Opvattingen over armenzorg binnen de NHK en het Reveil 1825-1854

Abraham Kuyper riep het Christelijk Sociaal Congres bijeen, waar gesproken werd over sociale vraagstukken. Naar aanleiding van dc stakingsgolven eind 19e eeuw moesten confessionelen zich buigen over dit soort vraagstukken. Al eerder in die eeuw hadden christenen zich beziggehouden met het probleem armoede, ook al had men toen nog niet te maken met het arbeidersvraagstuk. Ik wil in dit artikel in het kort ingaan op de armenzorg en de opvattingen die hierover leefden binnen de Nederlandse Hervormde Kerk (NHK) en het Nederlandse Reveil in de periode 1825-1854. Daarna wil ik een vergelijking maken beide stromingen.

Een prent over armenzorg ui de Utrechtse Courant van 1897. Bron Het Utrechts Archief

Een prent over armenzorg uit de Utrechtse Courant van 1897. Bron Het Utrechts Archief

De armenzorg in de Nederlandse Hervormde gemeenten beperkte zich veelal tot het verzorgen van de armen van de eigen gemeente. De diaconale zorg begon bij het verstrekken van medische hulp en onderwijs aan de kinderen waarvan de ouders dit niet konden betalen. Daarna kregen mensen die niet genoeg inkomen hadden om rond te komen een aanvulling hierop, zodat men net in de primaire levensbehoeften kon voorzien. Ten slotte zorgden de diakenen voor bejaarden, gehandicapten, zieken en wezen. Deze werden meestal opgenomen in de tehuizen ter plaatse. De zorg voor huisvesting van de armen kwam waarschijnlijk slechts sporadisch voor.

Onder invloed van veranderende opvattingen over armoede en armenzorg veranderde die zorg wel tijdens de bestudeerde periode. Aan het begin van de 19e eeuw ging men er nog vrij algemeen vanuit dat de kloof tussen rijk en arm een natuurgegeven was. De kerk interpreteerde Jezus’ woorden “de armen hebt gij altijd met u” als een feit. Christus zou de armen in Zijn plaats nagelaten hebben. Hierop kon men geen invloed uitoefenen.

Onder invloed van de Verlichting gingen mensen zoeken naar oorzaken van armoede en streefde men naar een oplossing. Men ging armoede zien als eigen schuld; een gevolg van luiheid, dronkenschap, verkwisting of een vroeg huwelijk. Hiertegen werden ondernomen. Godsdienstige opvoeding zag men als het beste middel wat aansloot bij het opvoedingsideaal van de Verlichting. Deze opvoeding vond plaats tijdens godsdienstonderwijs, catechisatie en in de armenkerk. De armen en hun kinderen moesten op deze wijze worden opgevoed tot godsdienstige leden van de gemeente die voldeden aan de normen van de kerk. Bleken ze dit niet te zijn of maakten ze van de middelen die hiertoe moesten dienen geen gebruik, dan werd er gekort op de bedeling.

Niet alle diakenen geloofden echter in de idee van de godsdienstige ontwikkeling als beste middel om armoede te bestrijden. In Rotterdam overheersten liberale ideeën en ging men zich in 1851 beperken tot het verzorgen van mensen die niet konden werken Ook hier wilde men dus luiaards en verkwisters uitsluiten van de bedeling. Twee jaren later hanteerde men ook in Rotterdam de eisen van godsdienstigheid, zedelijkheid, matigheid en orde voor het in aanmerking komen voor de bedeling. Hiermee wilde men de eigen kerkelijke gemeente in stand houden. Diakenen wilden mensen binden aan de waarden van het eigen geloof zodat ze de weg tot het tijdelijk en eeuwig geluk zouden vinden.

Naarmate de maatschappelijke en economische oorzaken van armoede beter werden ingezien en het opvoedingsideaal van de Verlichting niet langer domineerde, werd de religieuze verklaring die de kerk van de armoede gaf steeds ongeloofwaardiger. Waarschijn-lijk bleef men er toch aan vasthouden omdat de nieuwe opvattingen en de kringen waaruit ze voortkwamen een bedreiging voor de kerk vormden. De kerk zag het niet als haar verplichting de arme leden te onderhouden, het was meer een gunst. Men voelde zich dan ook niet schuldig tegenover degenen die buiten de bedeling vielen. Zo zag de kerk het niet als haar taak zich het lot van de arbeiders aan te trekken. De arme moest dankbaar zijn, mocht geen klachten uiten en moest gehoorzaam zijn aan de gever.

Alleen vanuit morele overwegingen mocht er een beroep op de bezittende klasse gedaan worden. De armenzorg was afhankelijk van de persoonlijke verantwoordelijkheid van de leden van de bezittende klasse. Het hoefde niet meer te kosten dan de rijken bereid waren ervoor af te staan. Volgens P.A.C. Douwes – in zijn proefschrift over de diaconale armen-zorg in Rotterdam – steunden rijken de diakonie om de maatschappelijke orde in stand te houden. De eigen rijkdom werd erdoor verdedigd tegenover de begerigheid van de minder bedeelden en tegenover het eigen geweten. J.H. Reddingius, een predikant uit Franeker, constateerde in 1847 dat de diakonie verworden was tot een tak van de politie. Mensen die door de diakonie onderhouden werden leden zo geen honger en berokkenden anderen zo geen schade. De taak die hij voor de diakonie weggelegd zag, namelijk het opbouwen in het geloof, kreeg geen gestalte.

Download het complete artikel (pdf)

Jaargang 02 (1991) No 3