Recensie: De Graaf, Oorlog, mijn arme schapen, een andere kijk op de Tachtigjarige Oorlog 1565-1648

Historici schrijven vaak saai. Voorspelbaar ook. Aangezien historische vaklui dichtbij de bronnen wensen te blijven, verworden serieuze publicaties vaak tot een onaantrekkelijke voetnotenbrij. Dr. Ronald de Graaf bewijst dat grondig historisch onderzoek en vlotte presentatietechnieken elkaar niet uitsluiten.

Zijn nieuwe publicatie “Oorlog, mijn arme schapen.” Een andere kijk op de Tachtigjarige Oorlog 1565-1648 is alleen stilistisch gezien al een knap stuk werk. Zonder te vervelen en zonder goedkoop te worden, boeit De Graaf 686 bladzijden lang in een groots overzichtswerk over de Nederlandse Opstand.

De mediëvist Ronald de Graaf promoveerde op het standaardwerk Oorlog in Holland 1000-1375 en is tegenwoordig geschiedenisdocent aan de Christelijke Hogeschool Ede. Naast zijn docentschap heeft hij zich acht jaar verdiept in de vroegmoderne oorlogsvoering. Het resultaat mag er zijn: een vuistdik, grondig werk. Het boek maakt reclame met de ondertitel dat er een ‘andere kijk’ op de Tachtigjarige Oorlog wordt geboden. De Graaf beschrijft de moeizame vrijheidsstrijd tegen Spanje niet vanuit politieke beslissers gezien. Het onderzoek is meer een synthese tussen honderden lokale bronnen. Een terechte keuze, daar de pre-industriële samenleving per definitie lokaal vormgegeven werd. Een studie die opkomt uit getuigenissen van wasvrouwen, turfstekers, stadssecretarissen en aalmoezeniers.

Waarom is het zo alomvattend, zo origineel? Een aantal voorbeelden. In hoofdstuk twee wordt omstandig aangegeven hoe het landschap eruitzag tijdens de Opstand. De Nederlanden waren immers geen ‘militair voetbalveld’ maar had gezien het drassige karakter minstens zo veel ‘revolutionaire potentie als Vietnam in de 20e eeuw’. Het landschap bepaalde de mogelijke aanvoerroutes; wat in Nederland onder water gezet kon worden, hoefde na 1578 (Amsterdam) niet meer verdedigd te worden. Verderop beschrijft hij op basis van verschillende soorten bronnen dat het aantal oorlogsslachtoffers wel meeviel, ongeveer 10% van de soldaten verbleef tijdens de strijd in het gasthuis. Of de anekdotische scène waarin een soldatenvrouw uit Maastricht bekent, als een moderne bolletjesslikker, twee koperen doosjes te hebben ingeslikt. Met enkele laxerende pilletjes van de apotheker kon de volgende morgen de geheime inhoud ervan worden bestudeerd door de Staatse officieren. De studie lijkt wel op een product uit de Annales-school, de aanpak is zeer compleet. Toch is De Graaf niet terechtkomen in de valkuil dat slechts de longue duree regeert. Hij heeft oog voor politiek overleg, ad-hocbeslissingen en plotselinge omstandigheden. Aardig, maar te kort, is de passage aan het einde van het boek waarin De Graaf zijn bevindingen uit zijn proefschrift vergelijkt met de uitkomsten van deze studie. Volgens hem kwam de middeleeuwse oorlogsvoering op veel punten overeen met die van de vroegmoderne tijd. Er was niet echt een militaire revolutie, maar de oorlogsvoering verbeterde zich op onderdelen. Net als eeuwen eerder was de Tachtigjarige Oorlog een uitputtingsslag tussen twee mogendheden, waarbij commandanten eerder voorzichtig dan moordlustig waren. Deze conclusie is op zijn minst interessant te noemen in vergelijking al die hijgerige historici die het unieke en het moderne van de Nederlandse Opstand benadrukken.

Zijn er dan geen vragen te stellen? Ach, perfectie bestaat niet op deze aarde. De Graaf heeft weleens de neiging om zijn vlotte pen een kant op te sturen, waar de bronnen geen grond voor geven. Zo staat in het begin van het boek een interessante passage over het vroegmoderne wegennet, dat er volgens de schrijver niet al te ‘florissant’ bijlag. Beeldend schrijft hij over de stoffige landwegen, de plassige paden en het Romeinse klinkerwerk. Het bronnenapparaat waar hij dit op baseert, is niet echt overtuigend. De paragraaf hangt aan elkaar met enkele ooggetuigenverslagen die decennia uit elkaar liggen, een plakkaatboek en een ruwe verwijzing naar enkele archiefnummers in Rotterdam en Delft. De Graaf heeft de neiging inconsequent met voetnoten te werken, met name bij het citeren van ooggetuigenverslagen. Daarmee is de inhoud van zo’n gedeelte nog niet onjuist, maar wel moeilijk te verifiëren. Verder, De Graaf houdt van populair taalgebruik, niets mis mee. Maar je moet wel uitkijken. Is het niet al te anachronistisch om Maurits een ‘betamens’ te noemen? Of acties van Willem van Oranje als ‘terrorisme’ te beschouwen?

Verder is de studie zeer feitelijk van aard. Benieuwd naar de motieven van de Opstand? Interesse voor de discussie rond het calvinistische verzetsrecht? Daar biedt deze studie geen antwoord op, het is rechtstreeks geschreven vanaf het slagveld. Praktisch, met oog voor het dagelijkse leven van de doodnormale vechtersbaas. Veel, heel veel aandacht voor het militaire verloop van de Hollandse revolutie op het vaste land. begrijpelijk, maar helaas, moest De Graaf de cruciale, maritieme, inbreng van onder andere de watergeuzen laten zitten. Dit standaardwerk is gelardeerd met tientallen illustraties en kaarten in zwart-wit. De luxe omslag en een stevige linnen kaft maken het af.

n.a.v. Ronald de Graaf, “Oorlog, mijn arme schapen.” Een andere kijk op de Tachtigjarige Oorlog 1565-1648.
Uitgeverij van Wijnen (Franeker 2004), 686 blz. €69,50.

Jaargang 17 (2006) No 3 – themanummer godsdienstoorlogen