Recensie: De gereformeerde Reformatie en de joden

‘Geene Natie ondervond op eene treffender wijze de zalige vruchten der Hervorming, dan het door alle Volken mishandelde nakroost van Abraham. De verandering in het lot dier ongelukkigen, was alleen het werk der Hervorming,’ zo hield de Waalse predikant P. Chevallier zijn Amsterdamse gemeente voor tijdens het derde eeuwfeest van de Reformatie in 1817.

Bron Transparant

Bron Transparant

De visie dat de Reformatie voor de joden een positief effect had, heeft de negentiende eeuw overleefd en wordt ook nu nog aangehangen. Daarbij wordt met name naar de gereformeerde stadsreformatie verwezen, want waren het niet juist gereformeerde landen als de Nederlandse Republiek die de joden gastvrij onthaalden? Hierbij wordt tevens een verband gesuggereerd tussen theologie en politiek. Meer dan katholieken en lutheranen zijn gereformeerden immers met het Oude Testament bezig. Daaruit zou ook een positievere houding richting de joden zijn voortgevloeid. Maar klopt dit allemaal wel? In de bundel Bundeseinheit und Gottesvolk wordt vanuit een veelheid van invalshoeken deze hypothese getoetst. Het eerste deel van het boek, dat zich concentreert op de plaats van de joden in de theologie van reformatoren, waarschuwt ons gelijk voor al te gemakkelijke gevolgtrekkingen. De visie van Luther op de joden is berucht: nadat zij weigerden om zich bij zijn hervormingsbeweging aan te sluiten, pleitte hij voor het platbranden van de synagogen. Van Calvijn zijn dergelijke boude uitspraken niet bekend, zijn preken – zo wordt ook in deze bundel geconcludeerd – gaven weinig aanleiding tot agressie tegen joden. Maar wie hieruit concludeert dat lutheranen vijandiger tegenover joden stonden dan gereformeerden is wat al te snel.

In een mooi essay contrasteert Achim Detmers de reformatoren Bucer en Melachthon. De gereformeerde Bucer gaat uit van de eenheid van het verbond van God, waardoor het Oude Testament voluit onderdeel is van de geloofsschat van de kerk. Het klassieke lutherse onderscheid tussen ‘wet en evangelie’, dat Melanchthon voorstaat, resulteert daarentegen in een visie op het Oude Testament als doodlopende weg. Theologisch gezien krijgt Israël bij Bucer meer ruimte, terwijl Melanchthons leer een anti-joodse structuur heeft. Deze theologische visies blijken echter weinig consequenties te hebben voor de praktijk. Melanchthon heeft zich verzet tegen de verbranding van joodse boeken en was in het algemeen huiverig voor anti-joodse maatregelen. Zo niet Bucer, als architect van de Judenratschlag voor Hessen verdedigde hij de verdrijving van de joden uit dit vorstendom. Het blijkt dat theologie, althans op het punt van de joden, weinig invloed had op de praktische politiek. Daar beslechtten de aloude factoren van jodenhaat en economisch nut het pleit.

Die conclusie wordt verder onderbouwd door de hoofdstukken in het tweede deel van het boek, waarbij verschillende gereformeerde regio’s in Europa worden afgegaan en getoetst op de positie van de joden in hun midden. Gert van Klinken presenteert daarbij de Nederlandse Republiek. De overheid liet joden vanuit economische motieven toe, omdat zij een indrukwekkend handelsnetwerk met zich meebrachten. Opnieuw speelden theologie en kerk nauwelijks een rol. Tevergeefs pleitte de gereformeerde kerk in Amsterdam voor een minimum aan joden in de stad. In het gewest Groningen kon de kerk pas een wat inschikkelijker houding tegenover de joden innemen, toen zij haar positie had geconsolideerd en minderheidsgroepen geen reële bedreiging meer waren voor het gereformeerde monopolie.

Het waardevolle van deze bundel is dat twee benaderingen in het onderzoek naar joden in het tijdperk van de Reformatie bijeenkomen, die vaak gescheiden zijn. Dat is allereerst het theologiehistorische onderzoek, dat bezig is met de reconstructie van de theologie van de reformatoren en die reconstructie probeert te begrijpen vanuit het geheel van de theologische traditie. En dat is, daarnaast, het historische onderzoek naar het lot van de joden ten tijde van de Reformatie. Deze twee sporen worden in de bundel met elkaar verbonden, met verrassende resultaten. Een positieve Israël-theologie blijkt niet automatisch tot een positieve houding tegenover de joden te voeren, terwijl een anti-joodse theologie ruimte blijkt te laten voor het tegengaan van concrete anti-joodse acties. De belangrijkste uitkomst is echter wel, dat de betekenis van theologie – ook in een zo religieuze era als die van de Reformatie – niet overschat mag worden. In de politiek blijken toch andere factoren van doorslaggevender belang.

Jammer is overigens dat er nauwelijks aandacht wordt gegeven aan de joodse evaluatie van de Reformatie. Hadden zij positieve verwachtingen van de reformatoren, of verkozen ze de ongelukkige status-quo boven de onzekerheid hoe het reformatorische project uit zou pakken? In het boek wordt alleen de belangrijke Duits-joodse leider Josel von Rosheim opgevoerd, die de Reformatie als een verslechtering van de joodse situatie blijkt te zien. Maar in hoeverre vertegenwoordigde hij hierin de Europese joodse gemeenschap?

Als deze bundel iets duidelijk gemaakt heeft, dan is het wel dat de feestredenaars in 2017 niet zo gemakkelijk in het voetspoor van hun voorganger uit 1817 kunnen treden. De verbetering van de positie van de joden lijkt nauwelijks ingegeven te zijn door de Reformatie. Alle reden dus voor een wat bescheidener toon in 2017!

n.a.v. Achim Detmers en J. Marius J. Lange van Ravenswaay eds., Bundeseinheit und Gottesvolk. Reformierter Protestantismus und Judentum im Europa des 16. und 17. Jahrhunderts [Emder Beiträge zum reformierten Protestantismus 9] (Wuppertal: Foedus, 2005), 272 pag., €19,80.

Jaargang 17 (2006) No 4 – themanummer Hongarije 1956