Het welbegrepen eigenbelang, de commissie-Claus als struikelblok voor het Nederlandse buitenlandse beleid

Zoals uit de bijdragen van Mari Smits en Sara Kinsbergen blijkt, is de maatschappelijke betrokkenheid bij ontwikkelingshulp groot. Maar wist de Nederlandse overheid deze betrokkenheid de afgelopen zestig jaar altijd te waarderen? De vraag stellen is hem beantwoorden. In deze bijdrage zal ik aantonen dat de overheid de maatschappelijke betrokkenheid waardeert en graag steunt, zolang deze niet tegengesteld is aan de buitenlandspolitieke en economische belangen van Nederland. Dat doe ik aan de hand van de geschiedenis van de Nationale Commissie Ontwikkelingsstrategie, ook wel de commissie-Claus genoemd.

Op 24 oktober 1970 kondigde de 25ste Algemene Vergadering van de VN in resolutie 2626 een internationale ontwikkelingsstrategie voor het tweede ontwikkelingsdecennium (1970-1980) af. De strategie omvatte onder andere maatregelen op het gebied van internationale handel, economische samenwerking en financiële hulp. Sluitstuk was de afspraak om de publieke opinie in de ontwikkelde en ontwikkelingslanden te mobiliseren voor ontwik- kelingshulp.

Nederland was één van de weinige landen die zich aan deze afspraak hield. Op 2 december 1970 riep minister voor Ontwikkelingssamenwerking Berend Jan Udink de Nationale Commissie Ontwikkelingsstrategie 1970-1980 in het leven. Deze commissie kreeg als taak “om het internationale beleid dat zich thans vormt middels en rond de ontwikkelingsstrategie tot geestelijk eigendom van onze landgenoten te maken en deze van het belang van deze nieuwe vorm van mondiale deelgenootschappelijkheid te doordringen”. De commissie, die geleid werd door prins Claus, en daardoor dus ook wel bekend stond als de commissie-Claus, was samengesteld uit vertegenwoordigers van het geestelijk en maatschappelijk leven en kreeg de bevoegdheid om projecten die de publieke opinie ten gunste van ontwikkelingshulp zouden beïnvloeden, te subsidiëren. Daarbij diende de commissie zich wel te “beperken tot het ontwikkelen van materiaal dat in beginsel niet van controversiële aard is”, aldus minister Udink tijdens zijn toespraak bij de installatie van de commissie. Nog geen jaar later was de NCO één van de meest omstreden commissies die Nederland ooit heeft gekend.

De koffieboycotactie van het Angola-Comité

In januari 1972 diende het Angola-Comité bij de NCO een subsidieaanvraag in voor een boycotactie van koffie afkomstig uit Angola. Het Comité, dat in 1961 was opgericht om de onafhankelijkheidsstrijd in de Portugese koloniën in Zuidelijk Afrika te ondersteunen, riep het publiek door middel van brochures en pamfletten, uitgedeeld voor de winkels, op om geen koffie uit Angola te kopen. De winst op deze koffie zou door de Portugese kolonisator namelijk worden gebruikt om wapens te kopen voor de strijd tegen de onafhankelijkheid van Angola.

Binnen de NCO werd over de aanvraag uitgebreid gediscussieerd. Prins Claus stond weliswaar achter de politieke strekking van de koffieactie, namelijk “de bewustmaking van de Nederlandse bevolking inzake het nog resterende kolonialisme in Afrika”, maar vroeg zich toch af of het wel op de weg van de NCO lag om tot een positieve beoordeling van de aanvraag te besluiten. De actie zorgde voor veel media-aandacht en de impact was dusdanig dat winkels als Albert Heyn en De Gruyter hun import van Angolese koffie stopzetten. In een jaar tijd was de invoer van koffie uit Angola tot een minimum gedaald. De koffieactie was dus bepaald niet vrij van controverse. De meerderheid vond echter bij monde van lid Eddy van den Brink dat het werk van de NCO met zich meebracht “dat wel eens op lange tenen moet worden getrapt” en dat de commissie dus projecten kon steunen die niet per se politiek neutraal waren. De aanvraag van het Angola-Comité werd gehonoreerd met een bedrag van 9.500 gulden.

De subsidieverstrekking veroorzaakte grote opschudding in de samenleving. In discussies draaide het feitelijk om één vraag: was ontwikkelingshulp een politieke zaak, of een kwestie van louter liefdadigheid? Wie de eerste mening was toegedaan, vond de subsidieverstrekking terecht, terwijl degene die de laatste opvatting deelde uiteraard het tegendeel beweerde. De Telegraaf kwam met een serie artikelen waarin de krant betoogde dat in Angola geen sprake was van koloniale uitbuiting en dat het Angola-Comité de publieke opinie bewust misleidde. De commotie die de subsidieverstrekking veroorzaakte was het gevolg van wat wel genoemd is ‘het democratiseringsproces van het buitenlandse beleid’. Doordat televisie in de jaren zestig in toenemende mate ingang vond in de huiskamers, werd de problematiek van de Derde Wereld nadrukkelijker onder de aandacht gebracht en nam de maatschappelijke betrokkenheid bij ontwikkelingshulp navenant toe. Ontwikkelingshulp was steeds meer onderwerp van publiek en politiek debat en de NCO die een nationaal pluriform platvorm was en dus een afspiegeling van verschillende meningen en visies vormde, bevorderde dat debat.

Maar dat was nooit de bedoeling geweest van het kabinet, noch van de ambtenarij. De raadsadviseur van de minister-president, D.M. Ringnalda, stuurde onmiddellijk een memorandum naar de premier, met het dringend advies de subsidie aan het Angola-Comité alsnog af te wijzen. De NCO was immers bedoeld als “een onschuldige commissie, die in brede lagen van de bevolking belangstelling moest opwekken voor de doelstellingen van de ontwikkelingsstrategie”. Nu de commissie echter een actiecomité had ondersteund dat vond dat “een land als Portugal uit Afrika moest worden geramd met alle middelen, waaronder het boycotten van bonafide Nederlandse ondernemingen”, was de NCO “geheel in politiek vaarwater” terecht gekomen. De Ministerraad volgde dit advies op en de opvolger van Udink, Kees Boertien, besloot de subsidieverstrekking af te wijzen.

Officieel luidde het argument dat de koffieacties nauwelijks verband hielden met de ontwikkelingsstrategie. In werkelijkheid lagen andere motieven aan de afwijzing ten grondslag. Tijdens het kabinetsberaad betoogde premier Biesheuvel dat de NCO zich had ontwikkeld “van een voorlichtingsinstantie tot een pressiegroep”. Udink, die op dat moment minister van Volkshuisvesting was, voegde hieraan toe dat de acties “in feite regelrecht tegen het Nederlandse bedrijfsleven” waren gericht. Het belangrijkste argument werd echter door minister Drees jr. van Verkeer en Waterstaat genoemd: hij achtte het kwalijk dat “rijksgeld gebruikt worden voor openlijke acties tegen bevriende mogendheden”. Kortom: de eigen Nederlandse buitenlandspolitieke en economische belangen waren in het geding!

De gevolgen voor Prins Claus en de NCO

Deze constatering had grote gevolgen voor de NCO. In de eerste plaats werd daarmee de positie van prins Claus als voorzitter van de NCO omstreden. De raadsadviseur van de minister-president adviseerde dan ook “direct uit te zien naar een andere voorzitter”. In eerste instantie vond het kabinet dit nog niet nodig. Het interpellatiedebat waarin minister Boertien om tekst en uitleg gevraagd werd vanwege zijn weigering de subsidieverstrekking aan het Angola-Comité toe te staan, gaf daar ook geen aanleiding toe, aangezien geen enkele partij de positie van prins Claus ter discussie stelde. Dit veranderde nadat Tweede Kamerlid van de PPR, De Gaay Fortman, schriftelijke vragen stelde over het voorzitterschap van prins Claus. Daarop antwoordde premier Biesheuvel dat “in ons constitutionele bestel vermeden dient te worden dat leden van het Koninklijk Huis betrokken raken bij controversiële kwesties”. Dit antwoord hield feitelijk het einde van het voorzitterschap van prins Claus in. De val van het kabinet-Biesheuvel eind 1972 betekende even uitstel van executie. Maar hoewel opvolger van Boertien Jan Pronk in eerste instantie de prins wilde behouden voor de commissie, werd uiteindelijk op aandrang van het kabinet prins Claus verzocht het voorzitterschap in te ruilen voor dat van de Stichting Nederlandse Vrijwilligers. “Na enige aarzeling” reageerde deze positief op dit verzoek.

Het volledige artikel, met voetnoten, vindt u in Transparant 20.4

Personalia

Leon van Damme is redacteur van Transparant, werkte bij het ING aan een bronnenstudie over de Nederlandse ontwikkelingshulp en is momenteel verbonden aan het NIOD.

Themanummer bestellen

Bestel het complete nummer over de Nederlandse ontwikkelingshulp, met dit artikel erin, voor slechts €5 door ons een e-mail te sturen (een acceptgiro wordt meegezonden).

Jaargang 20 (2009) No 4 – themanummer ontwikkelingshulp