Recensie: Hagen, Antipapisme en cultureel natiebesef in Nederland rond 1800

Nederlands natiebesef en religie delen een lange, niet altijd makkelijke geschiedenis. In een fraai uitgegeven dissertatie ‘Een meer of min doodlyken haat’. Antipapisme en cultureel natiebesef in Nederland rond 1800 beschrijft cultuurhistorica Edwina Hagen in hoeverre antipapisme en de op gang komende campagne voor een nieuw cultureel natiebesef met elkaar verweven waren in de late achttiende eeuw. Een_meer_of_min_doodlyken_haat

 

Hoewel dit tijdvak vaak wordt geassocieerd met de Verlichting en begrippen als tolerantie en verdraagzaamheid, was het ook de periode waarin de liefde voor het vaderland hoog in het vaandel kwam te staan. Zo werd in de vroegnationalistische pers een cultureel natiebesef gepropageerd, gebaseerd op algemeen christelijke gronden en vergezeld van een nieuwe definitie van moreel burgerschap: een verinnerlijkte en verlichte vorm van vroomheid (Kloek, Mijnhardt, Van Rooden). Rode draad in het betoog van Hagen is de stellingname dat nu juist deze interpretatie van burgerschap het antipapisme in de tweede helft van de achttiende eeuw wezenlijk heeft veranderd.

Bij deze vraagstelling werd de auteur geïnspireerd door het werk van onder andere Linda Colley, die eerder op befaamde wijze het Engelse antipapisme uit de achttiende eeuw in het licht van een nationalistische vertoog interpreteerde in haar boek Britons: Forging the Nation, 1707-1837 (1992). Een dergelijke studie bestond echter nog niet voor de geschiedenis van het Nederlandse antipapisme en Hagen is de eerste die deze hypothese aan een uitgebreide bronnenstudie toetst. Daarbij maakt ze gebruikt van bronnen die als representatief worden gezien voor de vormende fase van het nationaal besef: spectatoriale geschriften, politieke weekbladen, culturele tijdschriften en toneelstukken, aangevuld met relevante passages uit reisbeschrijvingen, romans en andere bronnen. De indeling van het boek is helder. Na een inleiding over het antipapisme van voor de opkomst van het natiebesef, volgen drie delen waarin achtereenvolgens het antipapisme in de pre-politieke spectatoriale traditie van 1750-1779, het antipapisme in de politieke publicistiek van patriotten, orangisten en Bataven na 1780, en het cultureel antipapisme van rond 1800 aan de hand van twee culturele tijdschriften en toneelstukken geschreven wordt. Aan het einde volgt een epiloog waarin alle draden weer bij elkaar komen.

Binnen deze hoofdstukken wordt de lezer een veelzijdig beeld geschetst van de conjunctuur van het antipapisme in de late achttiende eeuw door middel van nauwkeurige analyse van de bronteksten, aangevuld met historiografie, achtergrondinformatie, citaten, illustraties en andere zaken. Soms is de studie daardoor veeleisend, maar de auteur grijpt diverse momenten aan om deelconclusies te trekken en terug te keren naar de hoofdvraag. Ze komt door het boek heen tot interessante en onverwachte conclusies. Zo observeert Hagen dat het antipapisme binnen de prepolitieke fase van spectatoriale geschriften een ander doel diende dan je zou verwachten: niet zozeer het aanvallen van het katholicisme, maar het bekritiseren van een andere groep, namelijk de orthodox gereformeerden met behulp van antipapistische noties. Tijdens de patriottentijd vervulde het orangistisch papisme een soortgelijke rol, namelijk “de functie van retorische figuur met behulp waarvan men afstand kon nemen van de patriotten of de politieke tegenstander zwart maakte”. Hagen stelt dat tot de jaren negentig deze vorm van antipapisme, waarbij het katholicisme een symbolische rol als tegenbeeld binnen een algemeen vertoog over de Nederlandse natie speelde, dominant was. Daarna voltrok zich een omslag: hoewel vanaf de jaren 1780 de katholieken door alle partijen als volwaardige burgers werden beschouwd, levert de politieke gelijkstelling van de katholieken kritische vragen op, en in sommige gevallen een terugkerende angst voor de politieke onbetrouwbaarheid van katholieken. Deze paradox van godsdienstvrijheid enerzijds, en het buitengesloten worden op basis van de interpretatie van juist moreel burgerschap anderzijds, kwam met name naar voren in verlicht-progressieve culturele tijdschriften zoals de Vaderlandsche Letteroefeningen.

De interessante studie van Hagen beperkt zich tot de analyse van uitingsvormen van de “verbeelde nationale communicatiegemeenschap”: tijdschriften, toneelstukken, weekbladen. De auteur is daarbij geinspireerd door het werk van Benedict Anderson, die sterk benadrukt dat de natie een vertoog van de verbeelding is, een zogenaamde “printcommunity”, die gedeconstrueerd en ‘gelezen’ kan worden. Hoewel nationale gemeenschappen sterk afhankelijk zijn van deze nationale vertogen en constructies, behelzen zij echter meer dan gesproken en geschreven woord. In hoeverre vond dit vertoog, voornamelijk afkomstig uit schrijverspennen van auteurs uit Noord-Nederland, weerslag in lezersgroepen, soëciteiten, toneelverenigingen en andere bijeenkomsten van de vormgevers van dit ontluikende natiebesef? Wat was de reactie van katholieken? En hoe verhielden deze vormen van antipapisme zich tot uitingen van politiek nationalisme? Met name het werk van John Hutchinson, wiens onderscheid tussen cultureel en politiek nationalisme in dit geval een interessant theoretisch kader biedt, illustreert dat een meer sociologische benadering van de complexe verhoudingtyussen religie, natiebesef en cultuurlaanvullende inzichten kan bieden in deze materie. Dit is echter stof voor een volgende studie. Hagen heeft met haar analyse van pers en literatuur niet alleen een belangrijke vervolgstap gezet in het onderzoek naar antipapisme op nationale schaal, maar ook onze kennis van het vroege Nederlands cultureel natiebesef op inzichtelijke wijze verrijkt en verdiept.

n.a.v. Edwina Hagen, ‘Een meer of min doodlyken haat’. Antipapisme en cultureel natiebesef in Nederland rond 1800 (Nijmegen: Vantilt 2008) 314 blz., € 24,90; ISBN 978 90 77503 867.

Jaargang 21 (2010) No 4 – afscheidsnummer Ton van der Schans