Meester van de indirecte belichting: de geschiedschrijver A.Th. van Deursen

Bavianen en Slijkgeuzen, met als ondertitel Kerk en Kerkvolk ten tijde van Maurits en Oldenbarnevelt (1974), Het kopergeld van de Gouden Eeuw in vier deeltjes (1978-1980), later gebundeld onder de titel Mensen van klein vermogen (1994) en tenslotte Een dorp in de polder, Graft in de zeventiende eeuw (1994), het zijn de grote werken van A.Th. van Deursen, en ze gaan alle in de eerste plaats over de kleine man. Volkscultuur, het reilen en zeilen van de gewone mens in vroegerjaren, met name in de zeventiende eeuw, heeft zijn grootste aandacht. Met een zeker mededogen zoekt hij de ontmoeting juist met die mensen uit het verleden die de geschiedenis betaald heeft “met het loon dat te beurt valt aan alle brave en fatsoenlijke mensen: ze zijn volkomen in de vergetelheid weggezakt.” Wat drijft hem daartoe?

Verwantschap en naastenliefde

In vele van zijn historische opstellen, gebundeld in De Eeuw in ons hart (1991), maakt Van Deursen duidelijk dat geschiedwetenschap primair moet leiden tot “het verhaal van mensen die ons nastaan, omdat ze met ons mens geweest zijn.” (p.137) Geschiedenis is “deel hebben aan de ervaring van vorige generaties; weten hoe ze geleefd hebben en waarvoor ze leefden; hun recht doen in hun bedoelingen.” (p.87) Deze algemene uitspraken krijgen meer profiel als we zien hoe kritisch Van Deursen zich uitlaat over historici die zichzelf boven het verleden verheffen, geschiedschrijvers “die de geschiedenis lezen als het verhaal van de gemaakte fouten.” (p.84) Lieden die zich beijveren voorlichting over dat verleden te verbreiden, onder de leus: “Het verleden is niet dood. Maar het moet dat wel worden.” (p.84,85).

Hij wil zich ook onderscheiden van die geschiedschrijvers die zich vanuit een krachtig sociaal engagement bezighouden met de onderdrukten uit vroeger dagen. Tegenover deze sociale of socialistische solidariteit stelt hij een ander groot woord, christelijke naastenliefde. (vgl. p.15)

Met minder wil hij niet toe. Een goed historicus wordt door liefde bewogen. Van Deursen zal denk ik niet snel een bewogen geschiedschrijver genoemd worden. Zijn stijl kenmerkt zich eerder door helderheid, precisie, trefzekerheid, ironie ook. Maar hij blijkt zich er diep van bewust te zijn dat alleen liefdevolle aandacht, met alle lading die het woord liefde in zich draagt, de afstand tot de medemens van vroeger kan overbruggen. Maar naastenliefde is geen allemansliefde. Dus blijft de vraag, wie kiest deze historicus als zijn naaste? Of, beter gezegd, al blijft het voorgaande denk ik ook gelden, wie ziet hij als zijn naaste op zijn weg geplaatst?

Als het om kiezen gaat, is hij er niet onduidelijk over dat hij graag verkeert “met de zeventiende-eeuwer, voor wie de christelijke religie maat en regel der dingen was.” (p.75) Maar niet alleen hij kiest hen, zij hebben hem ook nodig.

In het Woord vooraf van Bavianen en Slijkgeuzen vermeldt hij hoe negatief vaak is aangekeken tegen de bijdrage van de gereformeerden aan de vorming van onze samenleving. Hij wil hen recht doen tegenover al diegenen voor wie geldt: “mijn ziel heeft een gruwel van de calvinisten.”

Op zichzelf genomen is deze drang om de gewone gereformeerde mens van vroeger nader te komen en recht te doen niet nieuw. Ze kan geplaatst worden in de traditie van Kuypers verdediging van de ‘kleine luyden’. Maar Van Deursen onderscheidt zich in zeker twee opzichten grondig van deze gereformeerde traditie. In de eerste plaats toont hij absoluut geen behoefte om de gereformeerden van vroeger op te hemelen tot dragers van het Nederlandse volkskarakter. Met andere woorden, zijn calvinisten dienen niet tot vergroting van hedendaags gereformeerd zelfbewustzijn. En verder mist hij ook de bij deze traditie horende aandacht voor de ‘strijd der geesten’, die zo goed past bij het antithetische beginseldenken. Van Deursen is geïnteresseerd in gedrag en beleving van de mensen die hij opzoekt. Bovendien laat die strijd der geesten zich veel beter achterhalen als het gaat om de beschrijving van de culturele elite en die geeft hij veel minder aandacht.

De voorgaande constatering betekent niet dat Van Deursen geen aandacht heeft voor geestelijke tegenstellingen. Integendeel. Hij ziet ze alleen tussen andere fronten lopen dan vroeger gezien werd en toont zich daarmee, als elke historicus, kind van zijn eigen tijd. In de ‘verzuilde’ vaderlandse geschiedschrijving van gisteren en eergisteren kregen de tegenstellingen tussen gereformeerden en katholieken, tussen humanisten en calvinisten de volle aandacht. Nu de secularisatie van onze samenleving voltooid lijkt, worden andere contrasten zichtbaar, die tussen mensen die wel geloven in normen en waarden die van boven komen en hen die niet meer kunnen of willen geloven in God en zijn gebod.

Download het complete artikel (pdf)

Jaargang 07 (1996) No 3