Recensie: Weekhout, Boekencensuur in de Noordelijke Nederlanden

Bron Antiqbook

Bron Antiqbook

Hoogleraren kunnen er soms ook wat van. Behalve een jarenlang slepend conflict met Voetius, gepaard met onophoudelijk twistgeschrijf, kreeg Maresius het ook nog soms aan de stok met Chabaneus, de rector van de Latijnse school in bolder woonplaats Den Bosch. Maresius zou Chabaneus’ vrouw een klap in het gezicht gegeven hebben, de oorzaak van een miskraam. Hij werd voor moordenaar uitgemaakt. Voetius maakte dat natuurlijk en passant publiek. Maresius werd echter door de rechter onschuldig verklaard. Tot vervelens toe werd de kwestie door de drie hoogleraren tegen elkaar gebruikt.

Kerkenraad en magistraat waren niet echt blij, maar het toepassen van boekencensuur ging hen in dit geval net iets te ver (355-356). Dat beide instanties, kerk en overheid, hun bevoegdheden betreffende de boekencensuur niet altijd ongebruikt lieten, blijkt wel uit de studie van Ingrid Weekhout. Voor vier geselecteerde periodes (1617-1625; 1647-1655; 1667-1675; 1687-1695) trok zij de censuurwetgeving en uitvoeringspraktijk van de Staten-Generaal en het Hof van Holland met betrekking tot de drukpers na. Het synodaal en provinciaal censuurbeleid van de Waalse en Nederduitse gereformeerde kerk staat in het tweede hoofdstuk centraal. De particuliere synode van Zuid-Holland wordt geselecteerd om het provinciale niveau te analyseren. De stedelijke censuur van kerk en magistraat wordt nader bezien aan de hand van Rotterdam, Deventer en ‘s-Hertogenbosch.

Uit het hieraan voorafgaande overzicht van de stand van het onderzoek blijkt dat onderzoek vooral gebaseerd is op ‘toevalstreffers’ en ‘incidentele vondsten’, Knuttels catalogus uit 1914 met 450 treffers niet uitgezonderd. Voor de vier geselecteerde periodes komt Ingrid Weekhout tot 263 verboden, waarvan 117 niet vermeld in Knuttels catalogus (bijlage 1). Het gaat hier om verboden van Staten-Generaal, Staten en Hof van Holland en Gecommitteerde Raden. Het verschil met Knuttel ontstaat behalve door een uitputtender archiefonderzoek,ook doordat Weekhout prenten en couranten – immers ook producten van de drukpers – erbij betrekt. Misschien dat ook haar norm voor censuur – die ‘zeer ruim’ is (371) – de score verhoogd heeft.

Analyse van deze verboden leert dat de genoemde overheidsinstanties uitgaven die de rust van het land onder druk zouden kunnen zetten, aan censuur onderwierpen. Daaronder vielen ook heterodoxen als socinianen en meer radicale cartesiaanse filosofen. ‘Alleen in relatief opzicht heerste er in de Republiek ten aanzien van de drukpers een tamelijk tolerant klimaat, dat echter vooral het gevolg was van een praktisch onvermogen tot rigoureus optreden’ (117). Er was geen sprake van een gestructureerd beleid: vele boeken die aan censuur onderworpen werden, werden door leden van de verschillende overheidscolleges in de boekhandels zelf ontdekt.

Soms zagen zij ze gewoon liggen als ze langs de etalage liepen. Vaker echter wezen buitenlandse gezanten of een alerte gereformeerde kerkenraad de overheid op een bepaald boek dat niet door de beugel kon. De heterodoxie op de drukpers werd door de gereformeerde kerk goed in de gaten gehouden. Betrof het leden van de eigen gemeenschap, dan kon zij zelf de censuur uitoefenen – classicale vergaderingen hadden dan ook steevast een punt ‘licentieus boekdrukken’ op de agenda staan. De overheid liep echter niet altijd even snel warm voor een verbod en hield de kerk nog wel eens aan het lijntje.

Download de complete recensie (pdf)

n.a.v. Ingrid Weekhout, Boekencensuur in de Noordelijke Nederlanden. De vrijheid van drukpers in de zeventiende eeuw (Den Haag: Sdu Uitgevers,1998) 580 blz., prijs fl. 49,50.

Jaargang 10 (1999) No 1 – themanummer Breukvlak 1900