Recensie: Righart, De eindeloze jaren zestig

 

Nu de jaren zestig meer dan een halve eeuw achter ons liggen, is de tijd rijp voor historisch onderzoek. In 1995 zagen vrijwel tegelijkertijd twee studies over het wedervaren van Nederland in dit decennium het licht. Naast het oorspronkelijk in het Amerikaans geschreven proefschrift van de jonge historicus James Kennedy Nieuw Babylon in aanbouw (elders in dit nummer van Transparant besproken), verscheen ook een uitgebreide studie van Hans Righart, hoogleraar politieke geschiedenis te Utrecht.

Bron Transparant

Bron Transparant

Evenals in eerder werk van zijn hand, maakt Righart in De eindeloze jaren zestig gebruik van uit de sociale wetenschappen afkomstige theorieën. Dat is nuttig. De geschiedwetenschap kan immers moeilijk zonder enige affiniteit met dergelijke theorievorming. In dit geval gaat het vooral om werk van de Amerikaanse socioloog Ronald Inglehart. In zijn relatief oude boek The Silent Revolution (977) lanceerde hij de hypothese dat er in de westerse wereld tussen 1965 en 1975 een geleidelijke overgang plaatsvond van een ‘materialistisch’ naar een ‘postmaterialistisch’ waardenpatroon. In het eerste staan economische en politieke stabiliteit centraal, in het tweede gaat het primair om de kwaliteit van het bestaan. Inglehart ziet als oorzaak voor deze verschuiving ingrijpende (structurele) veranderingen in de modern-industriële samenlevingen, welke veranderingen op hun beurt veroorzaakt werden door verschijnselen als langdurige economische groei, technische vooruitgang en de expansie van het onderwijs.

De twee waardenpatronen corresponderen volgens Rig- en Inglehart met twee generaties: een ‘vooroorlogse generatie’ (zij die geboren zijn in de periode 1910-1930), en een ‘protestgeneratie’ (zij die geboren zijn in de periode 1940-1955). Het verschuivende waardenpatroon is een verschijnsel dat zich in de hele westerse wereld voordoet, maar de mate van verandering is sterk afhankelijk van de dynamiek van het historische proces. In een land als Engeland, dat in de twintigste eeuw een relatief geleidelijke ontwikkeling heeft doorgemaakt, zijn de veranderingen bijvoorbeeld veel minder heftig dan in Duitsland. Tussen deze uitersten neemt Nederland een tussenpositie in.

Deze generatiesociologische theorie vormt het uitgangspunt van Righarts historische beschouwing. Zijn centrale hypothese – een aanvulling op deze theorie – is de gedachte dat de snelle materiële veranderingen in de naoorlogse periode beide generaties in een crisis bracht. Hij spreekt daarom van een dubbele generatiecrisis. De vooroorlogse generatie begon te twijfelen aan de oude vertrouwde waarden; ontzuiling en ontkerkelijking waren het gevolg. Maar ook de jonge generatie kwam in de problemen. Zij had moeite de stap naar volwassenheid te zetten. enerzijds door het verschil in belevingswereld tussen jongeren en ouderen (het aloude generatieconflict), anderzijds door het ontstaan van een eigen jongerencultuur met een sterk hedonistisch karakter.

Het is met name deze jongerencultuur, die Righart fascineert. Zijn tweede centrale hypothese heeft ook uitsluitend hierop betrekking. Naar Righarts stellige overtuiging had de hedonistische jeugdcultuur aanvankelijk veel meer een sociaal-cultureel dan een politiek karakter. Pas in de tweede helft van de jaren zestig veranderde dat. Doordat de jeugdcultuur toen politiseerde, kon deze integreren in de bestaande cultuur en konden de spanningen tussen beide generaties tot rust komen. Wat toen nog restte, was het postmaterialistische waardenpatroon. Dit gedachtengoed verbreidde zich langzamerhand over Nederland, om niet meer te verdwijnen. Vandaar dat Righart spreekt van de eindeloze jaren zestig.

Righart heeft een boek geschreven, dat – het klinkt afgezaagd, maar is niet daarom niet minder waar – onmisbaar is voor wie geïnteresseerd is in de contemporaine geschiedenis van Nederland. Zijn sterkste punt is zonder twijfel de beschrijving van de protestgeneratie. Het hoofdstuk over de crisis in de vooroorlogse generatie is veelal gebaseerd op literatuur en levert niet veel nieuwe inzichten op. Des te interessanter zijn echter de hoofdstukken waarin op basis van gedrukte bronnen en periodieken een beeld wordt gegeven van de hedonistische jeugdcultuur. Een punt van kritiek betreft het feit dat Righart op zijn theoretische uiteenzettingen over generaties en waardenpatronen in het vervolg van zijn boek nauwelijks terugkomt. Juist een confrontatie tussen deze uit Amerika afkomstige sociologische theorie en de concrete historische werkelijkheid van ons kikkerlandje was interessant geweest.

Download de complete recensie (pdf)

n.a.v. Hans Righart, De eindeloze jaren zestig. Geschiedenis van een generatieconflict (Amsterdam: De Arbeiderspers, 1995) 328 blz., prijs fl. 49,90.

Jaargang 07 (1996) No 4

Trefwoorden: Jaren zestig, Provo, Recensie (artikel).

Druk dit artikel af.Stuur dit artikel door.Ga naar het begin van dit artikel.Ga terug naar de vorige pagina. Laatst gewijzigd: 24-04-11 – Geplaatst: