27 augustus 1862 aan Groen van Prinsterer, nadat zij elkaar in hun brieven eerst wederzijds harde waarheden hadden voorgehouden: “Bij den staat van den godsdienstzin in de verschillende landen, moet ik u bekennen, dat wij, katholieke Hollanders, ons veel meer thuis gevoelen, hier, temidden van massaas ongeloovigen en in het gezelschap van uwe geloofsgenoten, dan ergens elders, waar het land katholiek heet.” 7

Als tweede van de vele goede momenten noem ik de gelukwens die Lohman aan Schaepman schreef bij diens vijfentwintigjarig priesterjubileum. Op 14 augustus 1892 opende hij zijn felicitatiebrief aan Schaepman met de woorden: “Mag ook ik u mijn gelukwenschen aanbieden op dit feest? Mag ik het in oprechtheid doen? Mijne voorvaderen zouden gewisselijk gezegd hebben: neen. Doch ik kan het daarin met hen niet eens zijn.” Op 17 september opende een erkentelijke Schaepman zijn bedankbrief aan Lohman met de opmerkingen: “Ik wil u niet verbergen, dat ik op een woord van u hoopte, zelfs rekende. Met dat al was het toch een mijner beste oogenblikken toen ik uw handschrift zag. Wat het brengen zou, wist ik wel.”

Ik denk verder aan de wijze waarop de antirevolutionaire minister Colijn, ondanks zware tegenstand, in 1935 de benoeming van de humanist Geyl te Utrecht tot hoogleraar in de geschiedenis bevorderd heeft. Er was vanaf de literaire faculteit tot aan de koningin toe zoveel verzet tegen Geyls benoeming, dat hij zonder Colijns hulp geen kans gemaakt zou hebben. 8 Voorts is daar gedurende de laatste oorlog in het gijzelaarsoord van St. Michielsgestel de edele, wat verstilde Huizinga, die steeds op de eerste rij gezeten, de lezingen over de vaderlandse geschiedenis aanhoorde van de gereformeerde H. Algra, en hem aan het einde van iedere lezing de hand reikte, zoals de ouderling de dominee na de dienst. De verfijnde christen-humanist Huizinga, die wel een geheel andere opleiding had genoten dan Algra, die een autodidact was, zal zeker zijn kritiek hebben gehad op Algra’s lezingen, en veel anders hebben gezien, maar hij vereerde Algra met zijn aanwezigheid, luisterde aandachtig naar diens geheel eigen gereformeerde visie op de Nederlandse geschiedenis, en drukte hem na afloop van iedere lezing de hand als teken van gemeenschappelijke verbondenheid met het terneergeslagen en in boeien gevatte vaderland. 9

Maar het grootste teken van stimulering is en blijft voor mij de brief die de grote liberale Leidse historicus Robert Fruin aan Abraham Kuyper schreef op 7 december 1880, na de opening van de Vrije Universiteit. Kuyper was eens leerling van Fruin geweest. maar de appel was wel ver van de Leidse boom gevallen, want de leerling was sinds zijn Leidse jaren in kerk en staat geheel eigen wegen gegaan, aangezien hij de enige ‘Leidenaar’ is geweest die – o onbegrijpelijke hoogmoed in de ogen van vrijzinnig Nederland! – een eigen universiteit heeft gesticht.

Robert Fruin. Bron Wikimedia

Robert Fruin. Bron Wikimedia

De brief die Fruin aan Kuyper schreef bevatte echter geen afkeuring over wat velen vandaag een impertinente daad van ‘verzuiling’ zouden noemen, zelfs geen vermaan of waarschuwing, maar enkel een nobele aanmoediging, voortkomend uit het begrip van een leermeester die verstond dat de ware leerling en goede academicus, als het moet, een eigen weg gaat. Daarom kan deze nog steeds niet algemeen bekende brief van Fruin in Nederland nooit genoeg herdrukt en gelezen worden, omdat deze niet alleen een voorbeeld is van edele vrijzinnige verdraagzaamheid, maar ook van de erkenning dat het calvinisme het recht en zelfs de plicht heeft om zich, nee niet onder, maar náást de humanisten in ons land een plaats te veroveren en te handhaven, en ervoor te zorgen dat de natie – het zijn Fruins eigen woorden – niet indommelt.

Fruin schreef aan Abraham Kuyper:

“Ik voor mij hunker naar tegenspraak, en hoe klemmender hoe liever: zoo scheid ik het onjuiste van het juiste in mijn voorstelling en word te vaster van de waarheid overtuigd. Om die reden verheug ik mij van ganscher harte in het reveil van de katholieke zowel als van de calvinistische antirevolutionairen. Want actie wekt reactie, en bij de modernen is de geestkracht na de behaalde overwinningen erg verzwakt. Zonder den prikkel der concurrentie loopen wij gevaar in te dommelen, en dat is het treurigst wat aan een partij, aan een natie, overkomen kan. Prevalebit veritas. Daarvan zijn wij allen overtuigd. Gij niet minder dan wij. Een ieder verdedige zijn zienswijze met alle kracht; namelijk met kracht van woorden, niet met den sterken arm. De dwaling alleen zal in den drang onderliggen, wat waar is in elks meening loopt geen gevaar. Zoo zie ik dan ook met vreugde het oprichten eener calvinistische universiteit aan en ik hoop van ganscher harte dat zij zich staande zal houden. Waren er in uw partij maar meer mannen van uw vuur en uw kracht.” 10

Fruins woord is het beste Leidse propagandawoord dat in de vorige eeuw ten bate van eigen calvinistische wetenschapsbeoefening geschreven is. Dat wij dit in onze eeuw niet vergeten, maar standvastig in praktijk mogen brengen!

Jaargang 04 (1993) No 2 (notenapparaat ontbreekt in deze webversie)