Puchinger spreekt tijdens oprichting VCH over gereformeerden en hedendaagse geschiedbeoefening

Lezing tijdens oprichtingscongres VCH (23-09-1990)

Dames en heren, zo niet broeders en zusters, Enerzijds heb ik vernomen dat dit een feestvergadering is, en bij een feest past een gelukwens, en het kenmerk van een goede gelukwens is dat deze altijd in ruimer kring erkenning moet kunnen vinden dan binnen de kring tot wie die gelukwens gericht is.

Waarmee moet ik u gelukwensen? Ik geloof, met de erkenning van velen uwer dat – of men zich nu zelf daartoe rekent of niet – er in Nederland een gereformeerde volksgroep bestáát, dat deze mede bepaald wordt door enige eeuwen geschiedenis, en dat ook deze volksgroep mede bepalend is voor de hedendaagse geschiedbeoefening en geschiedschrijving van ons land.

Aan de andere kant zijn mij voor deze spreekbeurt vooraf ook enige moeilijke vragen gesteld, met het verzoek daarover iets te zeggen, zodat ik hier méér moet doen dan het formuleren van een gelukwens met het oprichten van een nieuwe Vereniging van Christen-Historici.

Ik had het over een gereformeerde volksgroep, en ik ga ervan uit dat deze een realiteit is, evenzeer als een bredere protestantse volksgroep, een rooms-katholieke volksgroep, een humanistische volksgroep, een socialistische volksgroep, een liberale volksgroep, hoe die ook onderling verstrengeld mogen zijn.

O zeker, ik weet dat met het stellen en toepassen van bepaalde ontzuilingstheorieën aan het Nederlandse volk met name in sommige kringen van vooraanstaande historici en journalisten als vaststaand gesuggereerd wordt dat de gereformeerde en rooms-katholieke overtuiging niet alleen beschadigd zijn – hetgeen een feit is – maar dat die volksgroepen, die een uitgesproken christelijke overtuiging in het hart dragen, der verdwijning nabij zijn, en dat het wachten enkel is op het stille sterven van diegenen, die van mening zijn dat deze christelijke overtuiging niet alleen voor het privéleven, maar ook voor het openbare leven is bedoeld, dat deze overtuiging niet alleen een kerk wenst in stand te houden, maar evenzeer mag en zelfs moet meespreken in de studeerkamer, in de onderlinge omgang en in het publieke leven en verkeer in de wetenschap.

Ik geloof dat het tegemoet zien van het stille sterven op een weliswaar begrijpelijk, maar toch ernstig gezichtsbedrog berust, misschien een wensdroom, maar in ieder geval een gezichtsbedrog, dat mij vaak doet denken aan de geschiedenis van de vorige eeuw, toen vooraanstaande wetenschapslieden dachten, ja ervan overtuigd waren, dat de gereformeerde overtuiging zijn tijd gehad had, terwijl men het vaderlandse plicht achtte te voorkomen, dat de rooms-katholieke volksgroep – nog altijd éénderde van de Nederlandse natie – ooit weer een werkelijk vooraanstaande plaats in het publieke leven zou innemen, omdat de resterende tweederde van de natie de rooms-katholieke gezindte als een Fremdkörper beschouwde.

Ik behoef u niet te zeggen dat deze diep gewortelde overtuiging van zeer vele nobele humanisten van de vorige eeuw, die zij in wetenschap en politiek openlijk vertolkten, uiteindelijk heeft veroorzaakt dat ondanks achteruitgang en achteruitzetting vele stillen in den lande niet langer stil bleven, maar openlijk protest en verzet aantekenden tegen wat zij meer en meer zagen als een spirituele, culturele en politieke hegemonie van de humanistische gezindte.

Nu kan men mij tegenwerpen, dat de geschiedenis zich nooit herhaalt, en dat is juist. Maar bloei en inzinking van volksgroepen, vooral van geestelijk gekwalificeerde volksgroepen, worden steeds wéér ervaren in het cultuurleven, en het merkwaardige is dat tijdgenoten het er vaak moeilijk over eens kunnen worden, of zij in een fase van bloei dan wel achteruitgang leven, of er iets nieuws geboren wordt, dan wel dat iets afsterft. In deze moeizame problematiek wijst de geschiedenis ons niet zonder meer de weg, maar zij kan wel een bescheiden hulpmiddel zijn om onze eigen tijd beter te leren verstaan, waarbij wij evenmin voor tegenstanders of ook voor onszelf onwelgevallige vragen uit de weg mogen gaan, als deze weigeren te beantwoorden, wanneer het hart ons tot antwoorden dringt.

Hierbij komt ons in de gedachten een gestrenge uitspraak van een bekende Nederlandse historicus, en wel deze: “Historische kennis, die niet haar klankbodem en haar maatstaf heeft in een persoonlijk geestes- en zieleleven, is dood en waardeloos.” Deze zeer ware, maar toch wat extreem klinkende uitspraak is niet van Groen van Prinsterer, niet van Abraham Kuyper, niet van Gerretson, om van Nuyens en Gerard Brom te zwijgen, maar van niemand minder dan van de grote Huizinga! Zij sluit aan bij een gedachte van Huizinga, reeds een vijfentwintig jaar eerder, in 1913 uitgesproken: “Om waarlijk een nationale schat te zijn, moet een historische voorstelling culmineren in een heroïsche eenheid: in een beeld van een persoon, of van een strijd, of van een idee” (II, pag. 528). Men zou ook deze uitspraak weer van één der reeds genoemde anti-revolutionaire of rooms-katholieke historici verwachten, maar neen, het is wederom een parel die te vinden is in de akker van Huizinga, voor zover men zijn werk niet enkel lippendienst bewijst, maar ook werkelijk leest en bestudeert.

Deze uitspraken van Huizinga nopen ons tot enige opmerkingen, die ook voor onze tijd en voor onze kring van belang kunnen zijn. Daarbij vergeet ik niet dat Huizinga formeel nooit in onze zin is opgeleid tot historicus, en dus in feite een leek was, wiens benoeming tot hoogleraar in de geschiedenis we overigens aan minister Kuyper te danken hebben, die daarmee in 1905 inging tegen de wensen van de Groningse literaire faculteit.

Misschien dat Huizinga daarom later wel met zeker elan sprak over “het goed recht en de onmisbaarheid van den historischen dilettant. Op geen gebied van wetenschap is hij zoo nuttig en welkom als op dat van de historie, toegankelijk voor iedereen als het is” (VII, pag. 147), om verderop in zijn befaamde boek De wetenschap der geschiedenis uit 1937 nog op te merken, “dat de wetenschap der geschiedenis niet in de school is gegroeid, maar in het leven der gemeenschap” (VII, pag. 179).

Het eerste dan dat in dit verband dient te worden opgemerkt, is dat men aan de universiteit talent wel kan ontwikkelen, maar niet creëren, en waar geen talent aanwezig is, vlt niet te ontwikkelen. Men kan zich zelfs de vraag stellen of de universiteit in staat is geschiedschrijvers op te leiden. Is dit niet dezelfde vergissing die men beging toen men tegen het einde van de Middeleeuwen meende dichters te kunnen opleiden in de talrijke rederijkerskamers?

De tegenwoordige geschiedstudie aan de universiteiten is nog betrekkelijk jong, nog geen zeventig jaar oud. Minister Cals heeft een formidabele poging gewaagd tot het openstellen van de universiteit voor werkelijk brede volksmassa’s. Maar hij heeft wellicht één ding niet meegerekend: dat men met x-maal meer studenten naar de universiteit te trekken, níet automatisch evenzeer x-maal meer talent aantrekt. Onze enige troost is hier dat het echte talent onder de studenten door deze massaliteit niet verminderd wordt, zij het wel vaak bemoeilijkt, omdat massaliteit het naar voren komen van de middelmaat bevordert, en het gewone veelal boven het buitengewone voorrang heeft.

Leermeester

Een tweede punt dat onze aandacht verdient is het vraagstuk, of liever het feit, dat de leermeester aan de universiteit het, door de zogenaamde ‘professionalisering’ van de vakstudie, ál minder een plaats heeft. Onder de leermeester versta ik hier de figuur waardoor men zowel intellectueel als moreel gevormd wordt.

Leermeesterschap, van welke aard ook, is een vorm van pastoraat; en daar is, als voor alle pastoraat, tijd, stilte en gesprek voor nodig, althans in de faculteiten van de geesteswetenschappen. Een universiteit waarin geen plaats meer is voor persoonlijk gesprek, overleg en bezinning, verarmt en sterft uit. Zij doet, ondanks de beste bedoelingen en zoveel wat zij nog wél biedt, denken aan het schrikbeeld van een wereld, die Huizinga zijn lezers voorhoudt in de aanvang van zijn In de schaduwen van morgen, een wereld waarin “deze arme Europeesche menschheid achterbleef in verstomping en verdwazing, de motoren nog draaiende en de vlaggen nog wapperende, maar de geest geweken” (VII, pag. 315). Men maakt zich van Huizinga wel heel gemakkelijk af, wanneer men dit citaat en zijn gehele boek alléén laat slaan op het fascisme en nationaal-socialisme, en wij onze eigen tijd en ons hedendaags hoger onderwijs daarbij buiten beschouwing laten en aan de klem van zijn analyse onttrekken.

Bureaucratie en massaliteit dreigen het persoonlijk leermeesterschap aan de universiteit te verstikken en de morele band tussen leerling en leermeester door te snijden. Duizenden verlaten tegenwoordig de universiteit zonder ooit wezenlijke geestelijke invloed te hebben ondergaan van hun hoogleraren, en er zijn vele hoogleraren die ook geen geestelijke invloed meer wensen uit te oefenen op hun studenten, of daartoe ook maar in staat zouden zijn. En dat waar Plato in de Menon uitriep: “Maar zonder leermeesters ook geen leerlingen!”

Zo is de universiteit niets anders meer dan een verzameling vakscholen onder één dak: het administratief bestuur en financieel beheer. Er zijn nog mogelijkheden tot kennisvermeerdering, maar wat vroeger werd gezien als een wel altijd moeilijk realiseerbaar, maar toch hoog ideaal, om leiding te geven aan het geestelijk leven, dreigt ten onder te gaan aan studenten en hoogleraren die nog slechts verzuchten dat elke dag genoeg heeft aan zijn eigen kwaad. De hoogleraar van vroeger is manager oftewel volop ambtenaar geworden, en gevoelt zich het gelukkigst als hij vakantie heeft of met pensioen kan gaan.

Laat mij u ter verduidelijking van wat ik met leermeesterschap bedoel, eerst iets mogen voorlezen uit de bedankbrief die de jonge student Groen van Prinsterer op 1 mei 1822 namens zijn medestudenten schreef aan mr. Willem Bilderdijk, om zijn erkentelijkheid te betuigen voor het door Bilderdijk aan hen gegeven privaatcollege. De jonge Groen schreef hem: “Maar, wat het voornaamste is, gij hebt ons geleerd, dat al die wetenschappen op den godsdienst moeten steunen of volmaakt met dezen overeenstemmen en alleen dienstbaar zijn aan de ware en hooge bestemming van de mensch.” En nu één treffende opmerking uit de antwoordbrief, die Bilderdijk de volgende dag per ommegaande aan Groen terugschrijft, waarin voor mij de kern vervat ligt van alle ware leermeesterschap: “Gij hebt in mijne ziel gelezen.”

De ware leermeester opent zijn hart en laat zich in het hart zien. De ware leermeester is ook in zijn geesteswetenschappelijk onderwijs pastor der zielen. Hij onderwijst de leerling, roept bij hem vragen op en beantwoordt deze, en wanneer hij daartoe niet altijd in staat is, gaat hij als gelijke naast de leerling staan, erkennende dat die vragen bestaan, niet alleen voor de leerling, maar ook voor de leermeester, en dat hij daarin dus zijn gelijke is. Reeds dit kan de leerling tot steun zijn: dat hij er niet alléén voor staat, zodat dit besef hem voor een deel zijn gevoelens zal ontnemen van eenzaamheid, die nu eenmaal zo vaak het lot is van zo menig kind der wetenschap. Maar dit alles veronderstelt bij leermeester en leerling de wens, de wil tot het scheppen van een gemeenschappelijk klimaat, waarin zij vrij kunnen ademhalen, een geestesklimaat dat zij delen, en dat de kans geeft vragen op te roepen, deze vrijmoedig te stellen en waar mogelijk te beantwoorden.

Nu zal ik niet in de fout vervallen nauwgezet en met voorbeelden en namen op te sommen wat mijns inziens ontbreekt aan het tegenwoordig geschiedonderwijs aan de universiteiten, aan de geschiedbeoefening in het algemeen en aan de geschiedschrijving. Eensdeels niet omdat ik veel respect en sympathie heb voor personen en nijver verricht werk van sommige docenten, anderzijds niet omdat dit zo licht wrevel en ergernis kan opwekken van diegenen, wier naam hier in negatieve zin zou worden genoemd. Maar het is niettemin duidelijk wat men tegenwoordig meer en meer mist in het onderwijs en in de officiële geschiedbeoefening en geschiedschrijving.

Allereerst iets zeer in het algemeen. Vroeger viel de Nederlandse geschiedenis als het ware te vergelijken met een ellips, waarvan de beide brandpunten waren: de religie en het Oranjehuis. Maar het Oranjehuis, dat eens in het centrum van onze geschiedenis stond, wordt in de tegenwoordige geschiedbeoefening meer en meer achterwaarts gedreven; de religie wordt uitgedreven en verzwegen.

Over het Oranjehuis slechts één opmerking: is het achteraf zo vreemd dat koningin Wilhelmina zich in 1935 met hand en tand verzet heeft tegen de benoeming van professor Geyl? Moet men achteraf niet in haar erkennen dat zij althans doorzag en voorzag wat de gevolgen zouden zijn van een benoeming, die Colijn bij haar wenste door te zetten?

Religie

Maar het gaat ons vandaag toch vooral om de religie, en ik stel daaromtrent voorop dat ook historici gedurende de afgelopen eeuw veel te danken hebben aan sociologie en psychologie, maar, na door deze en andere vakken ernstig te zijn onderwezen en soms zijn terecht gewezen, heb ik de neiging om met Multatuli tot deze disciplines te zeggen: “Stik in koffie en verdwijn!” en laat ons eindelijk weer tijd om aan geschiedenis te doen, en niet aan modellen, want die behoren thuis in de kapsalon.

Religie laat zich wel dóórlichten en voor een deel verhelderen door andere disciplines, maar laat zich niet wegredeneren als een verschijnsel van bijkomstige of zelfs verdwijnende aard, en zeker niet in de geschiedenis van het Nederlandse volk. Ons volk is namelijk, van welke invalshoek men zijn geschiedenis ook beziet, tot op vandaag uiterst religie-gevoelig, een uitdrukking die wij overigens vooral niet moeten identificeren met religieus. De gemiddelde Nederlander, kerks of niet, is op het punt der religie zo gevoelig als een juffershondje. Maar toch, tweederde of meer van ons Nederlandse volk, het rooms-katholieke en het orthodox-protestantse volksdeel, is niet te begrijpen zonder er de religieuze achtergronden goed van te kennen.

Het trieste is dat deze beide grote volksgroepen eeuwen lang ook elkaar niet hebben gekend en begrepen, omdat zij elkaars religieuze achtergronden enkel wantrouwden. Maar de gevangenschap van drie maanden, zowel van de rooms-katholieke apologeet J.G. le Sage ten Broek (1775-1847) in 1827 als van de gereformeerde kerkinstitueerder Hendrik de Cock (1801-1842) in 1834, onder het overheersend humanistisch staatsbewind van de nobele koning Willem I, zou een eerste teken van lotsverbondenheid zijn na zoveel eeuwen van enkel scheiding.

Na 1500 doen zich immers twee wonderen voor in onze geschiedenis, waarop wij ons nooit genoeg kunnen bezinnen: de opkomst van een geheel nieuwe spiritualiteit, die zich een eigen religieuze weg baande buiten de rooms-katholieke wereldkerk, En, in Nederland, dat, ondanks alle achteruitzetting, tegenstand en verdachtmaking jegens hen, éénderde van het Nederlandse volk – massaal in het zuiden, verspreid boven de rivieren – ondanks alle tegenstand en vernedering van protestanten en humanisten, van predikanten en regenten, de oude moederkerk trouw blijft en haar standvastig blijft verdedigen.

Dat dit onderscheid tussen rooms-katholiek en orthodox-protestant tot in de geschiedbeoefening diepe sporen naliet, werd ik eens gewaar, toen ik de rooms-katholiek Anton van Duinkerken (1903-1968) in 1966 de vraag stelde hoe hij dacht over het geschiedwerk van de gereformeerde historicus H. Algra. De van opvatting brede, ja zwierige Anton van Duinkerken antwoordde op die vraag: “Hij is een knap volkshistoricus, maar zijn vaderlandse geschiedenis gaat niet over mijn vaderland.” Het feit doet zich voor dat de rooms-katholiek, de orthodox-protestant en de humanist in de oude Republiek ieder hun eigen vaderland beleefd hebben, en veelal is dit nog zo.

Ik wil in dit verband nog enkele korte opmerkingen maken over de derde volksgroep, de humanisten. En wel deze: dat het een ernstige fout zou zijn, wanneer men er van uitging dat diegenen die tot de humanistische gezindte behoren persé niet christelijk, of zelfs niet religieus zouden zijn. Zeker, velen binnen die volksgroep zijn het niet, lezen geen Bijbel en bezoeken geen kerk, zijn niet bekommerd over religieuze vragen, en ergeren zich soms wanneer anderen dat wél doen, of spreken spoedig over bijgeloof, hypocrisie en farizeïsme.

Maar de bekendste leider van de humanisten, wellicht de bekendste Nederlander buiten ons land, was en is Erasmus. Hij is levenslang rooms-katholiek gebleven, maar had een door en door protestantse spiritualiteit, die hij, zelf gedurig in aanraking met de Schrift levend, tot uiting bracht in al zijn geschriften. Beroemd portret van Erasmus uit 1523Zijn spot met luie monniken en rijke prelaten kon hij niet nalaten te strooien door zijn bijbelcommentaren, zoals de rooms-katholieke historicus Gerard Brom met zekere wrevel opmerkt. Maar Erasmus was een overtuigd christen, die te Bazel, in het bekende Haus zur Luft in de Bäumleingasse in 1536 stierf met als laatste Nederlandse woorden: “Lieve God…”

Een tweede figuur waaraan ik in dit verband wil herinneren is Thorbecke. Hij is terecht de geschiedenis ingegaan als de grote parlementaire tegenstander van Groen van Prinsterer, maar let wel: Thorbecke was zeker niet a-religieus, maar werd opgevoed in een kerkelijk zeer meelevend Luthers milieu. 6 Hij was echter gesloten van karakter en sprak of schreef op later leeftijd nimmer meer over de religie, en zeker niet over zijn persoonlijk geloofsleven. En omdat persoonlijk ervaren getuigenissen het meest overtuigend zijn, denk ik hier ook aan de niet aangesloten liberaal, gouverneur-generaal Tjarda van Starkenborch, die mij in 1963 eens zei: “Ziet u, ik ben heel religieus, maar ik spreek er niet graag over.”

Het zijn al deze persoonlijke gemoedsfactoren, die wij ook steeds weer ontmoeten bij rooms-katholieken en orthodox-protestanten, die wij bij de humanisten in rekening moeten brengen, willen wij ze als groep en individueel juist beoordelen.

Humanistische traditie

Inmiddels valt niet te ontkennen, al horen velen dat niet graag, dat het geschiedenisonderwijs aan onze rijksuniversiteiten grotendeels in handen was en is van humanisten, en dat ook bekende handboeken als die van Oud en Kossmann, die de studenten moeten bestuderen, door overtuigde humanisten geschreven zijn, wier boekwerken geheel passen in de humanistische traditie. Voeg hier aan toe het feit dat met name modieuze termen als ‘verzuiling’ en ‘ontzuiling’ als dominostenen gretig over de borreltafel der historici worden geworpen, door schrijvers en sprekers die er zelden blijk van geven het innerlijk leven van bepaalde religieuze groepen en gemeenschappen ook maar bij benadering te kennen, laat staan de geschiedenis ervan grondig bestudeerd te hebben, en u begrijpt dat sommigen, die hier oog voor hebben, niet ten onrechte met evenveel argwaan het hedendaagse handwerk der officiële vakhistorici gadeslaan, als Groen van Prinsterer in zijn tijd afwijzend stond jegens mede-academici en de vooraanstaande journalisten.

Soms, bij wijze van uitzondering, vernemen wij een voorzichtige openbare aanmerking op dit bedrijf, maar toch tamelijk zeldzaam. Zo is het even kenmerkend voor de humanist Kossmann dat hij in zijn handboek De Lage Landen 1780-1940 uit 1976 de gehele Afscheiding van 1834 maar geheel wegliet – niet eens noemde – als dat de gereformeerde Van Deursen deze omissie signaleerde. Ook de knapste historicus kan niet zien waarvoor hij geen oog heeft of wil hebben; niet iedere humanist is even breed van kijk en visie als Huizinga, die in de kerkelijke afscheidingsdaad van De Cock en Scholte in hun moeilijke omstandigheden “niet minder dan een daad van moed” signaleerde (VIII, pag. 153). Maar niemand kan het ons gereformeerden kwalijk nemen dat wij, die voor de diepe doorwerking en grote religieuze, politieke en maatschappelijke gevolgen van de Afscheiding van 1834 wél oog hebben, dus geheel andere accenten leggen en andere feiten naar voren brengen, dan Kossmann die, om met Van Duinkerken te spreken, nu eenmaal niet de geschiedenis van ons vaderland schreef!

Ware het echter bij enkele omissies als deze gebleven, maar er is méér aan de hand, en het opmerkelijke is dat wij wederom aan de hand van Huizinga vrij duidelijk kunnen formuleren wat wij in de hedendaagse geschiedbeoefening in Nederland missen. In 1937 waarschuwde Huizinga reeds tegen de ontwikkelingsgang van geschiedbeoefening van zijn dagen: “Het accent kwam veelal al te zeer te liggen op de geschiedvorsching en détail, op de analytische monografie, tot schade van geschiedschrijving en samenvattende behandeling” (VII, pag. 110). Huizinga erkende weliswaar dat de negentiende eeuw een bloeitijdperk van historische wetenschap kon worden, maar, vervolgt hij, “al is daarbij de geschiedvorsching onvermijdelijk de geschiedschrijving boven het hoofd gegroeid” (VII, pag. 179).

Deze bezwaren van Huizinga uit 1937 waren overigens destijds niet nieuw. Reeds G.W. Kernkamp sprak in zijn Utrechtse inauguratie Van Wagenaar tot Fruin op 19 oktober 1903, toen het uiten van zulke kritiek blijkbaar nog geoorloofd was, de sindsdien klassieke woorden, die aan onze generatie niet zijn doorgegeven:

“De zaak is, dat onze historici meerendeels noeste werkers en vlijtige uitgevers van ongedrukte stukken, maar trage en slechte schrijvers zijn.”

Ik dacht dat dit oordeel vandaag nog volop actueel is, want al heeft de Leidse historicus I. Schöffer op maandag 30 mei 1988 in een artikel in het NRC Handelsblad verkondigd, ja zelfs met genoegen vastgesteld “dat in Nederland zelf het vakhistorisch bedrijf door vele oorzaken en om talrijke redenen een grote bloei doormaakt”, ik heb van die bloeitijd, op het respectabele werk van L. de Jong na, nooit veel gemerkt: de beide vaktijdschriften voor geschiedenis zijn doorgaans oersaai, wel vol met vaak korzelige kritieken op details en vol met onleesbare artikelen. Gedenkdagen worden in die tijdschriften doorgaans overgeslagen, de spaarzame In memoria zijn doorgaans onpersoonlijk en verzakelijkt, soms kil; kortom, ik heb nog steeds geen antwoord op de vraag die ik in 1970 eens aan de redactie van één van beide bladen richtte: “Kunt u mij ook uitleggen hoe het komt, dat het boeiendste vak het saaiste vaktijdschrift heeft?”

Ik geloof dat de hedendaagse geschiedbeoefening ondanks alle sociale en economische geschiedbeoefening ver buiten het gewone leven staat, en wat ik bedoel kan ik ook thans duidelijk maken met een citaat van de grote Huizinga:

“Het is opmerkelijk, hoeveel van de groote geschiedschrijvers, die de wereld kent, midden in het leven van hun volk en van hun tijd hebben gestaan, als staatslieden, als kerkmannen, als rechters of als dichters, maar zelden als schoolmannen. De beoefening der geschiedenis, receptief of productief, staat steeds voor iedereen open; er is nauwelijks speciale wetenschappelijke voorkennis toe noodig. De historie heeft haar deuren vrij openstaan voor den amateur. Gelukkig de landen, waar uit den staatsdienst, uit het publieke leven de geschiedschrijvers opstaan. Weinig wetenschappen hebben voor haar wasdom zoo weinig te danken aan de universiteit als de geschiedenis” (VII, pag. 106).

Aldus Huizinga reeds in 1937, in een tijd dat dit nog gezegd mocht worden.

Ter afsluiting van dit deel van mijn conversatie – want meer is het niet – nog een enkel pikant punt. Wie is ons jarenlang als de magische grootmeester der geschiedenis voorgehouden, met name te Leiden, en vooral door zijn kapelaan Wesseling? Fernand Braudel, zaliger nagedachtenis. Natuurlijk is Braudel een heel respectabele figuur, die, wat ik zo in hem waardeer, origineel en geheel op eigen manier in het geschiedbedrijf is te werk gegaan. Dáár heb ik respect voor. Maar toen hij op 21 mei 1975 van onze oudste universiteit een eredoctoraat kreeg, heb ik direct gezegd dat hij dat eredoctoraat volop verdiende, maar níet in de historische faculteit, want in feite was Braudel een ouderwets, zeer gedegen, onvermoeibaar hard werkende sociaal-geograaf. Amsterdam en Utrecht hadden hem dus dit eerbewijs kunnen uitreiken, niet Leiden , dat – en hier schuilt het misverstand – geen sociaal-geografische faculteit heeft.

Met dat al: Braudel et plus Braudel qua Braudel! De nieuwe Algemene Geschiedenis der Nederlanden zou dan in geheel nieuwe trant á la Braudel geschreven worden, ter lering ende vermaak van al onze historici, die de moeite zouden nemen dit werk van gigantische omvang door te ploegen. Wie zou niet met vreugde van deze vernieuwing van onze geschiedwetenschap kennis nemen, om daardoor naar Braudels beeld en gelijkenis te worden herschapen en daarmee als historicus te worden wedergeboren!

Zelden echter is een droom zo wreed verstoord als geschiedde door het Zaterdags Boekenbijvoegsel van het NRC Handelsblad van 26 augustus 1989. De korte tijd geleden uit Rotterdam overgekomen hoogleraar te Leiden P.W. Klein ging, om met Bilderdijk te spreken ‘roffelend om,’ en schreef tot aller verbazing en veler ontsteltenis:

“Wat men ook voor of tegen Braudels opvattingen mag aanvoeren: als denkschema voor het schrijven van de Nederlandse geschiedenis hebben zij hun onwaarde overtuigend bewezen. Een hele stoet historici – ondergetekende was erbij – heeft meegewerkt om de lezer wat betreft de Nieuwe Tijd een Algemene geschiedenis der Nederlanden á la Braudel te serveren. Het werd een smakeloze hutspot die door de kritiek terecht de afvalbak werd ingeprezen.”

Is het niet alsof een overlevende kardinaal een encycliek van een dode paus herroept? Er zijn citaten die men niet zou durven aanhalen als ze van jezelf waren, maar waar het hier betreft een fragment van de Leidse hogere kookmeester P. W. Klein, leek het mij juist dit citaat hier weer te geven. En waarom? Omdat dit citaat ons zo duidelijk aantoont dat zelfs wat in Leiden jarenlang ons als ‘model’ werd voorgehouden en aangeprezen, gepropageerd en opgedrongen, ook door studenten en oud-studenten maar het best kritisch bezien kan worden. Wie tijdig kritisch was, zal nu minder verrast zijn door deze vernietigende uitspraak van P.W. Klein over Braudel en de enige jaren geleden met spanning verwachte, toen hoog aangeprezen en door velen als summun bonum ontvangen Algemene geschiedenis der Nederlanden.

Gereformeerden

Maar wij moeten ook over onszelf spreken. Wij vormen een onderdeel van de grote orthodox- protestantse volksgroep, die éénderde van onze natie vormt. De confessioneel-gereformeerden, die tien procent van de natie vormen, worden van huis uit gekenmerkt door hun trouw aan de confessie, hun constante bezinning op het geloof, hun betrokkenheid bij het staatkundig gebeuren en hun zeer verspreide traditie en geschiedenis.

Dat hun zwak onder meer ligt in hun kerkelijke en politieke gescheurdheid, is bekend. Over de precieze grenzen van de gereformeerdheid zijn zij het noch onderling noch met de overige orthodox-protestanten precies eens. Hier is de centrale vraag: wáár liggen de grenzen van de gereformeerdheid? Behoren Van Ruler, die erelid van ‘Voetius’ was, Miskotte en Noordmans er nog bij? Wie de kerkelijke en politieke gebrokenheid van de confessioneel-gereformeerden ziet, moet soms moedeloos worden, over zoveel kruit dat wekelijks onderling verschoten wordt.

En toch zijn hier twee opmerkingen tegenover te plaatsen. Allereerst dat, hoe vreemd het op het eerste gehoor ook klinken moge, uit die grote verspreidheid van de gereformeerden ook iets blijkt van het katholieke karakter van het gereformeerde geloof: men kan op verschillende manieren gereformeerd zijn, zowel in de kerk als in de politiek. Een tweede opmerking is deze: voor 1892 vroeg men vaak aan de bekende afgescheiden predikant ds. W.H. Gispen wanneer de kerken van Afscheiding en Doleantie nu eindelijk één zouden worden. Het vaste antwoord van ds. Gispen was dan: “Broeders, wij zijn één!”

Zo hoop ik dat deze nieuwe vereniging van historici íets van het woord van ds. Gispen mag ervaren, want dat is wel voorwaarde om met elkaar eensgeestes samen te werken. Wanneer deze nieuwe vereniging zonder benepenheid jegens wie ook, met een open blik voor de vele gebreken die er vandaag in de geschiedbeoefening in Nederland te constateren zijn, aan het werk gaat, met bereidheid tot gesprek jegens iedereen, dan kan men wel bezwaar hebben, maar moeilijk bezwaar maken tegen deze vereniging; dan zal men, al naar de resultaten van uw werk zijn, haar optreden eerder toejuichen.

En overigens: een kleine overtuigde groep is tot veel meer in staat dan een grote culturele groep zónder overtuiging. Idealisme is méér waard dan knap gereglementeerde zogenaamde ‘professionaliteit’. Want goed historisch werk wordt met name bepaald door persoonlijkheid, door karakter en talent, of, zoals Huizinga schreef, door “gezond verstand, oefening en bovenal historischen zin” (VII, pag. 150). Wij mogen over veel verontrust zijn inzake wat wij rondom ons waarnemen, mits wij niet enkel over anderen verontrust zijn, maar ook over onszelf. Wij moeten beseffen dat wij elkaar nodig hebben; binnen, maar ook buiten deze kring. Wij zouden elkaar misschien soms in vele opzichten anders wensen, maar wij beseffen tevens dat wij elkaar niet geheel kunnen missen.

In onze gesprekken met elkaar dienen wij te zijn: scherp in het stellen, mild in het oordeel. Maar wij dienen níet te ‘Nicodemiseren’, zoals men het in de Reformatietijd noemde, toen sommigen, in de aanvankelijke lijn van Nicodemus, die slechts ’s nachts tot de Heer dorst te komen, wel tot de Reformatie behoorden, maar er niet openlijk voor uitkwamen. Geschiedenisbeoefening is geen ‘vak’, maar a way of life. In kwade tijden overwintert alleen overtuiging, en die is nodig én in de grote én in de kleine kerken. Het humanisme moet bij dit alles geëerbiedigd, maar het calvinisme mag er niet mee vermengd worden, ook niet onder het mom dat de verhoudingen in de Nederlandse historici-kringen zo gunstig zijn jegens ons, want dat geloof ik niet.

Wel geniet, evenals in de vorige eeuw, in leidinggevende kringen der historici kleurloosheid van overtuiging voorrang boven confessionele pregnantheid. Toen in 1981 de bundel Historici van de twintigste eeuw samengesteld werd door Huussen, Kossmann en Renner, werden vijf Nederlandse historici de eer waardig geacht te worden opgenomen, en wel Huizinga, Geyl, Romein, Presser en Slicher van Bath, waarbij dus opvalt dat bewust confessionele historici als Gerretson, Gerard Brom en Rogier voor hen evenmin van belang werden geacht als de Afscheiding van 1834 door Kossmann. En een enkele keer geldt ook nu nog jegens de werkelijk gereformeerden de dichtregel van Willem de Mérode, “Maar de haat is nog laaiend als de hel.”

Wie moeten wij daarbij zoeken? De gewone mensen, die overal zijn, óók onder de academici, maar niet alleen dáár. De gereformeerden hebben, anders dan vele historische vakbladen, waarin, om met Gerretson te spreken, de vakhistorici voor elkaar schrijven, 13 nog een achterban. Laten wij het contact daarmee niet verliezen.

God en de ziel

Johan Huizinga – tekeningWat moeten wij in onze geschiedbeoefening zoeken? Om met Augustinus te spreken, ook in de geschiedenis: God en de ziel. Iedere generatie heeft bij de geschiedschrijving een geweldige taak, want de geschiedenis, alle geschiedenis moet aan iedere generatie steeds weer opnieuw verteld worden, anders wordt ze vergeten. Historici zijn dodenopwekkers, door middel van het verhaal. Want zolang er over mensen uit het verleden nog gesproken wordt, leven ze nog een beetje, en bepalen ze méé onze cultuur, onze problemen, ja onszelf. Geschiedenis verrijkt daarom ons geestesleven.

Maar wij hebben wel te bedenken dat de geschiedenis geen pot is, waar men anekdotes uit opvist, om zich daarmee te vermaken, of in columns van mulo-niveau de vorige generatie vol onbegrip onheus aan de kaak te stellen. Er valt veel te doen. De situatie van onze parlementaire geschiedenis strekt ons niet tot ere. Zelfs van onze minister-presidenten bestaat slechts bij hoge uitzondering een biografie. Vergeleken bij andere volken rondom ons zijn wij in onze geschiedschrijving erg arm. Achterstand en tekort is het ergste niet, maar wel wanneer men dit niet inziet, en spreekt van een periode van ‘grote bloei’! Armoede is geen schande, maar wordt nooit verholpen als men niet naar verbetering streeft en inzicht heeft in de gebreken.

Maar wij zullen ook voor wat de parlementaire geschiedenis betreft ook hier een waarschuwing van Huizinga indachtig dienen te zijn:

“Het komt mij wel eens voor, dat het overwegend belang van de allernieuwste geschiedenis gemeenlijk wordt overschat” (VII, pag. 163). (…) “De overwegende aandacht voor de meest recente geschiedenis, die ook in de wetenschappelijke kringen veelal als voor de hand liggend geldt, kan niet als uiting van sterk historisch besef worden aangemerkt” (VII, pag. 182).

Daar staat tegenover dat het óók niet gewenst is figuren uit het jongste verleden geheel dood te zwijgen. Een behoorlijk overzicht van leven en denkwereld van Geelkerken en Schilder – om hen slechts te noemen – wordt nog pijnlijk gemist. Maar voor wat onze parlementaire geschiedenis betreft, wanneer men het jongste verleden poogt te beschrijven, en men doet dat uit eenzijdig bronnenmateriaal, treedt soms wel de politieke keuze van de scribent duidelijk naar voren, maar faalt deze om een diep doordachte beschrijving te geven van de spelers in het landschap dat verdween, en komt de lezer nóg niet te weten wie es eigentlich gewesen ist. Het lijkt er soms wel op of sommigen alleen een dissertatie schrijven om daarna in de krant gedurig hun opinies weer te geven over de hedendaagse politiek.

En overigens, niet alleen in archieven, ook in Kamer-Handelingen zal men bij geduldig lezen historische schatten kunnen opdelven. Wie bijvoorbeeld het korte historische overzicht leest dat minister-president Mackay op 6 december 1889 in de Eerste Kamer over de geschiedenis van het lager onderwijs in Nederland gaf, denkt met een bekwaam geschiedschrijver van doen te hebben, en in de trant van Huizinga was Mackay dat toen ook. Overigens vraagt men zich af, deze bewogen Handelingen uit die jaren nalezend: wanneer zal eindelijk iemand zich werpen op het schrijven van een biografie van de zozeer omstreden en toch zo boeiende, treffende figuur van Keuchenius?

Twee sporen en een eigen weg

Wat ik u en iedere student in de geschiedenis toewens, is een twee-sporen-beleid in zijn of haar studie. Natuurlijk is men maatschappelijk gedwongen de steeds schoolser wordende universiteit van vandaag, die meer en meer een twintigste eeuwse HBS van Thorbecke is geworden, te volgen. Het kan nu eenmaal niet anders: zonder examina doen de meesten onzer helaas weinig in de maatschappij, al vraag ik mij wel eens af of niet méér dan vandaag geschiedt de eerstejaars studenten geschiedenis ernstig gewaarschuwd dienen te worden dat in de meeste gevallen aan het einde van de studiebaan werkloosheid hen wacht.

Maar ook wannéér men dan gaat studeren, moet men mijns inziens geestelijk liefst maar zoveel mogelijk losblijven van al die computerprogramma’s, schoolse werkklasjes en HBS-opdrachten die men binnen de hedendaagse universiteit ontvangt, om zelf een geestelijke weg te vinden in de doolhof van de geschiedbeoefening. Reeds velen hebben moeten ervaren tegen het einde van of ook zelfs na hun afstuderen dat de startbaan van de tegenwoordige universiteit hen geen of onvoldoende contact verschaft met de geschiedenis, maar het duurde soms jaren eer men dit na een pijnlijk ontgoochelingsproces ontdekte. Het is beter op zelfstandige wijze klein onder de groten te blijven, dan in onvrijheid groot onder de kleinen te worden.

Een eigen weg! Ik ontleen deze uitdrukking opnieuw aan Huizinga, aan zijn kleine nagelaten, openhartige autobiografie Mijn weg tot de historie. Die titel alleen al! Dat ieder in het oerwoud van de geschiedbeoefening zijn eigen weg mag trachten te vinden, en dat dat de testcase tevens is voor ieders wetenschapsbeoefening! Huizinga’s kleine autobiografie geeft werkelijk inzicht in zijn leven en in de opvatting van zijn taak als historicus, en omvat treffende uitspraken over zichzelf, maar ook zeer persoonlijke wenken en vingerwijzingen voor vakgenoten die nog naar hem luisteren willen.

Een ondeugende wenk over de geschiedfilosofie:

“Tot mijn studenten, die veelal sterke neiging vertoonden tot de theorie der geschiedenis placht ik te zeggen: neem er eenige kennis van, maar begeef er u niet in, want het leidt u af van het eigenlijke werk van den historicus” (I, pag. 36).

Maar de sleutel tot zijn eigen weg, die tevens in zijn autobiografie de slotsom vormt van heel zijn wetenschappelijk bestaan, is een trefzekere uitspraak, die ik nog nooit door vakhistorici geciteerd of besproken heb gezien:

“In het streng gesloten gilde van de philologen en geschiedvorschers, waar de reglementen gelden en de voorschriften moeten worden nageleefd, heb ik mij nooit thuis gevoeld. Ik had, om in de taal van onze oude Windesheimers te spreken, maar een vonkske ontvangen, dat af en toe wel gloeien wilde” (I, pag. 41-42).

Gezegend de eenvoudigen van hart! Doe daarom als Huizinga heeft gedaan, zoek een eigen weg, en volg dus de raad van Marsman op, die in zijn Tempel en Kruis schreef:

“als het verleden trekt,
zoek dan een land,
dat niemand heeft begaan,
zoek naar den leegen weg.”

Ik kan u ook toewensen: zoek binnen de universiteit nog íets van de universiteit te redden!

U hebt uw voet thans op het pad van deze vereniging gezet, en ik kon over wat mij bewoog u een gezegende vaart toe te wensen, slechts enkele opmerkingen maken. Dat de kring waaruit u komt en de vereniging waarin u binnen treedt klein is, stelt wel praktische opgaven, maar behoeft geen belemmering te zijn voor wie als levend woord in de Nederlandse Geloofsbelijdenis artikel 27 heeft gelezen dat zelfs de kerk “soms een tijd lang zeer klein en als tot niet schijnt gekomen te zijn in de ogen der mensen.”

Mag ik eindigen met een woord van Robert Fruin, dat hij op 7 december 1880, kort na de opening van de Vrije Universiteit, aan zijn vroegere leerling Abraham Kuyper schreef, een geschiedschrijver tot een geschiedmaker, een dirigent tot een componist, maar toch vóór alles een humanist tot een calvinist. Ik weet niet of dit brieffragment ooit gepubliceerd is, maar de daarin vervatte overtuiging van de leider van de negentiende eeuwse liberale geschiedschool zij aan alle historici van vandaag van harte aanbevolen. Het bewijst dat er een gespreksbasis zou kunnen zijn ook tussen hedendaagse humanisten, rooms-katholieken en gereformeerden, zonder dat een van hen een Nicodemiet behoeft te zijn.

Fruin schreef aan Kuyper:

“Ik voor mij hunker naar tegenspraak, en hoe klemmender hoe liever: zoo scheid ik het onjuiste van het juiste in mijn voorstelling en word te vaster van de waarheid overtuigd. Om die reden verheug ik mij van ganscher harte in het Reveil van de katholieke zowel als van de calvinistische antirevolutionairen. Want actie wekt reactie, en bij de modernen is de geestkracht na de behaalde overwinningen erg verzwakt. Zonder den prikkel der concurrentie loopen wij gevaar in te dommelen, en dat is het treurigst wat aan een partij, aan een natie, overkomen kan. Prevalebit veritas. Daarvan zijn wij allen overtuigd. Gij niet minder dan wij. Een ieder verdedige zijn zienswijze met alle kracht; namelijk met kracht van woorden, niet met den sterken arm. De dwaling alleen zal in den drang onderliggen, wat waar is in elks meening loopt geen gevaar. Zoo zie ik dan ook met vreugde het oprichten eener calvinistische universiteit aan en ik hoop van ganscher harte dat zij zich staande zal houden. Waren er in uw partij maar meer mannen van uw vuur en uw kracht.”

Roept dit troostwoord toe aan allen!

Jaargang 01 (1990) No 2 (notenapparaat ontbreekt)