Recensie: Van Creveld, Kunst in Den Haag, drie eeuwen joodse beeldende kunstenaars

 

De afgelopen jaren heeft I.B. van Creveld zich ontpopt als de chroniqueur van joods Den Haag. Hij heeft verschillende boeken het licht doen zien die het wonen, geestelijk leven en sociale werk binnen de Haags-joodse gemeenschap behandelen. In dit boek wordt aandacht besteed aan de joodse beeldende kunstenaars die banden hadden met de residentiestad. Ook uit dit boek blijkt weer de grote kennis van de auteur op het gebied van de Haags-joodse geschiedenis.

Bron Transparant

Bron Transparant

In de periode 1700-2000 blijken minimaal 140 kunstenaars voor kortere of langere tijd deel te hebben uitgemaakt van de joodse gemeenschap van Den Haag. Velen van hen worden besproken in het chronologische geordende boek. Het spectrum van beeldende kunst omvat de breedte van graveurs tot video-kunstenaars. We komen bekende namen tegen, onder meer die van Jozef en Isaac Israëls, Paul Citroen en Salomon Verveer. Maar ook tal van minder bekende kunstenaars worden besproken, van Esther H. de Castro tot Lior Herchkovitz. Per kunstenaar wordt een korte levensbeschrijving gegeven, waarin de band met Den Haag duidelijk wordt. Jammer is dat een kunsthistorische positionering veelal ontbreekt. Deze aanpak maakt van het boek meer een biografisch lexicon dan een leesbare monografie. Het geheel is prachtig geïllustreerd met afdrukken van schilderijen, tekeningen en foto’s.

Het kunstenaarsdeel wordt voorafgegaan door een tweetal inleidende hoofdstukken. Allereerst een kort overzicht van de geschiedenis van de joodse gemeenschap in Den Haag. Hierin spreekt de auteur zijn verbazing uit over het ontbreken van een joods schildersgenootschap in de negentiende eeuw. Dat lijkt mij in het geheel niet vreemd. Joden richtten slechts eigen maatschappelijke organisaties op als men werd uitgesloten uit de algemene. Op schildersgebied gebeurde dat niet, iemand als Jozef Israëls nam zelfs een voorname plaats in de Haagse school in. Deze joodse opstelling is ook de reden waarom er niet gesproken kan worden van een joodse zuil, zoals de auteur wel doet. De joodse gemeenschap is juist het toonbeeld van een gemeenschap die over de verschillende ‘zuilen’ verdeeld raakt.

Het tweede hoofdstuk snijdt een voor het boek belangrijke problematiek aan. Wat is joodse kunst? Na een aardig historisch overzicht van de receptie van het bijbelse verbod op het maken van ‘gesneden beelden’, wordt geprobeerd een definitie te geven van joodse kunst. De persoon van de kunstenaar kan daarbij als uitgangspunt genomen worden. Dan is joodse kunst elk kunstwerk dat door joden is gemaakt. Ook de thematiek kan als vertrekpunt gelden: joodse kunst is elke schepping die aan de geestelijke atmosfeer van het jodendom is ontsproten. De eerste definitie heeft tot gevolg dat zelfs een kerkje dat door een joodse architect is ontworpen, joodse kunst zou zijn. De tweede definitie houdt in dat ook niet-joodse kunstenaars joodse kunst kunnen leveren, De auteur stelt dat het niet mogelijk is een bevredigende definitie vast te stellen en maakt daarom ook geen keuze. Onafhankelijk van een definitie heeft hij kunstenaars met een joodse achtergrond opgespoord en een plaats gegeven in dit boek. Waarmee hij in feite dicht bij de eerste definitie uitkomt.

Dat Van Creveld geen keuze wilt maken, is te begrijpen, hoewel het tweede hoofdstuk daardoor wel enigszins een zwerfsteen in het boek wordt. Het is een hoofdstuk zonder consequenties voor de rest van het boek. Toch is het te begrijpen dat Van Creveld de keus voor een definitie niet maakt. Want het is maar de vraag in hoeverre het zinvol is om te spreken van joodse kunst. Wat zou het werk van een Bles joods maken? Als dit boek iets laat zien, dan is het wel hoe kosmopolitisch kunstenaars zijn. Velen van hen zijn vele keren in hun leven verhuisd, en anders maakten ze wel lange reizen. Joodse kunstenaars maakten gewoon deel uit van de verschillende scholen en werkten binnen de conventies. Wel zou er van joodse kunst gesproken kunnen worden bij religieuze voorwerpen, zoals parochot en chanoeka’s. Maar het is juist deze kunst die in dit boek ontbreekt, terwijl die wel degelijk in Den Haag wordt gemaakt (bijv. door de gebr. Van Oven). Opmerkelijk, gezien de opstelling van Van Creveld in hoofdstuk twee, is zijn taxatie op p. 90 waar aan het werk van Marinus van Raalte (1873-1944) een ‘typisch joods effect’ wordt meegegeven. Dat zou inhouden dat hij ‘met een teder en gevoelig coloriet’ werkte, ‘mooi in de overgangen van licht en donker’. Wat is hier typisch joods aan?

Kunst in Den Haag laat zien hoezeer joodse kunstenaars een bijdrage hebben geleverd aan het artistieke klimaat in Den Haag. Binnen alle scholen en stijlen waren wel joodse kunstenaars actief. Het is de verdienste van dit boek om dat aspect nadrukkelijk onder de aandacht te brengen.

Download de complete recensie (pdf)

n.a.v. I.B. van Creveld, Kunst in Den Haag. Drie eeuwen joodse beeldende kunstenaars (Den Haag: De Nieuwe Haagsche, 2000), 240 blz., fl. 79,00

Jaargang 12 (2001) No 2