Islam in de Molukken: een wereld in gisting

De Molukken bestaan historisch gezien uit drie regio’s: de Noord-Molukken: de eilanden Ternate en Tidore met het aanliggende gebied; de Banda-eilanden met Zuidoost-Seram en de zuidelijke eilanden; en de Midden-Molukken: Ambon met het aanliggende gebied. De Noord-Molukken waren in het begin van de zestiende eeuw het enige gebied ter wereld waar de kruidnagel groeide, terwijl de Bandaeilanden de enige regio waren waar de nootmuskaat groeide. Dit artikel schetst hoe de islam de weg van de handel volgde en de Molukken bereikte.

De kruidnagelen en de nootmuskaat hadden grote aantrekkingskracht op Javaanse, Maleise, Indiase en zelfs Arabische handelaren. In januari-februari kwamen zij met de noordwestmoesson met hun handelswaar naar Banda en Ternate, om in april-oktober met de zuidoostpassaat met de ingekochte specerijen weer naar het westen te vertrekken. Via de handelaren kwamen de Molukkers in de loop van de vijftiende eeuw in contact met de islam, bij uitstek de godsdienst van wereldwijze handelaren die hun religie geleidelijk verspreidden onder hun plaatselijke handelspartners, de lokale hoofden. De verspreiding van de islam volgde de weg van de handel, die vanuit India via Straat Malaka en de noordoostkust van Java naar de Molukken liep.
Goede banden met de moslimhandelaren waren voor de lokale hoofden van groot belang omdat de handelaren hun positie jegens hun onderhorigen konden versterken. De invoer van goederen en uitvoer van specerijen liep via de hoofden, zodat voor hen de handel de belangrijkste bron van inkomen vormde en daarmee een bron van macht.

De Banda-eilanden volgens een afbeelding uit 1724. Bron Geheugen van Nederland

De Banda-eilanden volgens een afbeelding uit 1724. Bron Geheugen van Nederland

Lokale machthebbers trokken ook moslims uit India, uit de Maleise wereld en van Java aan als adviseurs. Niet alleen omdat het in dienst hebben van vreemde adviseurs de hoofden prestige verschafte bij hun onderhorigen, maar vooral omdat de adviseurs door hun kennis van de handel het de lokale machthebbers mogelijk maakte het maximale profijt uit de handel te trekken. Molukse hoofden zonden bovendien soms hun zonen naar Java om daar bij in aanzien staande leermeesters hun kennis van de islam vergroten. Zo kwam het op een heuvel te Giri (bij Surabaja) gevestigde geslacht van religieuze leermeesters in een bijzondere reuk van heiligheid te staan in de Molukken en ontwikkelde Giri zich tot een populair pelgrimsoord voor Molukse moslims.

Portugezen brengen christendom

In 1512 bereikten de eerste Portugezen de Molukken. Ze moesten constateren dat in de centra van handel de hoofden reeds tot de islam waren overgegaan, terwijl een groot deel van het volk nog als heiden door het leven ging. De moslimhandelaren werden door de Portugezen niet alleen als commerciële concurrenten, maar ook als erfvijanden beschouwd. Op het Iberisch schiereiland en in Noord-Afrika hadden de Portugezen de moslims als vijanden bevochten, terwijl overal in Azië de moslims hen de voet probeerden dwars te zetten.

Pogingen van de Portugezen om in de Molukken tot de islam overgegane hoofden alsnog tot het christendom te bekeren waren weinig succesvol. Arrogant optreden van de Portugezen leidde tot voortdurende wrijvingen en oorlogen. In Banda kregen de Portugezen nooit voet aan de grond, terwijl ze in 1575 van Ternate verjaagd werden. Vanaf dat jaar hadden de Portugezen alleen nog vaste voet op Ambon, waar ze sinds 1523 gevestigd waren in het gebied van het nog heidense deel van de bevolking dat nog niet was overgegaan tot de kruidnagelteelt en daarom ook nog niet in nauw contact met de islamitische opkopers van de kruidnagelen gekomen was. Onder het nog betrekkelijk achtergebleven bevolkingsdeel van de Ambonse eilanden gelukte het de Portugezen het christendom te verbreiden.

Op het schiereiland Leitimor begonnen de Portugezen in 1575 met de bouw van een fort, waaromheen later de stad Ambon ontstond. Vanuit dit fort beoorloogden ze met steun van de Ambonse christenen de moslims van de kruidnagelrijke streken. Het resultaat was dat aan het begin van de zeventiende eeuw de Ambonse eilanden in tweeën waren verdeeld: een islamitisch deel (de noordkust van Hitu, Hoamoal, het noordelijk deel van Haruku en het noordelijk deel van Saparua) voor wie de Javaanse handelaren en de islamitische vorst van Ternate natuurlijke bondgenoten waren en een christelijk deel (de zuidkust van Hitu, het schiereiland Leitimor, het zuidelijk deel van het eilanden Haruku en Saparua en het eilandje Nusa Laut) waar de Portugezen de dienst uitmaakten.

Vestiging van Nederlands gezag

In 1599 verschenen de Nederlanders in de Molukken. Door de moslims werden zij, als vijanden van de Portugezen, hartelijk verwelkomd. Zodra de VOC met hulp van de moslims de Portugezen uit de Molukken verjaagd had, bleek zij zich echter te ontpoppen als een zeer dominante Europese macht die het monopolie op de opkoop van de specerijen voor zich opeiste en nog minder dan de Portugezen de concurrentie van andere handelaren duldde.

Het eerst ging de VOC op Banda de confrontatie aan met de op vrije handel gestelde moslims. Het resultaat was dat in 1621 de gehele bevolking van Banda was verjaagd, gedood of in slavernij weggevoerd. De grond van de Banda-eilanden werd in perken verdeeld, die werden uitgegeven aan gewezen employees van de VOC om daarin met van elders aangevoerde slaven de nootmuskaat te telen die tegen een vaste prijs aan de VOC moest worden geleverd. In de Noord-Molukken werd in het midden van de zeventiende eeuw alle aanplant van specerijen door de VOC verboden. Aan de lokale vorsten werd ter compensatie van verlies aan inkomsten een jaarlijkse toelage toegekend.

Download het complete artikel (Pdf)

Jaargang 14 (2003) No 1 – themanummer Molukken