Kerk, vaderland en dynastie

Bron Wikimedia

Bron Wikimedia

Boven aan dit papier heb ik als titel geplaatst: kerk, vaderland en dynastie. Dat heb ik gedaan om twee redenen. De eerste is deze. De vraagstelling van deze conferentie lijkt mij zinvol, en ze kan ook niet goed anders onder woorden gebracht worden dan in de titel van het programma is gebeurd. In de verbinding van God met Nederland en Oranje Iigt het probleem dat we willen bespreken. Zo moet dat benoemd worden, en dat doet geen afbreuk aan de eerbied die wij Gods naam verschuldigd zijn. Wat ik echter wil voorkomen is dat we al sprekende die naam steeds weer gaan gebruiken als deel van een formule, die we even gemakkelijk in de mond nemen als X + Y + Z. Daarom heb ik gekozen voor kerk, vaderland en dynastie.

Vanzelfsprekende band

De tweede reden is dat die herformulering het probleem algemeen maakt. De overtuiging dat kerk, vaderland en dynastie een hechte eenheid vormen is niet typisch Nederlands, noch ook alleen verbonden met het huis Oranje. Mensen van de zestiende eeuw, en ruimer genomen: mensen van de vroegmodeme tijd, drukken zich allemaal in zulke termen uit. Toegewijd zijn aan het vaderland betekent trouw zijn aan de koning, en in de monarchie zijn die twee omkeerbaar: l’Etat c’est moi. Ook als Lodewijk XIV die woorden nooit gesproken zou hebben, dan geven ze wel in de ogen van zijn tijdgenoten een onomstreden waarheid weer. Vorst en volk zijn één. Je kunt Frankrijk niet dienen zonder de koning te dienen, en omgekeerd. Maar dienst noch trouw brengen baat, als ze niet steunen op Gods wil. Daarom gehoorzaamt de Fransman niet zomaar een koning. Hij onderwerpt zich aan de Zeer Christelijke Koning, Sa Majesté tres Chrétienne, net zoals de Spanjaard zich laat regeren door de Katholieke Koning, en de Engelsman door de Verdediger des Geloofs.

Zo ligt voor de vroegmoderne mens de verbinding tussen kerk, vaderland en dynastie. En nu zien we ook, wat in de zestiende eeuw de specifieke vorm van dit probleem voor de Nederlanden is geweest. De Nederlandse staat is geboren uit een opstand. Die opstand heeft alle oude vanzelfsprekendheden omgekeerd, en de begrippen kerk, vaderland en dynastie een nieuwe inhoud gegeven. In plaats van de rooms-katholieke kerk vestigde zich de gereformeer-de. In plaats van de koning uit het huis Habsburg kwam de stadhouder uit het huis Oranje. In plaats van de Zeventien Nederlanden ontstonden twee staatkundige eenheden, waarvan alleen de noordelijke een zelfstandig bestaan ging leiden.

Elk van deze drie vervangingen roept aparte vragen op. Het zijn er zoveel, dat we zullen moeten kiezen. Ik ga voorbij aan het hele vraagstuk, of er al een nationaal besef heeft bestaan voordat de opstand begon, en bij wie.

Ik ga ook niet in op de binding aan het huis Habsburg en de afzwering van Filips II, en evenmin op het dilemma van de Noordnederlandse rooms-katholieken, die moeten beslissen waar hun eerste loyaliteit ligt, bij de oude kerk of bij de nieuwe staat. We zullen ons concentreren op het ene punt, dat het thema is van deze conferentie: de drievoudige verbinding. We zoeken naar het ontstaan, en daarom beginnen we bij Willem van Oranje, die ons het langste zal bezighouden. Daarna wijden we nog een moment onze aandacht aan Maurits.

Van formule tot overtuiging

Toen Oranje in 1568 de wapens opvatte, heeft hij zich verschillende malen publiek verantwoord. Het is de tijd waarin de prins de gehoorzaamheid aan zijn heer Filips nog niet openlijk heeft opgezegd. We kunnen dus ook niet verwachten dat de drievoudige verbinding die we zoeken, in die vorm dan reeds in zijn publieke uitlatingen voorkomt. We stuiten echter wel op bewoordingen die er veel op lijken.

In zijn Verantwoordinge van 1 september 1568 zegt Oranje, dat hij al vroeg stelling heeft genomen tegen het beleid van kardinaal Granvelle, omdat het strekte “tot grooten ondienste van God, van den coninck ende van den lande”. Toen de veldtocht op een teleurstelling was uitgelopen, rechtvaardigde de prins zich in de Fidelle exhortation aux inhabitants du pais bas. Nu verklaarde hij zich in geen enkel opzicht schuldig te voelen, omdat zijn actie noodzakelijk was geweest “voor de ware dienst van God, de koning en het vaderland.”

Op het eerste gezicht lijken dat heel opmerkelijke woorden. Vervang de koning door zijn stadhouder, en het drievoudig snoer ligt klaar. Maar dan lichten we Oranjes uitspraak uit de tijd waarin ze thuis hoort, en geven we haar een te specifieke betekenis. Dat kerk, koning en vaderland bij elkaar hoorden was immers een algemene opvatting. Op die manier betuigde een edelman zijn trouw aan vorst en land, en zo rechtvaardigde hij zichzelf ook, als hij tegen die vorst in opstand kwam. Een jaar na Oranjes tocht over de Maas moest koningin Elizabeth van Engeland afrekenen met een opstand die geleid werd doorenkele rooms-katholieke edelen, de zogenaamde Northern Rebellion van 1569. De aanvoerders verklaarden dat zij wel gedwongen waren de wapens te grijpen, omdat slechtgezinde raadslieden van de koningin grote schade deden aan de ware, katholieke dienst van God, en daarmee ook aan de koningin, en aldus het hele koninkrijk in opschudding hadden gebracht.

De formulering is anders, maar het schema verschilt niet. Kerk, kroon en vaderland zijn ook hier de drie kernbegrippen. De overeenkomst gaat verder. De Engelse opstandelingen marcheerden achter een vaandel met de vijf wonden van Christus, en het opschrift: in dit teken zult gij overwinnen. De huursoldaten van de prins gebruikten in 1568 de naam van Gods Zoon als strijdkreet. Heeft er dan nauwelijks verschil bestaan tussen Willem van Oranje en de graven van Westmoreland en Northumberland?

Misschien, dat de geschiedenis zo geoordeeld zou hebben als Oranje in 1568 gesneuveld was. Dan zou hij net als de Engelse graven alleen maar bekend gestaan hebben als leider van een mislukte opstand. Voor hem is het echter niet gebleven bij dat ene ongelukkige optreden in 1568. En hoe meer we hem in actie zien als aanvoerder van de opstand, hoe beter ook zijn eigen geluid herkenbaar wordt. Direct na de inval van de geuzen in 1572 wordt dat merkbaar. Ik denk dan niet aan de brief die de prins in april 1572 schrijft aan Gouda, waarin hij de Spanjaarden betitelt als “gesworen vyanden Godes ende des conincx, ende insonderheyt onses gantschen vaderlants”. Want al hebben we hier al de drie elementen bij elkaar, het zijn nog de bewoordingen van een formule. Zo hadden de Engelse graven het ook kunnen zeggen.

Maar veel persoonlijker klinkt al de aansporing aan Enkhuizen, veertien dagen later, mee te werken aan hun verlossing, “indachtich wesende desghene dat onse Here spreect: dat zalich is hy die totten eynde toe volhart, ende des woorts Pauli: dat nyemant gecroont en wort dan dieghene die wettellyck ende ridderlyck campet”. Het bijzondere is hier niet eens, dat Oranje de strijd tegen Spanje voorstelt als een strijd voor Gods kerk. Het bijzondere lijkt mij wel, dat Oranje daartoe deze bijbelteksten aanhaalt. Die brengen ons buiten de sfeer van de vaste formules. Het zijn niet de gewone clichés van koning, kerk en vaderland. Oranje vindt hier zijn eigen woorden om eigen gedachten en vooral eigen ervaringen vorm te geven. Want als we in zijn correspondentie blijven lezen, zien we dat de gangbare munt van strijd voor kerk en vaderland voor hem een veel hogere persoonlijke waarde krijgt. Het is niet meer een leus, het is een overtuiging, die niet alleen in het openbaar maar ook privé beleden wordt. Dat is zichtbaar voor iedereen die de brieven aandachtig leest. In de vorige eeuw heeft de Amerikaan Motley de geschiedenis van de Nederlandse opstand uitvoerig beschreven, in The Rise of the Dutch Republic. Motley was toegerust met alle typische vooroordelen van de negentiende-eeuwse liberaal. Hij bewonderde en waardeerde de zestiende-eeuwse Nederlanders als strijders voor politieke vrijheid, maar geloofsijver droeg voor hem altijd heel snel het stempel van fanatisme en bekrompenheid. Doch ook Motley merkt op zijn manier die verandering in Oranjes wijze van spreken op.

Download het complete artikel (pdf)

Klik hier voor meer informatie over de VCH-dag, waarop Van Deursen deze lezing uitsprak.

Jaargang 05 (1994) No 4