Slavernij in het koloniale tijdperk: waarom een zwarte bladzijde?

Wanneer wij de slavernij zoals die in de Nederlandse koloniën van de zeventiende tot in de negentiende eeuw toe aanwezig was, een zwarte bladzijde in onze vaderlandse geschiedenis noemen, mag ik aannemen dat daarmee vooral een ethische afkeuring bedoeld wordt. De uitdrukking ‘zwarte bladzijde’ zal inhouden dat wij iets afkeuren wat in het vermelde tijdperk ook reeds had moeten werden afgekeurd.

Een afbeelding voor afschaffing van slavernij. Bron Wilberforce House Museum

Een afbeelding voor afschaffing van slavernij. Bron Wilberforce House Museum

Stel dat men, zoals het heet, hij het licht van die tijd, of naar de maatstaven van die tijd, zien niet schuldig hoefde te weten, dan kunnen wij zoveel jaren na de door mij genoemde periode misschien nog wel van een zwarte bladzijde spreken, maar dan niet in ethische zin. De geschiedenis beoordelen, is recht doen aan de doden. En wij doen ze geen recht als wij hun houding beoordelen met maatstaven die vandaag voor ons gelden.

Drie zaken onderscheiden

Ook het fenomeen van de slavernij in de geschiedenis vraagt om een zuivere beoordeling. Het feit dat vandaag vrijwel iedereen vindt dat slavernij niet door de beugel kan, is geen genoegzame grond om onze voorouders te veroordelen met betrekking tot wat zij gedacht hebben over slavernij en gedaan hebben met hun slaven. Willen wij billijk oordelen, dan moeten we nuanceringen aanbrengen. Ik probeer dat te doen door drie zaken te onderscheiden:

1. Afkeuring van alle slavernij, in welke vorm dan ook;
2. Afkeuring van het bezitten van huis- en ambachtsslaven;
3. Afkeuring van de slavenhandel en de slavenbehandeling op de plantages.

De formulering van deze drie zaken veronderstelt dat ik het heb over de tijd waarin slavernij, hoewel in de Nederlanden zelf allang niet meer aanwezig, voor de koloniën een factor van betekenis was. Maar ook daar kunnen we verschillen opmerken die ik het beste toelicht door te wijzen op de twee grote handelsondernemingen, de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC, opgericht 1602) en de West-Indische Compagnie (WIC, opgencht 1621). Het valt op dat in de literatuur de kritiek zich vooral richt op de slavenhandel van de WIC en op de behandeling van slaven op de plantages. Kwamen er in de Oost geen slaven voor? Zeer zeker, maar met enige welwillendheid kunnen we hier over slavernij van kleiner omvang spreken, nodig om aan huis- en ambachtsslaven te komen. In vergelijking daarmee is de slavernij in het kader van de WIC grootschalig te noemen. Het gaat dan om slavenhandel en slavenarbeid die structureel is voor de koloniën in de West.

Slavernij als principe

Als ik op de hier aangegeven drie mogelijkheden let, dan ben ik met de eerste vonn gauw klaar. In de Nederlanden is de slavernij als principe pas verworpen kort voor de afschaffing ervan. Wie bedenkt dat dit in Nederland in 1863 gebeurde, en Nederland daarmee de laatste Europese natie was op Spanje na, die de slavernij in haar West-Indische koloniën afschafte, krijgt al een vermoeden dat onze natie met betrekking tot de afschaffing van de slavernij geen grote bijdrage geleverd heeft in de strijd der geesten. Supporters van Groen van Prinsterer kunnen hem de Nederlandse Wilberforce noemen, maar het eigenlijke gevecht tegen de slavernij was toen, al gevoerd. Geen Nederlandse namen, maar wel die van Engelsen zoals John Wesley (1703-1791) en William Wilberforce (1759-1833) zijn daaraan verbonden. De eerlijkheid gebiedt te erkennen dat het wel Methodisten in Engeland en Quakers in Engeland en Amerika zijn geweest, maar geen Nederlandse calvinisten die een rol van betekenis hebben gespeeld om slavernij de wereld uit te krijgen.

Het martelen en doden van slaven kwam vaak voor. Bron Transparant

Het martelen en doden van slaven kwam vaak voor. Bron Transparant

Maar de late afschaffing van de slavernij in de Nederlandse koloniën bezorgt onze geschiedenis op zichzelf nog geen zwarte bladzijde. Het late tijdstip kunnen we betreuren, maar hoeven we ethisch nog niet te laken. Als ‘kinderen van hun tijd’ hebben de Nederlanders tot in de negentiends eeuw toe de slavernij niet principieel afgekeurd. Zij meenden de bijbel achter zich te hebben door erg lang vol te houden dat slavernij als instituut zo verderfelijk niet was. In ons land zijn er vanaf 1600 theologen en juristen geweest die soms dicht tegen een morele afkeuring van slavernij als zodanig aan zaten; maar voorzover mij bekend, is er geen enkele auteur voor 1800 in de Nederlanden te vinden die de slavernij klip en klaar afwijst en er tegelijk werk van maakt om aan deze wantoestand een einde te maken. Men kan fulmineren tegen misstanden, maar voor het ter discussie stellen van het instituut van de slavernij, hebben we nauwelijks aanwijzingen.

Huisslaven en hun vrijlating

Hoe zit het met de tweede vorm? Als men de slavernij zelf niet principieel afwees, nam men er dan ook genoegen mee dat christenen overzee huisslaven in dienst namen? Zowel de classis Amsterdam als ook die van Walcheren hebben al in een vroeg stadium (1628/1629) geoordeeld dat het niet christelijk was lijfeigenen te hebben. Zij schreven dit aan de kerkenraad van Batavia, die daarop echter antwoordde dat de Aziatische landen zonder slavernij niet zouden kunnen bestaan en de slaven zelf een zo slaafs gemoed hadden, dat zij hun vrijheid niet aan zouden kunnen. Vrijgestelde slaven, zo werd aan genoemde classes meegedeeld, klopten in de regel onmiddellijk aan bij de diaconie, of probeerden zichzelf voor kost en kleding weer aan een nieuwe eigenaar te verbinden. Vrijgelaten Aziaten werden weer moslim, Verder werd in het antwoord van Batavia aan de verontruste classes gemeld, dat met betrekking tot mishandeling van de slaven de situatie zo erg niet was als men dacht. De antwoordbrief van de kerkenraad van Batavia werd opgesteld door Justus Heurnius, die als een goed calvinist bekend stond en van al zijn collega’s ook nog het meest bewogen moet zijn geweest met de niet-christelijke bevolking.

Slavenwerk op de plantages. Bron Transparant

Slavenwerk op de plantages. Bron Transparant

Men zal zich in het thuisland bij een dergelijk antwoord hebben neergelegd. Misbruik komt immers in elk verband voor en waarom dan grote problemen gemaakt als men geruststellende berichten krijgt over goede behandeling van de slaven door hun christelijke heren? Men zal in het vaderland naar de aard der liefde ook hebben aangenomen dat de Nederlanders hun eigen huisslaven op christelijke wijze behandelden, zoals in de instructies die zij hadden meegekregen immers ook geëist werd. Hoe de praktijk er globaal heeft uitgezien voor de huisslaven, is moeilijk precies na te gaan. Slechte behandeling van slaven kwam voor; maar goede natuurlijk ook. Het lijkt me daarom onmogelijk van een zwarte bladzijde in onze koloniale geschiedenis te spreken als het gaat over de behandeling van de slaven, die de Nederlanders voor hun eigen particuliere huishoudingen gebruikten. Bij vergrijpen werden de slaven streng en naar het oordeel van onze tijd veel te streng gestraft. Maar nogmaals, over een zwarte bladzijde kan ethisch slechts gesproken worden wanneer ons voorgeslacht faalde naar de maatstaven die voor hun eigen tijd moeten worden aangelegd. En dan lijkt het me onmogelijk om met allerlei verhalen die er over mishandeling van huis- en ambachtsslaven zeker te vinden zijn, een algemeen beeld te geven dat we ten hemel schreiend zouden moeten noemen.

Download het complete artikel (pdf)

Jaargang 10 (1999) No 3 – themanummer Ethiek van het kolonialisme