Van Burckhardt tot Burke: troost en pretentie van de cultuurgeschiedenis

Friedrich Nietzsche Geen mens valt samen met het ogenblik waarop hij leeft. Het heden gaat altijd gepaard met de herinnering aan het ervarene en met de verwachting van wat morgen of overmorgen, met Kerstmis of volgend jaar zomer staat te gebeuren. Deze schaduw die de mens met zich meedraagt, is gelijktijdig de rijkdom van de menselijke geest.

De filosoof Friedrich Nietzsche heeft daarover in zijn beschouwing Vom Nutzen und Nachteil der Historie für das Leben (opgenomen in de Unzeitgemäße Betrachtungen 1874-1877) dingen gezegd die tot nadenken stemmen. Waarom laat Nietzsche ons nadenken? Omdat hij het niet los kunnen laten van het verleden als een onafscheidelijke begeleider van het menselijk bestaan beschouwt, als een last, onder het gewicht waarvan een mens kan bezwijken. Het leven als bestaan in verschillende tijden, kan als zware, maar evengoed als grote rijkdom van het leven worden gezien. Ook Nietzsche ziet het bewustzijn van het verleden niet eenzijdig als iets negatiefs. Hij werkt in zijn beschouwing naar een in zijn ogen gezonde omgang met het verleden toe en daagt zijn lezers uit om de arena van het debat over het nut en het gevaar van het historisch bewustzijn voor het leven te betreden.

Friedrich Nietzsche. Bron Wikimedia

Friedrich Nietzsche. Bron Wikimedia

De denker Wilhelm Dilthey heeft onze manier van interpreterend begrijpen (verstehen) van wat we waarnemen verduidelijkt met behulp van de veranderingen in het beeld van het eigen leven. Geen mens zal ooit zijn/haar leven als een kille keten van oorzaken en gevolgen beschrijven, maar altijd een samenhang tussen de afzonderlijke voorvallen aanbrengen. Deze samenhang tot een zinvol (eventueel: negatief) verband verandert samen met het veranderen van het leven van diegene die het leven probeert te overzien. Zo kan een gebeurtenis in relatie tot de ouders (veroordeling van hun gedrag op zeker moment) op een ander moment (van meer levenservaring) tot begrip en verzoening leiden. Wanneer een mens zelf voor de taak staat om kinderen op te voeden is de vergelijking met de praktijk van de eigen ouders onvermijdelijk.

Wanneer wij ons het verloop van een dag uit ons leven voor de geest halen en vooral op dagelijkse patronen binnen het gebeuren letten, dan beseffen we hoe vaak het verleden in het heden wordt geactualiseerd. Voor de supermarkt ben ik een ogenblik lang getuige van een gesprek dat een ouder echtpaar met een eveneens oudere vrouw voert. Het gesprek gaat over ellende van ziekte en narigheid in vroeger jaren. De supermarkt zelf blijkt eveneens een geliefd oord voor het vertellen van levensverhalen te zijn. Een vrouw uit mijn buurt schiet mij aan en leidt het gesprek van de prijs der aardbeien naar de klusjes die haar overleden echtgenoot altijd zo trouw deed. Ze vertelt me ook dat ze zo graag de romans van Emile Zola over het Parijs van de negentiende eeuw leest.

Thuisgekomen verdiep ik mij in het nieuwsblad van de ‘Fontane-Gesellschaft’ en zie dat ik niet de enige ben die zich met het werk van de negentiende-eeuwse hofprediker Emil Frommel bezig houdt. Daama ga ik de roman van Justin Cartwright over het verzet tegen Hitler lezen. Wanneer ik in de informatie over Cartwrights leven lees dat hij in Johannesburg heeft gewoond, dwalen mijn gedachten af naar mijn eigen Johannesburgse studietijd en stel ik mij de vraag of ik Cartwright ooit op de campus van de universiteit heb ontmoet.

Een enkele dag bevat niet alleen vele andere dagen maar ook een grote hoeveelheid verrassende vragen: vragen uit het verleden die tot in het heden reiken. Maar de vragen uit het heden slaan ook bruggen naar de antwoorden uit het verleden. Om dat proces te beschrijven en te beoordelen zijn vakbekwame historici nodig. Hoe kunnen wij dat permanente leentjebuur spelen van heden en verleden zo benaderen dat we op het vlak van de theorie grond onder de voeten krijgen? Dat is de kernvraag van dit essay.

Ik ben begonnen met Nietzsche, een denker die ook verder in mijn bijdrage een aanstootgevende rol speelt. In het volgende stuk ga ik in op het werk van Burckhardt en Huizinga. Gewapend met hun inzichten signaleer ik de gevaren en de mogelijkheden in de omgang met het verleden. Vervolgens laat ik me aan de hand van Peter Burke door de verschillende opvattingen van cultuurgeschiedenis leiden om met behulp van bepaalde gedachten van Nietzsche over de kritische geschiedbeschouwing tot een conclusie te komen…

Transparant 13.1 (februari 2002) 4-9

Download het complete artikel (Pdf)

Jaargang 18 (2007) No 4 – themanummer religie, kunst en geschiedenis