Recensie: Handboek Nederlandse Kerkgeschiedenis en Nederlandse Religieschiedenis

Kort na elkaar verschenen twee handboeken van de kerkgeschiedenis/religiegeschiedenis van Nederland. Dat is op zichzelf al bijzonder. Als deze boeken ook nog zeer verschillend van opzet en uitwerking zijn, is het zeker de moeite waard er kennis van te nemen. In het volgende karakteriseer ik de beide boeken en noem de sterke en de zwakke kanten, eerst naar het uiterlijk en het formele aspect, daarna inhoudelijk. Tot slot vergelijk ik ze met elkaar.

Het Handboek Nederlandse Kerkgeschiedenis biedt in ruim 900 pagina’s een vrij uitgebreid overzicht van de geschiedenis van de kerk in ons land. De tekst is geleverd door een negental auteurs van protestantse en katholieke huize. In tegenstelling tot de handboeken die tot dusver geschreven zijn, die alle de geschiedenis van ofwel de katholieke kerk ofwel de hervormde kerk als object hadden, wordt onder ‘kerk’ verstaan elke organisatie, die zich als zodanig afficheert. Om het in de bewoordingen van het Handboek zelf uit te drukken: ‘Ook mensen en groepen die van het hoofdspoor van de rooms-katholieke en reformatorische kerk zijn afgeweken’ (6), worden hier beschreven. Een merkwaardige omschrijving! Wat wordt bedoeld met de reformatorische kerk? Wie het weet, mag het zeggen.

Duidelijk is echter, dat de opzet van een dergelijk boek aanmerkelijk verschilt van die van vroegere studies over Nederlandse kerkgeschiedenis. Het boek bevat vrij veel lelijk uitgevoerde illustraties, handige jaartallenlijstjes en goedgekozen fragmenten; een van de fraaiste is het relaas van een klopje over de priester Stalpart van der Wiele, die een huis binnengaat van mensen, die geen enkel besef van God of gebod hebben; hij brengt ze op één dag tot het geloof. ‘Ende ons Erwaerde vader heeft se volcomentlick catholick gemaeckt, Godt zij gelooft!’ (396). Wat mij doet griezelen, is het geslachtelijke gerommel, waaraan serieuze mannen als deze auteurs zich bezondigen: bij sommigen is ‘kerk’ zelfs consequent mannelijk. Hadden zij onder alle medewerkers niemand, die de teksten in dergelijke opzichten corrigeren kon? Een indeling van de stof vanaf 1500 in eeuwen mag historisch gezien goede papieren hebben, handig is ze niet.

Nederlandse religiegeschiedenis
De Nederlandse religiegeschiedenis is met haar 400 blz. compacter. Het boek is prima uitgevoerd, heeft geen illustraties, wel goede jaartallenlijstjes en dergelijke. Er is een goede indeling in verschillende perioden en meestal worden de zaken duidelijk uit de doeken gedaan. Het richt zich uitsluitend en alleen op de bewoners van het grondgebied van het huidige Nederland. De auteurs vatten dit zo rigoureus op, dat er aan de zo belangrijke vluchtelingenkerken van de l6de eeuw vijf regels gewijd worden (153) en geen woord vuil gemaakt wordt aan de activiteiten van de kerk in de vestigingen van de VOC en de WIC.

Ik vind dit onbegrijpelijk. Wat de VOC betreft wordt dit verdedigd met de stelling, dat deze geschiedenis vanuit het perspectief van de gebieden, waarin de vestigingen zich bevonden, moet worden geschreven. Dat is natuurlijk juist, maar het een sluit het ander niet uit. De vluchtelingenkerken zijn van primair belang geweest voor de vestiging van de gereformeerde kerken in de Nederlanden en de kerken in de gebieden van de handelscompagnieën waren veel belangrijker voor de Nederlandse kerken dan voor de gebieden, waar deze vestigingen, voornamelijk handelsposten, zich bevonden. In het slothoofdstuk wordt de vraag opgeworpen naar het eigene, het typisch Nederlandse van de Nederlandse religie- geschiedenis. Het antwoord valt negatief uit. Wil men iets noemen, dan kan dat slechts zijn dat op een zo klein territorium zich een zo grote religieuze verscheidenheid voordeed (377-379) Ik stem in met de opvatting van de auteurs, dat een dergelijke kwalificering vrij zinloos en bovendien aanvechtbaar is. Het lijkt mij trouwens ook totaal overbodig, de vraag te stellen. Waarom zou er iets typisch-Nederlands moeten zijn?

Geschiedenis van religie

De Religiegeschiedenis begint en eindigt met de z.g. hunebedden. Op zich was dat voor mij bepaald niet nieuw. Niet alleen figureren ze in de druk besproken canon van de geschiedenis van Nederland, maar al veertig jaar geleden begonnen de geschiedenislessen van mijn kinderen op de basisschool ieder schooljaar opnieuw met de hunebedden. Nederlandse Religiegeschiedenis Aangezien niemand iets zinvols over ze weet te zeggen, leek mij dat destijds niet erg zinvol. Het bleef mij ook nu duister, waarom ze hier in proloog en epiloog een belangrijke plaats innemen, want hun enige functie is daar, om duidelijk te maken dat een religiegeschiedenis pas kan beginnen in de eeuw voor het begin van onze jaartelling, als we in historisch opzicht wat meer grond onder de voeten hebben. Dat wil ik graag geloven, maar ik heb er geen hunebedden voor nodig.

Maar wat betekent ‘religiegeschiedenis’? De auteurs gaan op deze vraag nergens expliciet in. Blijkbaar beschouwen zij de term als bekend. Wel zeggen zij, dat “in de historische godsdienstwetenschap sprake [ van een verruiming van de concentratie op kerkelijke instellingen en ideologische groeperingen naar aandacht voor de functie van religieuze opvattingen en praktijken in de samenleving” (377). Het is mij niet duidelijk, wat zij daarmee bedoelen. Godsdienstgeschiedenis behandelt de grote godsdienstige stromingen als islam, boeddhisme, christendom. Zij wordt sinds een kleine 200 jaar beoefend en vooral in de tweede helft van de l9de eeuw hebben Nederlandse geleerden in dit onderzoek een belangrijke plaats ingenomen. Ik krijg uit de geciteerde passage echter de indruk, dat in de nu gepubliceerde Religiegeschiedenis daarmee iets anders wordt bedoeld, namelijk de binnen de christelijke godsdienst bestaande variatie, dus verschillende kerken en verschillende opvattingen en praktijken binnen het christendom. Indien dit juist is, kan men teneinde verwarring te voorkomen ‘religiegeschiedenis’ beter vervangen door de gebruikelijke term ‘kerkge- schiedenis’. Godsdienstgeschiedenis heeft nu eenmaal een bepaalde betekenis.

Een enkele keer krijg ik echter de indruk, dat de auteurs ‘religiegeschiedenis’ en ‘gods- dienstwetenschap’ bezigen in de gebruikelijke betekenis. Het voorbeeld dat zij in de proloog gebruiken van de religie der Germanen en het christendom wijst in die richting.
Het is niet mijn bedoeling, te blijven staan bij de theoretische kaders van beide overzichten van de Nederlandse kerkgeschiedenis. Voor de behandeling van een brok geschiedenis is het verhaal belangrijker dan het kader. In beide boeken doen de auteurs hun best, een beknopt maar eerlijk beeld te schetsen van een ontwikkeling van vele eeuwen. Natuurlijk is het voor mij ondoenlijk, in het kader van deze bespreking een oordeel te geven over de wijze, waarop in beide boeken deze gehele ontwikkeling wordt geschetst. Ik geef daarom één voorbeeld, dat m.i. duidelijk kan maken, in welke opzichten de beide boeken verschillen.

Daarvoor kies ik de verschillen, die aan het eind van de 16e eeuw binnen de gereformeerde kerk blijken te bestaan en die uitlopen op de Synode van Dordrecht in 1618-1619 en het ontstaan van de Remonstrantse Broederschap. Het gaat hier om een turbulente periode in de Nederlandse kerkgeschiedenis, die in de loop van vier eeuwen op zeer uiteenlopende wijze is beschreven. Hoe staan de zaken in deze twee boeken? Het valt al dadelijk op, dat in het Handboek dit stuk geschiedenis een veel prominenter plaats inneemt dan in de Religie- geschiedenis. Het is kennelijk volgens de ene auteur van meer belang voor de geschiedenis van de Nederlandse kerk dan volgens de andere. Eén zaak staat vast: in de strijd van die jaren liepen twee conflicten door elkaar, een conflict over de leer der kerk betreffende de predestinatie en een conflict over de verhouding van kerk en staat. In de Religiegeschiedenis ligt de zaak duidelijk: ‘Dogmatische twisten kregen dan al gauw een politieke betekenis en veroorzaakten grote maatschappelijke onrust’. In dit kader worden de leerstellige verschillen in 19 regels afgehandeld. Werkelijk belangrijk is voor de auteurs van de Religiegeschiedenis het conflict over de verhouding kerk-staat. De arminianen, later remonstranten genoemd, waren van mening, dat de kerk zich diende te schikken naar de wensen van de staat. Hun tegenstanders, de contraremonstranten, wensten het samenroepen van een nationale synode van de kerk. Hun ideaal was een zelfstandige en van de staat niet afhankelijke kerk. Hun tegenstanders, waaronder veel regenten, zagen een dergelijke kerk als een groot gevaar voor de staat. Bovendien verdedigden deze tegenstanders de autonomie van de gewesten.

Even duidelijk ligt de zaak in het Handboek. Het was een “strijd om de belijdenis”. De “ogenschijnlijk abstracte gedachtegangen” van de voorvechters Arminius en Gomarus betroffen “existentiële vragen” en hun aanhangers wezen elke invloed van de overheid af en drongen aan op een strikte handhaving van de confessie. De kerk diende een onafhankelijk instituut te zijn en daarvoor was een confessionele basis noodzakelijk. Het Handboek geeft dan ook een breedvoerige uiteenzetting over de predestinatieleer van Arminius en die van Gomarus.

Het is duidelijk: de opvattingen van de respectieve auteurs lopen ver uiteen. Het is duidelijk, dat dezelfde gebeurtenissen op totaal verschillende wijze kunnen worden geïnterpreteerd. Ik vond het ietwat komisch, dat ik niet instem met het enige, waarover beide auteurs het eens zijn, dat namelijk de contraremonstranten “elke invloed van de overheid afwezen” (Handboek) of “pleitten voor de zelfstandigheid van de kerk tegenover de wereldlijke overheid (Religiegeschiedenis). De stelling lijkt mij onhoudbaar. Ik kan nu mijn argumenten niet opvoeren. Maar het toont eens te meer, dat geschiedenis een vak is, waar nooit definitieve en onweerlegbare antwoorden op vragen gegeven worden.

Karakter

Wat is het eigen karakter van elk van de beide boeken? Men behoeft niet lang te zoeken: de auteurs van beide boeken zijn duidelijk, soms ook wat al te zeker van zichzelf. In de ‘Kerkgeschiedenis’ staat de kerk als organisatie voorop. Daarmee bedoel ik niet, dat de auteurs geen oog hebben voor godsdienstige opvattingen en gebruiken van mensen. De behandeling daarvan komt goed tot haar recht. Maar op de voorgrond staan theologische opvattingen van theologen en beslissingen van de kerk. De strijd tussen remonstranten en contraremonstranten, om nog even dit voorbeeld te noemen, is in dit boek geen conflict van twee groeperingen in de kerk en binnen het gereformeerde protestantisme, maar een strijd van bepaalde theologen tegen de waarheid die door andere theologen en in laatste instantie door de kerk verdedigd wordt. Daarmee hangt samen, dat in dit boek veel theologie voorkomt. Het leerstelsel van Arminius b,v. wordt zo uitvoerig behandeld, dat een niet in de middeleeuwse denktrant geschoolde lezer een nog veel uitvoeriger behandeling nodig zou hebben om deze uiteenzetting te begrijpen. Nu is deze trant van beoefening der kerkgeschiedenis ook weer niet overal in het boek aanwijsbaar. In het laatste deel gaat de auteur zo uitvoerig in op de doorwerking van de kerk in de samenleving, dat ik mij soms afvraag of dit alles tot de kerkgeschiedenis behoort. Om het ‘Kuyperiaans’ te zeggen: de kerk als organisme is voor de auteur zo belangrijk, dat de kerk als instituut vaak achter de horizon verdwijnt. Daar staat dan weer tegenover, dat ook in dit deel nog al wat aandacht besteed wordt aan theologen, zonder dat de maatschappelijke setting van hun theologie altijd binnen het blikveld komt.

Wie de Religiegeschiedenis ter hand neemt, komt in een totaal ander klimaat. Het is goed te merken, dat hier niet negen auteurs samengewerkt hebben, maar slechts twee en dan nog twee, die redelijk dicht bij elkaar staan in hun idee over religiegeschiedenis. Het boek is veel meer een eenheid. Wat is hier kenmerkend? Allereerst valt op, dat theologie hier geen enkele rol speelt. Voorop staat het ‘beleefde geloof’. Nu klinkt dit mooier dan het is – of in ieder geval dan het hier voorgesteld wordt. Voor een fors gedeelte gaat het over wat vroeger ietwat denigrerend ‘volksgeloof’ genoemd werd. Graag maken de auteurs vergelijkingen van godsdienstige gebruiken en opvattingen van groepen mensen en graag constateren zij, dat – in mijn eigen idioom gezegd – de Verlichting in allerlei opzichten nog weinig voet aan de grond had gekregen.

Dat zij de theologie terzijde laten, leidt soms tot volslagen onnodige blunders. Ik denk b.v. aan de uiteenzettingen over kinderdoop (bz.196). Aan de erkenning door de katholieke kerk van door gereformeerde predikanten toegediende doop ontbrak veel. Katholieken waren dank zij de nooddoop nooit “wel gedwongen hun kind bij een predikant ten doop te houden”. Bij dopersen was er geen “uitstel van de kinderdoop”, maar doop op grond van belijdenis. Katholieken zullen wel eens gevreesd hebben dat “een ongedoopt gestorvene voor eeuwig in de hel zou belanden” (wat een uitdrukking), maar de kerk leerde dit niet. Ik had mij, voordat ik deze bespreking begon, voorgenomen, geen aandacht te besteden aan fouten, omdat die bij een beknopt boek over een uitgebreide materie niet te vermijden zijn. Dat ik mijn voornemen nu niet ten uitvoer breng, is te wijten aan een zekere irritatie over onnodige slordigheid.

Het Handboek lijdt niet aan deze slordigheid, maar weet wel vaak precies aan te geven, wie het gelijk aan zijn kant had. Kort gezegd: de betrokkenheid bij de stof is groot, maar soms al te groot. In de Religiegeschiedenis is de toon zo gedistantieerd, dat ik mij soms afvraag of het over de Sumeriërs of over de Patagoniërs gaat.

Als de auteurs bij het lezen van deze bespreking verzuchten: het is ook nooit goed, hebben ze alle gelijk van de wereld.

Personalia

Prof. dr. C. Augustijn was emeritus hoogleraar kerkgeschiednis aan de VU in Amsterdam.

Jaargang 18 (2007) No 3- themanummer verzuilde geschiedschrijving