Recensie: Is christelijke geschiedbeoefening mogelijk?

Roel Kuiper heeft een missie te vervullen. Hij wil de christelijke geschiedbeoefening (weer) ingang doen vinden in een grotendeels geseculariseerde wetenschap. Wie zijn commentaren in Transparant volgt weet van doen te hebben met een man die zijn christelijk geloof hartstochtelijk met de geschiedwetenschap wil verbinden. Het was wachten op zijn beginselverklaring. Die is nu verschenen onder de mooie titel Uitzien naar de zin. Inleiding tot een christelijke geschiedbeschouwing.

Hierin komt de zendingsdrang (een begrip door mij zonder enige spot gebruikt) van Kuiper tot volle wasdom. Oorspronkelijk had Kuiper het boek een andere titel willen geven: Christelijk geloof in gesprek met de moderne geschiedwetenschap. Hij deed dat echter niet omdat hij de moderne geschiedwetenschap niet in de beklaagdenbank wil zetten. ‘Er worden prachtige resultaten geboekt in de professionele geschiedbeoefening’. (p.5) Het zou ook een valse tegenstelling oproepen. Het is alsof christelijke historici voorondeistellingen hebben en daarmee worstelen, terwijl ‘de moderne geschiedwetenschap’ daar vrij van is. Kuiper heeft gelijk met zijn stelling dat iedere historicus zo zijn vooronderstellingen heeft.

Maar zo bescheiden als Kuipers titel nu luidt, is zijn boek niet. Dat is meer dan een inleiding tot een christelijke geschiedfilosofie, het is ook een polemiek tegen de stand van zaken in de geschiedwetenschap aan het einde van de twintigste eeuw. Gelukkig maar. Het maakt het boek prikkelend en daagt uit tot tegenspraak. Maar eerst een globale bespreking vande inhoud van zijn boek. In de inleiding stelt hij zijn problematiek aan de orde. Die komt, kort samengevat, hierop neer. De geschiedwetenschap zit klem in de wurggreep van de verwetenschappelijking, door Kuiper sciëntisme genoemd. Kuiper vat het sciëntisme breed op, hij laat daar zowel het positivisme, de geschiedtheorie als het constructivisme ondervallen (p.16). Het sciëntisme is, zo blijkt al uit deze opsomming, versplinterd geraakt en kan geen samenhangende interpretatie van historische gebeurtenissen geven. En de geschiedwetenschap wil dat ook niet. Daar schuilt het grootste bezwaar van Kuiper: de moderne geschiedwetenschap ‘bant een “gelovige” interpretatie van de geschiedenis uit haar aandachtskring (p.13). Even verderop verwoordt hij zijn bezwaar kort en krachtig: ‘De publieke sfeer is een ontmoetingsruimte voor allen, een “naked square”, waar het specifieke van bepaalde overtuigingen niet aan de orde kan worden gesteld’. (p.14) Kuiper beschouwt de ontwikkelingen in de moderne wetenschap overigens niet geïsoleerd maar ziet een duidelijk verband tussen de opkomst van de Verlichting en daarmee gepaard gaande secularisatie.

In de volgende hoofdstukken van zijn boek geeft hij in vogelvlucht een overzicht van ontwikkelingen in de geschiedwetenschap. Die hoofdstukken voldoen het meest aan het woord ‘inleiding’ dat de ondertitel vermeldt. Vanaf de Renaissance (verder terug gaat Kuiper niet) worden de historiografische ontwikkelingen geschetst. Veel van wat hij bespreekt mag als bekend worden verondersteld: de humanisten uit de zestiende eeuw het onderscheid tussen geschiedschrijvers en onderzoekers, de romantische geschiedopvatting van J.G. Herder (1744- 1803), het ‘wie es eigentlich gewesen’ van Leopold von Ranke (1795-1886). De bekende Nederlandse driedeling passeert de revue: de rooms-katholieken, de protestanten, de humanisten en hun 19e en 20e-eeuwse ‘voormannen’, om een klassieke protestantse term te gebruiken. Ook invloedrijke buitenlandse stromingen als het maneïsme en de Franse Annales-school ontbreken niet. Het zou te ver voeren hier uitgebreid op inte gaan en dat hoeft ook niet: Kuipers beschouwingen (overigens het leeuwendeel van zijn boek) zijn adequaat en kunnen beginnende studenten als een eerste inleiding worden aangeraden. Wel zullen enkele slordigheden, die doen vermoeden dat Kuiper het boek in grote haast heeft geschreven, in een eventuele tweede druk moeten worden verbeterd. Het is niet A. Bornewasser (p.42) maar J.A. Bornewasser. En R.J. Bouwman (p.53, p.59) heet in werkelijkheid R.J. Bouman. Maar dit zijn natuurlijk pietluttigheden.

Download het complete artikel (Pdf)

Jaargang 08 (1997) No 2 – themanummer auteur van het Wilhelmus