Interview Fik Meijer: popularisering en wetenschap sluiten elkaar niet uit

Tegelijk met dit nummer van Transparant verschijnt zijn boek Vercingetorix. In mei komt Wagenrennen uit, de opvolger van Gladiatoren, dat binnen een jaar aan de vierde druk toe is. Menig historicus zou daar een moord voor doen. Fik Meijer hoeft zo ver niet te gaan; de Romeinen, die hij voor een breed publiek laat herleven, deden het al voor hem. ‘Dat rijk werd groot door geweld. De morele afwegingen die wij nu maken, had men toen veel minder.’

Standbeeld in Frankrijk van Vercingetorix. Bron Wikimedia

Standbeeld in Frankrijk van Vercingetorix. Bron Wikimedia

Fik Meijer, hoogleraar Oude Geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam, heeft gemengde gevoelens over het woord populair-wetenschappelijk. ‘Alsof dat een tegenstelling zou zijn; dat hoeft helemaal niet. De beste wetenschappelijke werken zijn vaak zeer toegankelijk geschreven. Vooral de Angelsaksische traditie op dit gebied is sterk.’

Meijer schuwt het publiek niet.

‘Mijn streven is niet naar het Bekende Nederlanderschap. Maar goede artikelen schrijven in de media, een keer lesgeven op scholen, aan de hand van een stuk film of sport in klassieke tijden en bijeenkomsten in de betere boekhandel, dat vind ik schitterend. En ja, ik wil niet ontkennen dat de ijdelheid wordt gestreeld als ik merk dat mijn vakgebied aanslaat bij een grotere groep.’

Hoever kun je gaan, met dat populariseren? Vrij ver. ‘Zolang je de essentie van je vak maar niet aantast. Niet simplificeren om te scoren. Maar de meeste moeilijke dingen kun je wel eenvoudig zeggen of schrijven, juist als je de materie beheerst.’

Vercingetorix

Meijer is net klaar met Vercingetorix en – je zult het net zien – haalde nog even een misser van de flaptekst.

‘Ik schreef dat zijn figuur populair was in royalistische kring, maar dat moet zijn: bij de republikeinen in Frankrijk. De monarchisten zweren bij de vroegmiddeleeuwse Frankische koning Clovis en de fans van het huis d’Orléans bij Jeanne d’Arc. Grappig is dat Vercingetorix niet voorbehouden bleef aan één partij. In de oorlog gebruikten zowel Pétain (van de Vichy-regering) als verzetsleiders zoals generaal De Gaulle hem als voorbeeld-Fransman.’

Vercingetorix, die kennen we heden ten dage vooral uit het stripverhaal. Bij Asterix is hij een rijzige, rossige vechtjas met een enorme snor. De oude Nestorix mompelt steevast over de roemrijke overwinning bij Gergovia, een hoogte ten zuiden van Clermont-Ferrand. Die is historisch.

Komisch is Nestorix’ reactie op Alesia (‘ken ik niet!’).Toch dolf Vercingetorix daar, in 52 voor Christus het onderspit. Hij liet zich met tachtigduizend man insluiten in een dal van negentig hectare en het ontzettingsleger van driehonderdduizend Gallische krijgers (alle stammen hadden zich verenigd) kwam te laat. ‘Een typische Kesselschlacht’, zegt Meijer, refererend aan Stalingrad en de overgave van generaal Von Paulus.

Bij Asterix gooit Vercingetorix zijn wapen en schild niet aan, maar óp de voeten van Julius Caesar (‘Klengg!, Au!!’). En zelfs de vrije versie van het duo Goscinny & Uderzo blijkt gedeeltelijk waar. Meijer laat Plutarchus aan het woord die de scène tweemaal beschrijft. Vercingetorix onderwierp zich aan Caesar en hoopte op genade, omdat hij vroeger had behoord tot ‘de kweekvijver van jonge tirannen’ (Martin), die Caesar in de veroverde gebieden als bestuurders inzette.

Maar het omgekeerde gebeurde: Caesar was zo kwaad over Vercingetorix’ ontrouw dat hij hem als krijgsgevangene rondparadeerde in Rome en in 46 voor Chr. alsnog liet doden, overigens slechts twee jaar voor zijn eigen fatale Idus van maart. Meijer beschrijft Vercingetorix als historische figuur, maar ook als illustratie van de Franse natiestaat die de geschiedschrijvers vanaf de negentiende eeuw voor ogen stond. Daartussen zat 1500 jaar vergetelheid. Bijna als reactie werd Vercingetorix daarna meer dan op het schild geheven. Richenet Bayard zet de Gallische held naast Jezus Christus. Beiden zijn een voorbeeld, blonken uit in naastenliefde, gingen ongelukkig ten onder, maar kregen een eervolle plaats in de geschiedenis. En nog bonter maken M. en A. Leblond het: ‘Vijftig jaar voordat in het oosten Jezus werd geboren, was in het westen een messias van het aardse vaderland gevonden met de opdracht de mensen de noodzaak, de schoonheid en de moed van het offer te tonen.’

Film en sport

In zijn nieuwste boek: Wagenrennen in het Circus Maximus (het verschijnt in mei) duikt Meijer in de Romeinse sportwereld.

‘In dat stadion konden honderdvijftigduizend mensen, omdat de baan honderden meters lang was. Je had echt alle aspecten die je nu bij het voetballen hebt. Mensen die levenslang fan waren van een bepaalde club of combinatie, kleren droegen in die kleuren. Als je dan voor Feyenoord was terwijl de keizer Ajax protegeerde, was dat niet slim.’

Meijer trekt niet zo maar parallellen tussen de klassieken en nu. Vooral de beleving en de moraal verschilde nogal van onze tijd. Hij ergert zich aan collega’s die vanuit het nu een oordeel vellen over hoe de mensen in de Oudheid waren.

‘Daarom heb ik mezelf in Gladiatoren ook verplaatst in de rol van een gemiddelde toeschouwer. Die was gefascineerd. Afkeuring was er hoogstens als een zwaardvechter niet waardig verloor of als de keizer iemand liet doden terwijl het publiek vond dat die genade had verdiend.’

Meijer weet nog steeds niet of hij als Romein naar de uitingen van brood en spelen zou zijn gegaan. Ooit woonde hij een stierengevecht bij, maar dat beviel niet. ‘Ik vond het zielig en vernederend voor zo’n mooi dier. Bovendien ken ik de regels niet en dan is het saai.’ Maar de Spanjaarden om hem heen snapten de finesses wel degelijk, en genoten. Zo moet het ook bij de Romeinen gegaan zijn, ondanks de stromen bloed bij de jachtpartijen ’s morgens, de executies in de lunchpauze (wijntje erbij en een handje gebrande pijnboompitten) en de gladiato- rengevechten ’s middags. Het lijkt gechargeerd, maar zo ging het echt. Alleen zaten de vips onderaan de arena en waren de ‘skyboxen’ gereserveerd voor vrouwen; die mochten geen contact krijgen met de kampvechters of het gemene volk.

‘De zuigkracht was enorm. Ook bij christenen. Tertullianus schreef eind tweede eeuw wel een vlammend protest, De Spectaculis, maar juist Augustinus wijdt een lange passage aan zijn leerling Alypius. Die ging met een kritische geest naar de spelen kijken, liet zich volledig meeslepen en kwam terug, beschaamd maar met rode koontjes.’

Augustinus is groots, vindt Meijer. ‘Iedereen zou hem moeten lezen. Om zijn taal en zijn apologetiek, maar vooral om zijn mens zijn; hij was van vlees en bloed, had dat hele uitgaansleven van vermaak en brasserij ook zelf meegemaakt. Hij oordeelde dus altijd vanuit begrip.’ De man van de stad Gods had zich vast niet thuisgevoeld in het Genève van Calvijn, denkt Meijer.

Fik Meijer’s loopbaan

Prof. dr. F.J.A.M. Meijer (Leiden, 1942) studeerde klassieke letteren in zijn geboorteplaats en promoveerde in 1973 op de Catilinische samenzwering. Hij doceerde aan het Bonaventura College in Leiden en opleidingen voor MO. Vanaf 1980 werkte hij als hoofddocent en bijzonder hoogleraar Zeegeschiedenis en Maritieme Archeologie van de klassieke oudheid aan de universiteit van Amsterdam. In 2000 werd hij daar hoogleraar Oude Geschiedenis.

Fik Meijer en zijn vrouw hebben een zoon en dochter en inmiddels vijf kleinkinderen, waaronder een drieling. In 1985 en 1986 schaatste Meijer de Elfstedentocht uit. Hij deed er ruim elf uur over (‘vooral de laatste was een vakantierit: net onder het vriespunt en mooi ijs’). In 1997 moest hij opgeven door ziekte. ‘Nu heb ik mijn startkaart teruggegeven; je moet blijven trainen en daar heb ik als 61-jarige niet zo’n zin meer in.’ Plannen voor na 2006: boeken voor een breed publiek en (het leiden van) reizen.

Belangrijkste publicaties, allen bij Athenaeum-Polak & Van Gennep, Amsterdam:

Wagenrennen in het Circus Maximus. Vermaak voor keizer, senaat en volk (juni 2004)
Vercingetorix. Frankrijks oudste held (februari 2004, 142 blz., €10,-)
Gladiatoren. Volksvermaak in het Colosseum (2003, 252 blz., €19,95)
Vegetius. Het Romeinse leger. Handboek voor de generaal (2002, 177 blz., €19,95)
Keizers sterven niet in bed (2001, 237 blz., €19,95)
Paulus’ zeereis naar Rome (2000, 213 blz., €20,50)

Overig

Met H. Beliën:

Op zoek naar het Romeinse rijk, Haarlem 2000
De oude geschiedenis in een notendop, Amsterdam 2000

Met M.A. Wes (vertaling en toelichting)
Flavius Josephus, Tegen de Grieken, Amsterdam 1999
Flavius Josephus, De Oude Geschiedenis van de Joden, Amsterdam 1996-8
Flavius Josephus, De Joodse Oorlog en Uit mijn leven, Amsterdam 1992

Verder schreef Meijer nog tientallen boeken en artikelen: vertalingen van klassieke schrijvers, opstellen voor het oudheidkundig tijdschrift Lampas, dag en weekbladen.

Personalia

Herman Veenhof (1959) studeerde geschiedenis in Utrecht en is journalist bij het Nederlands Dagblad. Hij redigeert sinds 1997 Over de grenzen van het weten (de jaarlijkse publicatie van de Vereniging van Akademie-Onderzoekers van de KNAW) en (co-)publiceerde o.a. De rivier stroomt heen en terug (1991), Srebrenica, het oorlogsdagboek van Piet Hein Both (1995) en Nederland-Duitsland, spiegel van culturen (1998).

Download het complete interview (Pdf)

Jaargang 15 (2004) No 2