Hoogte- en dieptepunten in de Groen-receptie

Nog tijdens zijn ‘voorlezingen’ over “ongeloof & revolutie” kreeg Groen van Prinsterer kritische vragen voorgeschoteld. Eén ervan was een schot in de roos: Kan een land dat christelijk wordt geregeerd, rekenen op zegen en voorspoed? 1 Spreken veel voorbeelden uit het verleden dat immers niet tegen? Deze vraag is na Groen nooit meer verdwenen. Een nadere beschouwing over de verschillende recepties van Groen.

Mr. Guillaume Groen van Prinsterer.

Mr. Guillaume Groen van Prinsterer.

R. Fruin: detailkritiek

Onder de vele wetenschappelijke bestrijdingen tussen 1848-1854 staan die van Fruin het hoogst c.q. het laagst. In twee lijvige brochures nam hij Groen op de korrel. Met een dubbel oogmerk: om diens geschiedbeschouwing te ontzenuwen en om aldus de politieke richting gebaseerd op deze beschouwing te ontmaskeren.

Bepaald leerzaam is de vakkundige kritiek waarmee Fruin fouten in Groens beeld van de middeleeuwse toestanden aanwijst. Groen heeft zijn dilettantisme op dit gebied dan ook aanstonds moeten toegeven, al moet men dit ook weer niet overtrekken: zo heeft hij niet uit onkunde, maar juist met overleg de naam van de merovingische champs de mars met Marsvelden in plaats van Maartvelden weergegeven (dit blijkt thans uit Bescheiden I). Fruin (en later Geyl) hebben zich over deze ‘verschrijving’ verkneukeld, ten onrechte. Maar de kritiek op de voorstelling van de vroegere monarchieën snijdt hout.

Op een ander punt tast Fruin, hoe begrijpelijk ook, mis. Hij werpt Groen tegen dat niet de liberale begrippen verantwoordelijk kunnen worden gesteld voor de revolutionaire bloedbaden, maar hartstocht en dweepzucht. Het is een misverstand dat steeds weer opduikt in de Groen-kritiek. De revolutiebegrippen beperken zich niet tot beredeneerde standpunten, maar worden vanuit dieperliggende, religieuze drijfveren gestuwd. Bij de behandeling van het Schrikbewind betoogt Groen juist dat het fanatisme zelf opgewekt wordt door – en, mét de logica, onderhorig blijft aan – de theorie die men eenmaal als heilsboodschap heeft omhelsd. De verklaring van de Franse Revolutie uit de ongeloofstheorie is geen logicistische reductie maar een analyse die afsteekt naar de diepte. 2

J. Huizinga: “ontoereikend denkbeeld”

In zijn kroniek van de universiteit van Groningen, 1814-1914, memoreerde Huizinga de arbeid van onder andere de jurist Tellegen. Hij erkende hoe deze liberale professor zijn doel voorbijschoot toen hij in 1862 fel protesteerde tegen Groens waarderende Ter gedachtenis van Stahl. Tellegen hekelde deze Nederlandse lofprijzing van Duits autoriteitsdenken! Alsof (merkt Huizinga op) Groen dáárin zijn verwantschap met Stahl zag! Het was Stahls christelijk-historische beschouwingswijze die Groen aanprees en Tellegen niet vatten kon.

Wat Groen met de Duitser verbond was beider grondbezwaar tegen de tijdgeest: op elk gebied heeft de Revolutie toegeslagen en alleen het herstel van de christelijke beginselen kan de Revolutie overwinnen. Huizinga meende Groen te begrijpen, maar hij begreep ook Tellegen, wiens “nuchter historisch verstand nauwelijks vatbaar [was] voor dat denkbeeld ‘de Revolutie’, dat, uit toom en schrik geboren, van het historische feit slechts het uitgangspunt neemt, om een naam te geven aan de romantisch-apocalyptische voorstelling, die de jongere vorm is van het Augustinische begrip der civitas terrena.”

Het citaat is treffend. Het spreekt van “denkbeeld” en “voorstelling”, zaken die Huizinga in een historicus wist te waarderen. Hij was bepaald geen tegenstander van een ver doorgevoerde stilering, als het de beeldvorming maar ten goede kwam. Maar, hoezeer hij doorgaans het bijzondere, zelfs het bizarre, wist te bewonderen, hier klinkt toch kritiek door. Had Groen niet “de eigenschappen van Proteus, of, als men liever wil, van Antaeus” (dus: een moeilijk grijpbare polemicus, die het kampgevecht steeds weer uitlokt, met wie dan ook)? Geen wonder, schrijft Huizinga, dat Tellegen geen vat kon krijgen op de gedachtengang van zijn tegenstander en zijn bestrijding dan ook geen doel trof.

Daarin slaagde Tellegen later wel, toen hij opkwam voor de ook volgens Huizinga “onloochenbare waarheid” dat 1813 in het verlengde lag van 1795. Welnu, wie als Groen de Revolutie van de 18de eeuw radicaal afwijst, maakt het zich onmogelijk de vestiging van het Koninkrijk te waarderen voor wat zij was: vrucht en voortzetting van de hervormingsarbeid van de Bataafse revolutie. Aldus constateert Huizinga het ontoereikende, ja het onwezenlijke van Groens “denkbeeld”.

Ondanks de soms rake typeringen in deze schets zit Huizinga er hier toch naast. Groen heeft steeds, evenals op den duur zijn vriend Da Costa, bij alle bezwaar tegen “de geest der eeuw”, opengestaan voor “de loop der eeuw”, en met Thorbecke “de revolutie-geest” leren onderscheiden van “de orde van zaken welke sedert en onder de revolutie heeft plaats gegrepen” (Handboek, 3de uitgave, § 846). Groen wist 1813 te waarderen als geen ander, mits men er maar niet in de geest van 1795 mee aan de haal ging! 3

H. Smitskamp: triomf van de moderne geschiedwetenschap

Het proefschrift van Smitskamp is een voldragen historiografische studie, geschreven door een kenner die Groen hoog had. Groen was, als voorstander van de onpartijdige mededeling van de onbewimpelde waarheid, gebaseerd op grondige bronnenstudie, niemand minder dan de baanbreker van de moderne geschiedvorsing in Nederland.

Toch heeft Smitskamp ook gewichtige bezwaren. Groen benadrukt eenzijdig de ideële factoren en miskent zodoende de betekenis van niet geestelijke drijfkrachten. Hij neigt ertoe, het geleidelijk gewordene gelijk te stellen met het door God gewilde. Erger, hij verstout zich telkens Gods hand aan te wijzen en stelt zijn gelovige beschouwingen op één lijn met de uitkomsten van wetenschappelijk onderzoek.

In dit laatste kritiekpunt vooral bespeurt men de invloed van prof. A.A. van Schelven, die in 1924 schreef dat ook de christen-historicus zich heeft te beperken tot de daden van mensen. Daar is toen wel meteen vanuit de onderwijswereld tegen geopponeerd (onder andere door T. v.d. Kooij in Gereformeerd Schoolverband), maar de meer beperkte taakopvatting heeft zich doorgezet. De seculariserende tendens die hierdoor werd versterkt is sindsdien alleen maar sterker geworden.

Uit het vele dat Smitskamp biedt, haal ik nog twee punten naar voren. Daarin gaat het over Groens geschiedbeschouwing zoals die blijkt uit Ongeloof en revolutie. Logicist als hij is, meent Groen het “er is geschied” op voorhand te kunnen afleiden uit het “er is geleerd”. Over deze puur deductieve methode is vaak de staf gebroken. Smitskamp wijst echter op het onderscheid tussen voordracht en onderzoek. In navolging van de Franse historicus Guizot geeft Groen een aprioristische voorstelling van zijn analyse van de Revolutie en ontwerpt hij “inderdaad, door logische deductie uit haar beginsel, het bestek (…) waarbinnen de Revolutie zich moest bewegen”; in werkelijkheid echter berust de analyse “op een interpretatie der feiten a posteriori.” Dat zijn beschouwing a priori reeds vaststond, is dus slechts schijn. Waarvan acte!

Het tweede punt betreft Smitskamps mening dat Groen “veel te mechanisch” over de historische causaliteit dacht. Inderdaad klinkt het betoog “mechanisch”: gegeven de leer, zijn de daden voorspelbaar; de geschiedenis van de Revolutie verloopt volgens een reeks logische gevolgtrekkingen, enzovoorts. Toch zegt Groen ook dat het soms heel anders toegaat, namelijk wanneer andere oorzaken op krachtdadige wijze in het spel komen (bijvoorbeeld de Pruissische interventie in 1787 of de Franse invasie van 1795). Is Groen op dat moment inconsequent omdat zijn schema hem in de steek laat?

Groens “idealisme” bedoelt de menselijke verantwoordelijkheid centraal te stellen. Smitskamp vermeldt wel Groens verzekering dat ondanks de fatale zuigkracht der verderfelijke theorie geen mens ooit zijn vrijheid verliest om medewerking te weigeren, maar hij doet er verder niets mee. Hij blijft bij de schijnbare tegenspraak staan omdat hij meent te moeten kiezen tussen verschillende soorten of lagen van causaliteit – aanleiding, hoofd- en eindoorzaak – die Groen nu juist tegelijkertijd in het oog wil houden, in casu: dringende omstandigheden, menselijke keuzen, en de Heer der geschiedenis die een afkerig volk bij tijden overgeeft aan de kwade vrucht van hun eigen overleggingen (Jeremia 2:19, 6:19). 4

De Lustrumbundel van de geestverwanten

Sinds 1920 bestaat er een Gezelschap van Christelijke Historici. Voor de bundels der gehouden Voordrachten is steeds belangstelling geweest. De vijfde lustrumbundel is gewijd aan diverse aspecten van Groens voorlezingen. Zeven geleerde verhandelingen voeren samen tot deze conclusie: Groens werk blijft inspirerend maar rammelt aan alle kanten. Hoe kwam het tot deze negatieve slotsom? Deels door een eeuw vooruitgang in de wetenschap, deels door toenemende distantie ten opzichte van de erflater. De kritiek is niet mals. Met het oog op ons onderwerp moeten we selecteren.

Men schrijft: dit werk uit 1847 is al even eenzijdig (maar dan in omgekeerde zin) als het Communistisch Manifest van een jaar later. Groen isoleert en overschat de historische betekenis van de Reformatie. Zijn mechanisch idealisme belet hem te zien dat niet de ideologie, maar hellende inflatie tot het Schrikbewind heeft geleid. Hij steunt op een riet, het historisme uit zijn dagen, dat het revolutionaire staatsrecht niet beter wist te bestrijden dan vanuit eerbied voor verkregen rechten en dat een universalistische sociologie bevorderde die de verschillende geaardheid van de levensverbanden nivelleerde.

Groen schuift ongeloof en revolutie inéén in plaats van het bewijs te leveren dat revolutie uit ongeloof is ontstaan – een religieus gegrepen samenhang die de vakhistoricus als zodanig niet kan verantwoorden. Hij redeneert te rechtlijnig en te simplistisch; in 1789 dongen meerdere theorieën naar de overhand, en het waren bepaalde omstandigheden die de Revolutie in handen stelden van de dwepers met het totalitaire systeem van Rousseau; achter die uitkomst zat geen dwingende logica.

De verschijning van de lustrumbundel bracht geen “afscheid van Groen van Prinsterer”. Een kerkbladscribent schreef enthousiast: we hebben een gezuiverde en dus beter verstaanbare Groen teruggekregen en zijn meesterwerk is er ons des te dierbaarder om geworden! De eerstvolgende vergadering van het Gezelschap noteerde een record aantal bezoekers. Of dat verband hield met het succes van de jongste bundel meldt de kroniekschrijver niet. 5

P. Geyl: met Fruin tegen Groen

In zijn bespreking van de lustrumbundel stelt Geyl met diepe voldoening vast: de rede heeft gezegevierd. Groens nazaten hebben eindelijk het werk van de meester wetenschappelijk getoetst en geven nu eerlijk toe dat het uiterst zwak was. In het geschil tussen Fruin en Groen had de eerste het gelijk aan zijn kant. Zo mag men geen geschiedenis opdissen, dat had Fruin dadelijk goed gezien!

Geyl veegt de vloer aan met Groens vermeend vakmanschap en verwijst diens visie naar het rijk der fantasie. Groen leed aan de dwangvoorstelling dat begrippen alles zijn (dat Fruin op zijn beurt de hartstocht als hoofdfactor aanwees vindt Geyl al even ontoereikend, maar die opmerking stopt hij in een voetnoot op pagina 5). Maar het kon dan ook niet anders, zo vervolgt Geyl, of de anti-liberale leidsman leed tevens aan gezichtsverenging. Juist het liberalisme, dat hij verwant achtte aan totalitarisme, zou in zijn tijd de voorwaarden scheppen (sic!) om tot volle vrijheid voor kerk en school te geraken. Voor de ontwikkeling van de geschiedwetenschap bleek Groens “onhistorische aanpak” onvruchtbaar en zijn hoofdwerk was wetenschappelijk één grote vergissing. Zijn geesteskinderen hebben zelf het bewijs op tafel gelegd.

Geyl is wel erg karig met zijn erkenning van Groens blijvende verdienste ook voor de historicus van de 20ste eeuw. Horen we niet veeleer Groen dan Fruin wanneer Geyl opmerkt (in de voorrede van zijn Napoleon-studie) dat “Revolutie en dictators hun wetmatigheid bezitten” en dat iedere revolutie “bezield is door het bewustzijn”: wij brengen een nieuwe wereld, wij stellen alle wetten uit het verleden buiten gebruik, wij bezitten “een recht waarvoor alles wijken moet”? Maar Geyl heeft nu eenmaal een afkeer van alle dogmatisch geloof dat zijns inziens het historisch-kritisch onderzoek met speculatie kortsluit en de historische discussie voortijdig afsluit. Vandaar zijn bestrijding van Romeins marxisme en Toynbees schematisme. En, achteromziend, ook van Groens idealisme.

Geyl plaatst twee zinnige opmerkingen

Fruin keerde zich zo heftig tegen Groen omdat hij bang was dat de verworvenheden van de Revolutie – het is kort na 1848 – nog eens door de Reactie te niet gedaan zouden worden.

Van zowel het Handboek als Ongeloof en revolutie zijn Groens herziene uitgaven, waarin hij poogt zijn winst te doen met geleverde kritiek, slechter wijl onvoldoende herzien en dus op vele plaatsen “ongenietbaar tweeslachtig”.

Nog één opmerking geef ik door. Geyl oordeelt: “Van wezenlijke historische studie, van enige intieme bekendheid [met] de gebeurtenissen (…) is nauwelijks sprake”. Men vergelijke dit vooringenomen oordeel met de honderden bladzijden voorstudiën thans uitgegeven in Groens Bescheiden. 6

J. Kamphuis over Groens erfgenamen

Zorgvuldige bestudering van Kamphuis’ gedocumenteerde strijdschrift loont de moeite! Door dieper te peilen wordt het peil van de discussie met één slag verhoogd. De schrijver is nog onder ons en kan voor zichzelf spreken. Slechts dit. De rectorale rede lijkt ingegeven door verontwaardiging over Groens erfgenamen aan de Vrije Universiteit die Geyl valse kaarten in handen hebben gespeeld. Punt voor punt tracht Kamphuis zowel de Utrechtse historicus als de schrijvers van de lustrumbundel te weerleggen. Zo noteert hij, sterk argumenterend, dat historische en mechanische causaliteit door Groen niet vereenzelvigd maar vergeleken worden, en wel uitsluitend op het punt van hun dwangmatig karakter.

En dan komt de idee van een verbondscausaliteit ter sprake. Men hoeft niet van schrijvers kerkgenootschap te zijn om de klassiek-gereformeerde opvatting te onderschrijven: de schepping ligt in de tijd onder het verbond van God met de mensheid “dat in belofte en dreiging de geschiedenis beheerst”.

Er is inderdaad – het moge dan vaak genoeg uit onverdiende genade uitblijven – een historisch gericht dat regelrecht samenhangt met overtreding – individueel en collectief – van Gods wetten voor mens en samenleving. Wanneer de historicus zo’n samenhang meent te zien, wil hij dat te berde brengen. Voorzichtig, voorlopig, vragenderwijs wellicht. Maar erover zwijgen kan hij niet.

Bedoelde samenhang geldt met name voor volken en culturen die door het Evangelie gevormd en gevoed zijn geweest. Groen zag dit juist. Er staat geschreven: “Dwaalt niet, God laat niet met Zich spotten. Want wat een mens zaait, zal hij ook oogsten” (Galaten 6:7; zie ook Mattheüs 7:16-18 over de boom en zijn vruchten). Zeker, de oordelen worden wel eens al te vlot aangewezen. De waarschuwingen van H. Algra, H.G. Leih, J. Schaeffer en anderen zijn niet overbodig. Maar misbruik heft het goed gebruik niet op. 7

J. Zwaan als hoogtepunt

Met het proefschrift van J. Zwaan bereikte de Groen-kritiek opnieuw een hoogtepunt. Op grond van een nauwkeurige analyse van woordgebruik en gedachten goed in Groens oeuvre worden talrijke verkeerde interpretaties en ingeslopen misvattingen weerlegd. Bij Groen, zo wordt ruim afdoende aangetoond, slaan termen als begrip, idee, theorie op religieuze grondmotieven, een dieptelaag in de geschiedenis waarvoor hij aandacht vroeg op een wijze die niet af te doen is met “mechanisch idealisme”. Verder hanteerde Groen een historische causaliteit die nooit losstaat van een bovennatuurlijke.

Zwaan valt Kamphuis bij. Voor het oog van de gelovige historicus schemert achter, onder, in en door de immanente veroorzaking de transcendente, die toch de menselijke verantwoordelijkheid intact laat. Groen wenste eenheid van geloof en wetenschap. Eindelijk geeft Zwaan de doodsteek aan de oppervlakkige herleiding van Groens “idealisme” tot platonisme; hij toont aan hoe de invloed van Plato op Groen in het algemeen schromelijk is overschat. De schrijver documenteert uitputtend. In boeiende aantekeningen achter elk hoofdstuk wordt zijn uitleg van Groen vaak verrassend uitgediept, waardoor de bestudering van Groen nieuwe impulsen ontvangt. 8

Evaluatie

Slechts bij enkele punten op het traject van de Groenreceptie hebben we stilgestaan. Een eindpunt is nog niet in zicht. Om nog even op Geyl terug te komen: wat deze merkbaar irriteerde was, dat nota bene dezelfde critici die Groens tekorten aantonen niettemin blijven betuigen dat Groen “ten diepste” toch zo’n groot gelijk had. Hoe kan men de pijlers onder iemands betoog wegslaan en toch beweren dat hij het allemaal zo goed gezien heeft? Geyl vond dat niet erg logisch, en dat was het ook niet.

Maar geestverwantschap kruipt waar de logica niet gaan kan. Ook waar de deelargumenten worden afgewezen, kan instemming met de hoofdzaak standhouden. Want geloof en levensbeschouwing kan men gemeen hebben zonder altijd dezelfde bewijzen ervoor te erkennen. Voor Geyl moest echter het één met het ander samenvallen.

Hier wreekte zich Groens pretentie dat de anti-revolutionaire wereldbeschouwing met een “onpartijdig relaas van onloochenbare feiten” te staven viel. Een begrijpelijke stellingname ten tijde van de opkomst van de wetenschappelijke geschiedbeoefening. Maar zonder het “er staat geschreven ” mist het “er is geschied ” nu eenmaal algemeen geldige bewijskracht. Juist de verbinding van die twee ken-bronnen vormt de basis voor Groens praktijk als historicus.

De scheiding der geesten die dat oproept, is heilzaam omdat ze doet uitkomen wat de beoefening van de geschiedenis altijd is: namelijk, aan de hand van de stukken (dat is op grond van de ervaring van alle tijden) getuigenis afleggen omtrent de betekenis van het bestaan, de zin van het leven. Groen was een “getuigend historicus” (Bremmer). Welke historicus is dat niet? Romein was dat, op zijn manier. Geyl niet minder: zie zijn strijdbare geschriften, zie zijn afscheidscollege.

Zeker, soms wordt het getuigenis al te belérend. Dan worden de feiten onder de interpretatie bedolven. Dan voelt een docent als H.G. Leih zich geroepen het uitgesproken vrijgemaakt-gereformeerde leerboek voor de kerkgeschiedenis van dominee P.K. Keizer te diskwalificeren. Pedagogisch terecht: onderwijs is geen indoctrinatie. Maar uit de geschiedbeoefening als geheel – hetzij wetenschap of popularisatie, onderzoek of onderwijs – is de controverse niet uit te bannen: zij behoort er wezenlijk toe. De geschiedenis leeft van de strijd om de ware interpretatie. De vraag is niet: mag ik wel interpreteren, waarderen, oordelen? Maar veeleer: hoe zal ik, in het licht van de feiten en bij het licht van de Bijbel, interpreteren? En ook: hoe zal ik andere interpretaties van datzelfde gebeuren weergeven en weerleggen? 9

De lustrumbundel blijft mij dwars zitten. Was het een hoogtepunt of een dieptepunt? De schrijvers, groot geworden in de Kuyperiaanse nadagen, hadden hun eigen standpunt te bevechten. Ontbrak het hun soms aan voldoende historische distantie om aan hun onderwerp recht te doen? Hun kritiek doet vaak onbillijk aan en honoreert mijns inziens te weinig hoe Groen, optornend tegen zijn tijd, baanbrekend werk heeft verricht. Niet alleen voor een christelijk-historische staatkunde en vrijheid voor kerk en school, maar ook voor de intellectuele vorming van een achtergesteld volksdeel en voor een geschiedbeschouwing die wortelt in het geloof.

Noten

1. Groen van Prinsterer. Schriftelijke Nalalenschap 111, Briefwisseling II. RGP, Grote Serie 114 (’s-Gravenhage 1964) 708.

2. R. Fruin, ‘De leer van Groen ontvouwd, overwogen, beoordeeld’ in idem, Verspreide geschriften X (’s-Gravenhage 1905) 76-238.

3. J. Huizinga, Verzamelde werken VIII (Haarlem 1951) 264-266.

4. H. Smitskamp, Groen van Prinsterer als historicus (Amsterdam 1940) resp. 107-109 en 141-143 (baanbreker); 58 en 81 (drijfkrachten); 69 en 92 (gelijkstelling); 49 en 151 (Gods hand); 72-73 (a posteriori); 75 (schema); 80 (menselijke verantwoordelijkheid).

5. Groen’s “Ongeloof en Revolutie”. Een bundel studiën (Wageningen 1949) resp. 26 (Communistisch Manifest); 81 (Reformatie); 111 (Schrikbewind); 136 (nivellering); 143 (onverantwoord); 177 (geen dwingende logica).

6. P. Geyl, ‘Groen en Fruin’ (1952) in idem, Reacties (Utrecht 1952) 1-44 (later herdrukt in idem, Verzamelde opstellen III (Utrecht 1978) 135-180) resp. 11 (dwangvoorstelling); 14 (kerk en school); 6, 10 (vergissing); 20, 24, 27 (opmerkingen 1 en 2). Bescheiden I, nrs. 39-45.

7. J. Kamphuis, De hedendaagse kritiek op de causaliteit bij Groen van Prinsterer als historicus (Goes 1962) 11, 24.

8. J. Zwaan, Groen van Prinsterer en de klassieke oudheid (Amsterdam 1973) resp. 66-69 (grondmotieven); 15, 66, 77 (menselijke verantwoordelijkheid); 464-466 (geloof en wetenschap) en 132-161 (Platonisme).

9. H.G. Leih, Gods hand in de geschiedenis? (Kampen 1976) 36, 90-93.

Jaargang 03 (1992) No 2 – themanummer mr. G. Groen van Prinsterer