Vaderlandsliefde en natiebesef bij Isaäc da Costa

De schrijver en dichter Isaäc da Costa (1798-1860) verkeerde in de bijzondere positie te behoren tot twee uitverkoren volken – namelijk Israël, het vaderland van zijn voorouders en Nederland, Gods tweede Israël, waarmee hij zich op grond van zijn geboorte en bekering diep verbonden voelde. Zijn gevoelens en denkbeelden over de beide naties ontwikkelden zich tijdens zijn leven in overeenstemming met zijn religieuze en politieke opvattingen.

Isaac_da_Costa

Isaäc da Costa. Bron Wikimedia

Zo zien wij de jonge Da Costa als een geassimileerde jood passend in de joodse Verlichting en vervolgens, in een sterk contrast, als een romanticus pur sang diep betrokken bij zijn glorierijk joods voorgeslacht. Later herkennen we de bekeerde christenjood die in Nederland een tweede uitverkoren volk omhelst en haar geschiedenis beschrijft naar de beste traditie van de gereformeerde geschiedschrijving tijdens het ancien régime. Bij die traditie past ook de Orangist Da Costa. De oudere Da Costa tenslotte blijkt een zowel vurig als mild persoon, die zijn gevoelens ten opzichte van de beide naties steeds sterker plaatste in de eschatologie van het toekomstig hemels vaderland.

Nieuw tijdperk

Isaäc da Costa werd geboren aan het begin van een nieuw tijdperk in de geschiedenis van West-Europa. De Franse Revolutie gaf Nederland een nieuwe staatsinrichting en een nieuw rechtsbestel, gebaseerd op de idealen van de Verlichting: de vorst regeerde op basis van een grondwet. Een grondwet die tevens borg stond voor de vrijheid en gelijkheid van alle burgers en een einde maakte aan de privileges van bepaalde bevolkingsgroepen.

Voor de joodse gemeenschap betekende dit het einde van haar wettelijk isolement. De joden kregen dezelfde rechten en ontplooiingsmogelijkheden als andere inwoners van Nederland. Deze gelijkschakeling bleek echter ook een bedreiging voor het eigen karakter van de joodse gemeenschap als uitverkoren volk van God.

Ook gereformeerd Nederland werd bedreigd. Het lidmaatschap van de gereformeerde kerk was eeuwenlang voorwaarde voor een volwaardig burgerschap. In de nieuwe staat verloor de gereformeerde kerk haar bijzondere positie. Godsdienst werd een privézaak. De in de eeuwen vóór de Franse Revolutie zo gangbare opvatting over de gereformeerde godsdienst als wezen van de Nederlandse natie boette in aan betekenis: de nieuwe grondwet baseerde zich immers niet op geloof en traditie, maar op rationele ordeningsprincipes.

Da Costa wierp zich op voor het behoud van de identiteit van Nederland en Israël. Het betekende een sterk verzet tegen de gevolgen van de Franse Revolutie, die de aard van beide naties in hun diepste wezen, namelijk de uitverkiezing door God, aantastten.

De joodse intellectueel

De jonge dichter Da Costa gaf in zijn vroegste dichtwerken, zoals “De verlossing van Nederland” reeds blijk van een nationale binding met Nederland. De basis hiervan was echter sterk rationeel. Het paste in het gedachtegoed van de Verlichting: het eigen land als een gebied waarin het individu zich maximaal kon ontplooien. Da Costa stond daarmee in de traditie van de joodse Verlichting, waarin emancipatie en assimilatie een belangrijke rol speelden. 1

De vroege dichtwerken van Da Costa tonen dan ook het karakter van de Nederlandse natie als gevormd door de vrijheidszin, moed en eendracht van haar inwoners: de Nederlanders als afstammelingen van heldhaftige voorouders die de strijd aangingen met de Spaanse tiran. Een strijd die te vergelijken was met de strijd tegen de Franse overheersing in de eigen tijd. 2 Uit de uitdrukkingen in zijn dichtwerken blijkt de navolging van het klassieke ideaal. Woorden als wraak, roem, moed, en het opvoeren van een “Teed’re vrouwenschaar” 3 als een koor in een klassieke tragedie wenend op de achtergrond, zijn hiervoor illustratief.

De jonge romanticus

Aan de invloed van zijn leermeester, de contra-revolutionaire romanticus Willem Bilderdijk, was het te danken dat Da Costa’s gedichten over zijn vaderland een emotionele lading kregen. Deze gevoelens richtten zich aanvankelijk niet op Nederland maar op de Israëlische natie. Bilderdijk ontwikkelde bij Da Costa het besef bij het joodse volk te horen.

De dichterlijke weerslag van deze gevoelens vindt men in het dichtwerk “De tocht uit Babel”, 4 waarin Da Costa de geschiedenis van de sefardische joden vertelt: nazaten van enkele joods-aristocratische geslachten trokken na de verwoesting van de tempel en de stad Jeruzalem door de Babyloniërs weg en vonden uiteindelijk een tweede vaderland op het Iberisch schiereiland. Met deze westerse joden identificeerde Isaäc da Costa zich. Het was zijn overtuiging dat God bij hen de eer van het joodse volk en het huis van David zou herstellen.

“U is hij, Juda! aan uw kroost,
de harde ballingschap ten troost,
door de almacht Gods beschoren!
Hier wordt de koninklijke staf,
dien God u tot een erfgoed gaf,
met de ouden roem herboren.” 5

Uit het veelvuldig gebruik van het woord “ons” en de directe beschrijving van de gebeurtenissen blijkt een diep besef van verbondenheid met het voorgeslacht.

“In ’t verre Westen neergezeten,
op d’ons door God bestemden grond,
zal Judaas kroost welhaast vergeten,
dat er een Babel ooit bestond!” 6

Da Costa riep zijn volksgenoten op om trouw te blijven aan de eigen identiteit, zodat God hen op de “langgewenschte dag”, de dag van het eerherstel van Israël, trouw aan hun afkomst zou vinden. 7

De christenjood

De joodse historicus J. Meyer kent Da Costa’s gevoelens voor het joodse volk zo’’n grote rol toe dat hij in dit joods nationalisme, gecombineerd met Da Costa’s grenzeloze bewondering voor Bilderdijk, de belangrijkste drijfveer meent te zien voor zijn overgang tot het christendom. Het verlicht joods milieu bood geen ruimte voor de romantische gevoelens die Da Costa voor zijn volk koesterde. Dit gebrek aan herkenning dreef hem in de armen van het christendom, zoals dat werd beleden in de kringen rond Bilderdijk. In dat geloof speelde nationale gevoelens over een uitverkoren volk wél een rol. Da Costa vond daar een surrogaat voor zijn gefrustreerd joods nationalisme: “… en aan zijn naïef gemoed ontwringt hij de fictie van “Nederland, het Israël van het Westen”.” 8

Meyer negeert echter Da Costa’s religieuze motieven voor zijn bekering. Bovendien blijkt dat na zijn bekering tot het christendom Israël voor Da Costa niet heeft afgedaan als uitverkoren volk. Fel verweerde hij zich tegen de opvatting dat de christelijke kerk de plaats van Israël als uitverkorene zou hebben ingenomen. Het heil was uit de joden en daarom was het zaak voor de joden om hun eigen identiteit te bewaren. In het gedicht “Israël” dicht hij hen toe:

“Gij voert dat heilig bloed in de aderen,
met wien de Heer verbonden sloot,
en, hoe vervallen van uw vaderen,
nog zijt gij door uw afkomst groot!
U noemde God Zijn uitverkorene,
Zijn volk, Zijn deel, Zijn schat op aard’,
Zijn lieveling, Zijn eerstgeboren…
O! worden we dien heilnaam waard!” 9

De joden bleven Gods uitverkoren volk. Bovendien deed Da Costa afstand van zijn eng sefardisch bewustzijn. Hij schreef: “Ik bleef toch wel (neen ik werd eerst recht) Israëliet, toen ik, door de genade mijner Vader en God en Zaligmaker, mij Christen beleed.” 10 Vanuit Israël verwachtte Da Costa het heil van de wereld. Als Israël zich zou bekeren tot het christendom, zou er een nationaal herstel plaatsvinden. In het herstelde Israël zou God Zijn zegen en heerlijkheid over de aarde verspreiden.

In het joods nationalisme van Da Costa was echter een speciale plaats ingeruimd voor Nederland. Nergens op de wereld hadden de joden “…eene zoo verkwikkende herbergzaamheid gevonden, als in dit eenmaal van de God van Israël zoo ruim gezegende hervormde land.” 11 Bovendien verbond Gods uitverkiezing de beide naties: zoals Israël werd bevrijd uit het diensthuis Egypte, zo werd Nederland bevrijd van de Spaanse tirannie. De God van Israël was tevens de God van Nederland en beide naties kregen een eigen plaats in Gods heilsgeschiedenis. 12

De gereformeerde geschiedschrijver

Da Costa aanvaardde Nederland als een tweede Israël. Hij stond daarmee niet zozeer in een joodse traditie, maar sloot aan bij de gereformeerde geschiedschrijving van vóór de Franse Revolutie, waarin het wedervaren van het Nederlandse volk werd vergeleken met dat van het volk Israël. De zeventiende en achttiende eeuwse geschiedschrijvers konden daarbij in de gebeurtenissen van alle dag Gods bijzondere zorg voor Nederland aanwijzen: de gereformeerde kerk was de enige kerk in Nederland; binnen de Nederlanden stonden de Oranjes als stadhouders pal voor het rechte geloof tegen de rekkelijke regenten en de katholieke dreiging binnen en buiten Nederland; en rampen en tegenspoed vloeiden rechtstreeks voort uit ongehoorzaamheid aan God.

Da Costa leefde in een ander tijdperk. De Franse Revolutie had een staat gebracht die rustte op liberale beginselen. De Gereformeerde Kerk was niet langer de staatskerk en de legitimatie van de Oranjes – hoewel nu koningen – vond haar basis in een grondwet die door mensen was opgesteld. Da Costa’s opvattingen over NederlandsIsraël berustten dientengevolge op een geïdealiseerde toestand uit het verleden en vormden een ideologie als richtlijn voor gewenste veranderingen in de eigen tijd.

De basis voor Da Costa’s ideologie vinden we in de brochure De ideeën van 1573 aan Nederland herinnerd. Da Costa legt uit hoe de bijzondere verhouding tussen God en Nederland tot stand kwam: Willem van Oranje sloot voor de zaak van Nederland een verbond met God, waarin God “… de kerk van Christus met Nederlands volk en Nassaus prinsenstam verbinden wilde tot een drievoudig snoer, hetwelk niet licht verbroken worden zoude.” 13 In dit verbond werd Nederland uitzonderlijk begenadigd omdat haar kerk door God werd uitverkoren. Oranje kreeg de roeping om de kerk van Nederland te beschermen.

Da Costa was dan ook van mening dat de Tachtigjarige Oorlog veel verschillende oorzaken leek te hebben, maar dat het eigenlijke doel door God gegeven was “… de vestiging van een machtig bolwerk der Hervorming, van eene plaatse der vasten veiligheid voor de kerk van Christus als een afgezonderd Israël onder de christenheid.” 14 Zoals Israë1 als middelpunt zou fungeren bij de vestiging van Gods heil op aarde, zo had Nederland zijn functie als centrum vanwaar de ware leer verkondigd zou worden.

Aanvankelijk zien we bij Da Costa een geloof in de superioriteit van Nederland. Als Nederland zich zou bekeren tot het oude verbond, zou die uitverkiezing zichtbaar worden. In het gedicht “Geestelijke wapenkreet” gaf Da Costa uiting aan deze hoop:

“0, Nederland!, Gij zult eens weêr
Het Israël van ’t Westen worden!
God zal uw kerk met licht omgorden
uw koningen met Davids eer.”
Da Costa ging zelfs zover dat hij dichtte:
“Nog eenmaal zal zich alles buigen
voor Holland onder Jesses vaan.” 15

In de loop van de tijd werd zijn toon echter wat bescheidener. In 1831 schrijft Da Costa dat “Nederland onder alle volken het uitnemendst geschikt is om, wederom als vanouds door en voor ware godsdienst, vaderlandsliefde en onderdanentrouw zoo al niet groot, tenminste onafhankelijk, geacht, en geëerbiedigd te worden.” 16 Op oudere leeftijd nam Da Costa zelfs afstand van de gedachte dat Nederland superieur zou zijn aan de andere volken. In die leeftijdsfase neemt het hemels vaderland inmiddels een uitgesprokener plaats in naast het Nederlands en het Israëlisch vaderland. Hij voegt in 1858 een nieuw couplet toe aan de in 1829 geschreven kerst- en nieuwjaarsintreêgezangen, waarin Nederlands herstel als Gods verbondsvolk onder de natiën werd bezongen:

“Ja komen zullen deze tijden
van licht en heerlijkheid na lijden
doch bij geen enkel volk bepaald.” 17

Da Costa’s opvatting over de geschiedenis van Nederland veranderde echter niet. Het verbond dat God met Nederland en Oranje had gesloten bleef het wezen van de natie. De ideeën van de Verlichting en de Franse Revolutie vormden daarom de grootste bedreiging voor Nederland, het “erfgoed der vaderen.” Deze denkbeelden – de goden dezer eeuw, zoals Da Costa ze noemde – tastten immers de rechte leer, het voetstuk van de kerk en daarmee het wezen van de Nederlandse natie aan.
Aanvankelijk verzette hij zich daarom tegen alle verandering die de Franse Revolutie met zich mee had gebracht. De oudere Da Costa neemt echter afstand van deze contra-revolutionaire opvatting. Als anti-revolutionair is zijn strijd niet meer gericht tegen het feitelijke verloop van de geschiedenis, maar tegen de revolutionaire en verlichte geest van de tijd. In 1848 betoonde hij dan ook instemming met de verregaande grondwetswijzigingvan Thorbecke. Deze tastte niet de basis van de Nederlandse natie aan. De natie bleefvoor hem protestants christelijk onder Oranje, als vrucht van de door God beschikte geschiedenis. De ideeën van de andersdenkenden bleef hij echter met vuur en zwaard bestrijden. Met name in zijn gedichten klinkt deze overtuiging hartstochtelijk door:

“Zij zullen het niet hebben,
ons oude Nederland
Het bleef bij alle ellenden
Gods en der vaadren pand!
Zij zullen het niet hebben
de goden van den tijd!
Niet om hun erf te wezen
heeft God het ons bevrijd!” 18

De Orangist

De liefde voor het geslacht Oranje kreeg Da Costa naar eigen zeggen mee in zijn opvoeding. 19 In zijn vroegste gedichten bezingt hij reeds de grote daden van de Oranjehelden. Na zijn bekering tot het christendom worden de Oranjes voor Da Costa in de eerste plaats Gods helden. De bescherming van de rechte leer in Nederland en Europa was hun roeping. De Europese taak werd vooral vervuld door de koning-stadhouder Willem III, die daarom met Willem de Zwijger een bijzondere plaats innam bij Da Costa. Naast heldhaftigheid en moed werd, vanwege hun taak de rechte leer te beschermen, de deugd van vroomheid het meest gewaardeerd. In het laatste gedicht van Da Costa, “De slag bij Nieuwpoort”, beschreef Da Costa de moed en krijgskunde van Maurits. De doorslaggevende factor in de strijd was echter Gods beslissende rol. De overwinning voor Maurits was gelegen in diens vrees voor God:

“’t Geheim van alle zegen
(Oranje en Neêrland! hoor ’t)
is in Gods vrees gelegen
Zijn dienst, Zijn gunst, Zijn woord!” 20
De held van Nieuwpoort wist dit en daarom laat Da Costa het gedicht eindigen met de woorden:
“Met wapperende veder
Keert Maurits’ ruiterij van ’t eenzaam slagveld weder.
Geen vijand zag zij meer op dees haar laatste rid!
maar d’overwinnaar in het stof gelegen, bidt!” 21

De Oranjevorsten van zijn eigen tijd brachten Da Costa veel teleurstelling. Koning Willem I trouwde een katholieke vrouw. Zijn aanbeden held koning Willem II sympathiseerde met het katholicisme en leek daarom ongeschikt voor zijn taak de rechte leer en het wezen van de natie te beschermen. Aan koning Willem III werd in tegenstelling tot zijn vader – de held van Waterloo – zelfs geen enkel gedicht meer gewijd. Tijdens zijn regering uitte Da Costa in een brief gewijd aan het verval van Nederland zijn diepe teleurstelling: “En Oranje, eenmaal het ultimum refugium, de kleur des lichts, als alles aan de horizon donker was!” 22 Oranje leek zijn roeping te zijn vergeten en zoals Da Costa Nederland opriep om terug te keren tot God, zo riep hij Oranje op zijn roeping als beschermer van de rechte leer te herinneren.

Dichter en politiek denker

Zo zien wij de vurige jonge dichter groeien tot de diep emotionele maar door de ervaring wijs geworden profeet Da Costa. Hij verlangde naar de dag dat Israël zich zou bekeren tot het christendom, en opnieuw het centrum van Gods heil op aarde zou worden. De Nederlandse natie riep hij op om terug te keren tot het verbond dat God met zijn kerk en het huis van Oranje gesloten had. Dan zou Nederland het middelpunt worden vanwaar de heilsboodschap aan de rest van de wereld verkondigd werd. Beide volken stonden zo in dienst van het komend Godsrijk waarnaar Da Costa naarmate hij ouder werd steeds sterker verlangde.

Zo zien wij eveneens de contra-revolutionair veranderen in de anti-revolutionair Da Costa. Met zijn denkbeelden omtrent Nederland als een tweede Israël sloot hij aan bij het gereformeerde natiebesef uit de eeuwen vóór de Franse Revolutie. Was echter ooit het gereformeerd natiebesef een bevestiging van het heden en het verleden, Da Costa’s denkbeelden vormden een ideaal dat opnieuw verwezenlijkt moest worden. Aanvankelijk streefde Da Costa naar een volledig herstel van oud-Nederland. Als anti-revolutionair was het hem echter te doen om het geestelijk herstel. Zijn idealen vormden daarbij een richtlijn voor praktische politiek.

Noten

  1. J. Meyer, Isaäc da Costa’s weg naar het christendom (Amsterdam 1946), 57.
  2. J.P. Hasebroek (ed.), Da Costa’s kompleete dichtwerken I (Arnhem 1870), 23.
  3. J.P. Hasebroek (ed.), Da Costa’s kompleete dichtwerken I (Arnhem 1870), 6.
  4. J.P. Hasebroek (ed.), Da Costa’s kompleete dichtwerken II (Arnhem 1870), 71.
  5. J.P. Hasebroek (ed.), Da Costa’s kompleete dichtwerken II (Arnhem 1870), 80.
  6. J.P. Hasebroek (ed.), Da Costa’s kompleete dichtwerken II (Arnhem 1870), 75.
  7. J.P. Hasebroek (ed.), Da Costa’s kompleete dichtwerken II (Arnhem 1870), 82.
  8. J. Meyer, Isaäc da Costa’s weg naar het christendom (Amsterdam 1946), 110.
  9. J.P. Hasebroek (ed.), Da Costa’s kompleete dichtwerken II (Arnhem 1870), 127.
  10. I. da Costa, Israël en de volken. Overzicht van de geschiedenis der joden tot op onze tijd (Haarlem 1873-2), xi.
  11. I. da Costa, Israël en de volken. Overzicht van de geschiedenis der joden tot op onze tijd (Haarlem 1873-2), 440.
  12. J.P. Hasebroek (ed.), Da Costa’s kompleete dichtwerken II (Arnhem 1870), 202.
  13. I. da Costa, De verbondsverklaring van 1573 aan Nederland herinnerd (Amsterdam 1831), 6.
  14. I. da Costa, Slotrede eener reeks van voorlezingen gehouden in 1831-1832 over de geschiedenis van het vaderland (Amsterdam 1832), 13-14.
  15. J.P. Hasebroek (ed.), Da Costa’s kompleete dichtwerken II (Arnhem 1870), 190.
  16. I. da Costa, Ontwerp van voorlezingen over vaderlandse geschiedenis en taal (Amsterdam 1831), 8.
  17. J.P. Hasebroek (ed.), Da Costa’s kompleete dichtwerken II (Arnhem 1870), 206.
  18. J.P. Hasebroek (ed.), Da Costa’s kompleete dichtwerken III (Arnhem 1870), 105.
  19. G. Groen van Prinsterer (ed.), Brieven van mr. Isaäc da Costa I (Amsterdam 1872), 273.
  20. J.P. Hasebroek (ed.), Da Costa’s kompleete dichtwerken IV (Arnhem 1870), 144.
  21. J.P. Hasebroek (ed.), Da Costa’s kompleete dichtwerken IV (Arnhem 1870), 145.
  22. G. Groen van Prinsterer (ed.), Brieven van mr. Isaäc da Costa III (Amsterdam 1872), 243.

 

Literatuur

J.C. Boogman, ‘Enkele aspecten van het Nederlandse natiebesef in historisch perspectief’ in Oost-West. Tijdschrift ter voorlichting over de Oost-West verhouding 5 (1966) 75-80.
J.C. Boogman, ‘Kanttekening bij de geschiedenis van het nationalisme in Europa’ in Nationalisme in de derde wereld (Assen 1970) 9-23.
C. Huisman, Neêrlands Israël. Het natiebesef der traditioneel gereformeerden in de achttiende eeuw (Dordrecht 1983).
E.H. Kossman, De Lage Landen 1780-1940. Anderhalve eeuw Nederland en België (Amsterdam 1976).
J. Meyer, ‘De Heer van het joodse Teisterband’ in Zij lieten hun sporen achter. Joodse bijdragen tot de Nederlandse beschaving (Utrecht 1964) 104-116.
J. Meyer, Erfenis der Emancipatie. Het Nederlandse jodendom in de eerste helft van negentiende eeuw (Haarlem 1963).
J. Meyer, Isaäc da Costa’s weg naar het christendom (Amsterdam 1946).
J. Meyer, ‘Van Teisterband tot Tsion. Het joodse dichterschap van Isaäc da Costa’ in Waar wij ballingen zijn. Essays over joodse letterkundigen in Nederland (Den Haag/Rotterdam 1968) 11-23.
H. Smitskamp, ‘Christendom en modern nationalisme’ in Christendom en nationalisme (Den Haag 1955) 125-135.
H. Smitskamp, ‘Ontstaan en ontwikkeling van het modern nationalisme’ in Christendom en nationalisme (Den Haag 1955) 111-124.

Bronnen

I. da Costa, Bezwaren tegen den geest der eeuw (Leiden 1823).
I. da Costa, Geestelijke wapenkreet (Rotterdam 1825).
I. da Costa, Inleiding tot eene reeks van voorlezingen over de geschiedenis van het vaderland (Amsterdam 1833).
I. da Costa, Israël en de volken. Overzicht van de geschiedenis der joden tot op onze tijd (Haarlem 1873-2).
I. da Costa, Landgenoten met het oog op God blijft Nederlanders en vereenigd. Een woord bij de gelegenheid der wet van leening of heffing (Leiden 1844).
I. da Costa, Ontwerp van voorlezingen over vaderlandse geschiedenis en taal (Amsterdam 1831).
I. da Costa, Het oogenblik. Een woord over het ontwerp van grondwetsherziening (Amsterdam 1848).
I. da Costa, Programma eener vierde reeks van voorlezingen over de geschiedenis van het vaderland (Amsterdam 1835).
I. da Costa, Rekenschap van gevoelens bij de gelegenheid van den strijd over het adres aan de Hervormde Gemeente in Nederland (Amsterdam 1843).
I. da Costa, Slotrede eener reeks van voorlezingen gehouden in 1831-1832 over de geschiedenis van het vaderland (Amsterdam 1832).
I. da Costa, De verbondsverklaring van 1573 aan Nederland herinnerd (Amsterdam 1831).
G. Groen van Prinsterer (ed.), Brieven van mr. Isaäc da Costa (Amsterdam 1872).
J.P. Hasebroek (ed.), Da Costa’s kompleete dichtwerken (Arnhem 1870).

Jaargang 05 (1994) No 2