Historische werkelijkheid en verlossingsidee, vaderlandse geschiedenis in de Leicester-cyclus van mevrouw Bosboom-Toussaint

Bron Wikimedia

Bron Wikimedia

Voor historici, en zeker voor christen-historici, zijn de Leicesters-romans van mevrouw Bosboom-Toussaint bijzonder interessant. Behalve een boeiende beschrijving van een periode van de Nederlandse geschiedenis die Fruin merkwaardig en Groen mysterieus noemde, vinden we hier tevens, explicieter dan in ander werk van mevrouw Bosboom, één leidend idee dat de hele cyclus draagt en de historische feiten in een hoger, geestelijk-zedelijk verband plaatst. Dit leidend idee is het christelijk idee van verlossing.

In dit artikel geef ik een beschouwing over geschiedbeeld en verlossingsidee van de Leicester-romans. Vooraf geef ik enige aandacht aan de komst en de persoon van Leicester, aan de mening van Fruin en Groen over de Leicester-romans en de betekenis van mevrouw Bosboom als romanschrijfster.

De Leicester-cyclus van mevrouw Bosboom-Toussaint bestaat uit drie delen. Het eerste deel Leycester in Nederland beschrijft de periode van december 1585 tot december 1586, het tweede deel De vrouwen van het Leycestersche tijdvak speelt zich af in de eerste maanden van 1587 en het derde deel Gideon Florensz geeft de gebeurtenissen uit de laatste maanden van Leicesters bestuur weer.

De cyclus ontleent zijn naam aan Robert Dudley, graaf van Leicester (1532-1588), voorman van de puriteinen die in december 1585 door koningin Elizabeth naar ons land werd gezonden om het te steunen in zijn strijd tegen Spanje. De bedoeling was dat Leicester zich zou beperken tot het opperbevelhebberschap van het leger en steun aan de Staten-Generaal, maar zeer tegen de zin van de koningin aanvaardde hij de door de Staten-Generaal aangeboden soevereiniteit, waarvan de grenzen vanaf het begin een bron van conflicten hebben gevormd.

Leicester was niet geschikt voor zijn taak. Fruin beschrijft hem als hartstochtelijk, opvliegend, wraakzuchtig en overgevoelig voor vleierij. Een minder passend karakter om met de Nederlandse regenten om te gaan was niet denkbaar, zo voegt Fruin eraan toe; en Groen spreekt dit oordeel, aangehaald in zijn Handboek, niet tegen. Latere historici oordeelden niet veel anders. Huizinga sprak van geringe staatsmangaven, Algra van onbekwaamheid en eigendunk en Israel, die Leicester overigens wel als een flamboyante persoonlijkheid typeert, van impulsiviteit en tactloosheid. Ook was hij ongelukkig in de keuze van zijn raadslieden.

Robert Fruin en Groen van Prinsterer over de Leicester-romans

Met de Leicester-romans, zo schreef Fruin in zijn uitvoerige beschouwing over Motley’s Geschiedenis der Vereenigde Nederlanden, heeft mevrouw Bosboom-Toussaint bij haar tijdgenoten hernieuwde aandacht weten te wekken voor een tot dan toe verwaarloosd tijdvak van onze geschiedenis. Fruin zwaaide haar hiervoor lof toe. Niet alleen als roman, ook als historische studie had dit werk, dat zich kenmerkte door een oorspronkelijke visie en dat tot nader onderzoek stimuleerde, grote waarde. Tegelijkertijd bakende Fruin de grenzen van de geschiedwetenschap en de romankunst af. De toedracht van de zaken was namelijk niet volkomen naar waarheid weergegeven. Dit kon volgens hem ook niet. De historische waarheid was met de eisen der verdichting slechts gedeeltelijk in overeen- stemming te brengen.

In een persoonlijk schrijven aan mevrouw Bosboom verzekerde Fruin de schrijfster nog eens de betekenis van haar romancyclus voor de geschiedschrijving. Hij nam hij haar in bescherming tegen critici die vanwege de romanvorm de inhoud versmaadden en erkende, ruimhartiger dan hij het in zijn recensie had kunnen of willen doen het aandeel van de fantasie aan de historische wetenschap:
‘Waarlijk, Mevrouw, Gij vergist U, indien Gij meent dat Uwe historische studie door de beoefenaars onzer geschiedenis niet op hoogen prijs gesteld wordt (…) De eene getuigenis van den uitgever der Archives weegt tegen de miskenning van een geheel publiek op (…) Ieder geschiedkundige die zich rekenschap geeft van zijn werk, moet erkennen dat ook bij hem de fantasie gedurig moet aanvullen wat zijn bescheiden hem onvolledig leveren. Het beeld dat wij ons na nauwgezette studie van een mensch, van een tijdvak vormen, is de schepping onzer verbeelding maar gevormd overeenkomstig de feiten die onze wetenschap ons gegeven heeft. Doch wat zal ik U bekennen hetgeen Gij zelve veel beter dan ik kan uitdrukken, gevoelt. Verdichting is van waarheid onafscheidelijk (…) Uwe romans vertoonden reeds door den vorm van het verhaal dat de fantasie ze heeft helpen schrijven – toch hooren zij in de bibliotheek onder de historische werken te staan.’

Download het complete artikel (Pdf)

Jaargang 14 (2003) No 3