Het Schriftgebruik in Groen van Prinsterers “Handboek der geschiedenis van het vaderland”

Het gebruik van de Heilige Schrift in Groens Handboek is een omstreden zaak. De Utrechtse wijsgeer C.W. Opzoomer sprak er smalend over in 1874: “die welbekende geschiedenis des vaderlands, die overal de theologie duimdik opsmeert, bijbeltekst op bijbeltekst stapelt, van bladzijde tot bladzijde u van God spreekt.”

Allard Pierson roemde in 1888 het Handboek als “schatkamer van geschiedkundige kennis”, maar beschouwde het tegelijk “in geheel hare konceptie door en door onhistorisch, gelijk Groens wijsbegeerte van de geschiedenis louter theologie was en eene, die op vroegere [!] katechisatiën te huis behoorde.”

Niet minder kritisch was het oordeel van de christenhistoricus H. Smitskamp, die in 1940 zijn bevreemding uitsprak over het gebruik van bijbelteksten in Groens Handboek. Meer dan eens is dat bijbelgebruik volgens hem uit niets anders te verklaren dan uit “wellicht een behoefte om de ‘tale Kanaäns’ te spreken, of om, hoe dan ook, een stichtelijke opmerking te plaatsen.” Maar doorgaans heeft het volgens Smitskamp een duidelijke bedoeling: Groen wilde aandacht vragen voor de vervulling van Gods beloften en dreigingen in de historie. Smitskamp stond daar kritisch tegenover: Groen kon voor zulke voorstellingen slechts instemming verwachten bij hen die zijn geloofsovertuiging deelden.

Is de kritiek terecht? Wat bedoelde Groen eigenlijk met zijn gebruik van plaatsen uit de Heilige Schrift in een vaderlands geschiedenisboek? Was het een vermenging van disciplines, historisch vakmanschap vermengd met verdwaalde theologie, met ouderwetse catechisanten-wijsheid? En leverde Groen met zijn Schriftplaatsen een theodicee die alleen voor mede-christenen werkelijk overtuigend kon zijn?

In deze bijdrage geef ik een inventarisatie van het Schriftgebruik in Groens Handboek. Het eerste onderdeel bevat een kwantificerend en rubricerend overzicht van de gegevens. Vervolgens geef ik in het kort aan, volgens welke uitgangspunten bij Groen de Schrift in de historiografie functioneert. Daarna volgt een aantal voorbeelden, geordend naar de verschillende invalshoeken van waaruit Groen zijn Schriftverwijzingen heeft gekozen en geformuleerd. Tenslotte maak ik nog een aantal evaluerende kanttekeningen.

Overzicht van gegevens

In de twee delen van het Handboek vinden we in totaal ongeveer 150 expliciete aanhalingen uit de Bijbel. In de eerste en derde editie wordt daarbij maar zelden de vindplaats vermeld. In de tweede druk wordt die in driekwart van de gevallen wel opgegeven. In de eerste en tweede druk citeert Groen de teksten in een letterlijke weergave uit de Statenvertaling, met modernisering van de spelling. In de omgewerkte derde druk heeft hij uit de vertaling de archaïsmen verwijderd.

Naast de 150 aanhalingen vinden we in het Handboek ook nog tientallen plaatsen, die een bijbelse uitdrukking of een zinspeling op een tekst uit de Schrift bevatten. Groen gebruikte zowel ‘bekende’ als ‘onbekende’ teksten. Hij was kennelijk goed thuis in de Schrift. Meer dan eens ontleende hij een bijbeltekst aan een gedenkpenning, zoals “De Heer heeft geen behagen aan de beenen des mans” en “den Godvreezenden werken alle dingen mede ten goede” (Psalm 147: 10; Romeinen 8:28) (120).

Van de teksten is ruim éénderde deel genomen uit het Oude Testament, en dat weer voor bijna de helft uit het boek van de Psalmen. Er is verder een tiental Schriftplaatsen dat meer dan één keer door Groen wordt aangehaald. Daarbij gaat het onder andere om het soevereine lachen van de HERE over wie zich tegen Hem verzetten (Psalm 2), de verkondiging van Gods raadsplan als onverbreekbaar (Jesaja 46: 10), de belofte voor wie eerst Gods koninkrijk en zijn gerechtigheid zoeken (Mattheüs 6:33), de roeping om de overheid te eren als door God aangesteld (Romeinen 13: 1) en de typering “zonder Christus en zonder God in de wereld” (Efeze 2: 12).

Groen heeft in slechts enkele gevallen een tekst uit de eerste en tweede druk niet meer opgenomen in de derde druk. Omgekeerd komen in de derde druk een stuk of zes teksten voor, die in eerdere drukken niet te vinden zijn. Die laatste staan allemaal in de paragrafen 823-847, in een hoofdstuk waar Groen een nieuw geformuleerde algemene beschouwing geeft over ‘het revolutionaire tijdvak’ 1795-1863.

De aanhalingen van bijbelplaatsen zijn heel ongelijk over het Handboek verdeeld. Verreweg de meeste teksten, ongeveer 130, staan in het eerste deel van het Handboek, en deze dan weer (op een viertal plaatsen na) in de eerste 200 pagina’s van dat deel. Driekwart van die 130 teksten is dan ook nog te vinden in de eerste 80 pagina’s van het boek. Een wel heel sterke concentratie in het begin dus.

De verklaring ligt wellicht hierin, dat Groen wanneer hij eenmaal bepaalde hoofdlijnen in de geschiedenis heeft aangewezen, het niet nodig vindt om daar telkens weer op terug te komen. Daar komt nog iets anders bij. Groen beschrijft in de eerste 80 bladzijden in grote lijnen de geschiedenis van Nederland van de vroegste tijden tot op 1565, inclusief een aantal algemene opmerkingen over het Gemenebest. Juist die grote-lijnen-aanpak geeft meer aanleiding voor het geven van aan de Schrift ontleende taxaties. Zodra Groen de historie van 1566-1863 gaat vertellen, wordt zijn verhaal meer gedetailleerd en ‘technisch’ en citeert hij alleen de Schrift op scharnierpunten in zijn verhaal.

Daarmee raken we een wezenlijk punt in Groens Schriftgebruik in de geschiedschrijving. Hij is niet een man, die bij het beschrijven van allerlei grote en kleine gebeurtenissen het niet laten kan om steeds een bijbelplaats er bij aan te halen of een stichtelijke opmerking te maken. Integendeel, er zijn van de 905 bladzijden van het Handboek maar 65 waar je Schriftcitaten tegenkomt. Groen kan vele tientallen, ja zelfs wel 200 bladzijden achter elkaar vol schrijven zonder ooit één Schriftplaats aan te halen.

De Schrift citeren doet Groen meestal aan het begin en aan het einde van een hoofdstuk, dus op scharnierpunten, daar waar hij een beschouwende vooruitblik of een evaluerende terugblik over een periode geeft. We vinden bovendien de citaten met name in paragrafen waar het over het geestelijk en kerkelijk klimaat in Nederland gaat. Zodoende vinden we de grootste concentraties van bijbelteksten in het Handboek op de volgende plaatsen:

1-3 de ‘Inleiding’;
43-48 verval van kerk en volksleven in de late Middeleeuwen;
50-56 de Hervorming en haar invloed op de samenleving;
66-72 het geloof en het lijden van de vervolgde protestanten;
187-188 de onenigheid over de uitverkiezing in de jaren 1610/18;
488-490 het geestelijk verval in de periode 1747-1795;
672-675 de geest van de revolutie rond 1795;
891-893 slotbeschouwing.
Samen zijn deze acht concentratie-plekken goed voor ongeveer 70 procent van de geciteerde plaatsen.
Het Schriftgebruik in Groens Handboek heeft niet op elke plaats dezelfde functie en hetzelfde soortelijk gewicht. Het totaal van aangehaalde teksten is nader te verdelen over de volgende categorieën:

Aanwijzing van Gods handelen in de geschiedenis in de vervulling van zowel belofte als dreiging (25%);
Genormeerde taxatie van verkeerd heden in de geschiedenis (20%) en van positieve punten in de geschiedenis (19%);
Schriftbewijs bij de gereformeerde leer (21%);
Feitelijke gegevens aangeduid met bijbelse woorden (10%);
Aansporing en appèl aan de lezers (5%).

Twee hoofdgroepen springen eruit: de aanwijzing van Gods handelen in zegen en straf, en de genormeerde taxatie (positief of negatief) van personen en verschijnselen in de geschiedenis. Daarin hebben we te maken met de kernpunten van Groens Schriftgebruik.
Uitgangspunten

Voordat we verder gaan kijken naar de verschillende invalshoeken van waaruit Groen in zijn Handboek de Schrift citeert, moeten we eerst luisteren naar wat hij zelf zegt over de uitgangspunten voor dit Schriftgebruik. Groen heeft heel goed geweten, dat zijn citeren van bijbelteksten in een geschiedenisboek vragen zou oproepen. Toch koos hij ervoor om al vanaf het titelblad van zijn Handboek het Woord van God te laten spreken. Daar staan woorden uit Psalm 78 geciteerd: “Wij zullen het niet verbergen voor de kinderen, vertellende de loffelijkheden des HEEREN, en Zijne sterkheid, en Zijne wonderen, die Hij gedaan heeft … opdat het navolgende geslacht die weten zoude” enz.

Psalm 78 zet voor Groen de toon van het geschiedenisverhaal. Gods roemrijke daden houden voor hem niet op bij de bijbelse geschiedenis. Ze zijn op te merken in alle eeuwen. Het is immers te allen tijde dezelfde God die regeert en het zijn dezelfde beloften en bedreigingen die Hij aan mensen bekendmaakt en waarmaakt. Ook voor Nederlanders in de negentiende eeuw is de geschiedenis leerzaam. Niet voor niets laat Groen van de citaten uit Psalm 78 het tweede gedeelte – “Dat zij hare hoop op God zouden stellen en Gods daden niet vergeten, maar Zijne geboden bewaren” – kapitaal drukken. Het historisch verhaal bergt een oproep tot geloof en gehoorzaamheid in zich. Het is meer dan enkel een resumé ‘hoe het geweest is’. Van het geschiedverhaal gaat een appèl uit. Het wil inzicht, dankbaarheid, instemming en afkeuring bewerken.

Dat betekent niet, dat Groen onbescheiden en onvoorzichtig wil doordringen in de geheimenissen van God en van allerlei feiten precies en gedetailleerd wil aanwijzen, hoe God handelde en wat zijn bedoelingen waren. Maar hij wil ook niet zwijgen over wat van Gods werken kennelijk openbaar wordt. In de voorrede voor zijn Handboek maakt Groen zelf dat onderscheid. Hij zegt: ik wil niet als ‘kortzigtige sterveling’ de sluier opheffen die God over de geheimenissen van het wereld bestuur gelegd heeft. Maar hij voegt er in één adem aan toe: het is de gelovige en ootmoedige christen evenmin toegestaan om zijn ogen te sluiten “voor de lichtstralen waarin, bij de wonderen der historie, de glans zijner volmaaktheden schittert” (IX).

Deze centrale gedachte komt op de eerste bladzijde van Groens geschiedverhaal terug, als hij Psalm 119 citeert. Gods Woord is ook op het pad der historie een lamp voor onze voet. Wil je de schittering van Gods volmaaktheden zien, dan moet je de lamp van Gods Woord erbij hebben. De Schrift zal helpen om de feiten in hun samenhang en betekenis en waarde te doorzien. God geeft openbaring over Zichzelf, over de patronen en bedoelingen in Zijn handelen.

God geeft openbaring ook over de mens: hoe die is, wat de grote lijnen van zijn streven en handelen zijn. Zonder het Woord blijft de wereldgeschiedenis een raadsel. Pas in het licht van de Schrift ga je haar inhoud en doel zien, de hoofdlijnen en kernpunten waar alles om draait. Die openbaring brengt een verstaan van de historie op gang, dat verder helpt en verheldering brengt. Gods Woord reikt geen schema aan, waar je de feiten in kunt persen, maar het functioneert als een lamp, die je de dingen beter doet zien.

Je kunt geen eerlijk en compleet beeld van de geschiedenis schetsen als je de diepe drijfveren en levensbeginselen weglaat. Die diepe beginselen zijn: geloof en ongeloof. In het licht van de Schrift ga je zien, hoezeer die in de geschiedenis een rol hebben gespeeld. En dan moet je ze als christen-historicus ook aanwijzen. Je kunt je niet op de vlakte houden.

Gods handelen aangewezen

Daarmee zijn we bij één van de belangrijkste invalshoeken in Groens bijbelgebruik. Op tal van momenten in zijn geschiedverhaal wijst hij met aanhaling van een bijbeltekst Gods handelen aan. Inhoud en doel van dat handelen is de vervulling van de ‘moederbelofte’ uit Genesis 3:15: “de zegepraal van den Messias over den verleider” (1). “Christus, gekomen om Zijne ziel te stellen tot een rantsoen voor velen, zal wederkomen om te oordeelen de levenden en de dooden. Aan de vorming, handhaving en verheerlijking Zijner gemeente, zijn de lotgevallen van personen en natiën, door alle geslachten en eeuwen, ondergeschikt” (1).

Dat handelen heeft vervolgens altijd twee kanten: er is vervulling van belofte en van dreiging, er is zegen en straf. God heeft gezegd: “Die Mij eeren, zal Ik eeren” (1 Samuël 2:30). De lotgevallen van het vaderland tonen en bevestigen dat voortdurend. Gods zegen en straf zijn historische werkelijkheden en daarom ook historisch waarneembaar en beschrijfbaar. Zij vormen “de doorloopende feiten, het merg en gebeente waardoor het gestel zamenhang en vastheid verkrijgt, de levensgeesten door wier adem het doode ligchaam der historie bezield wordt” (IX).

Groens stellingname op dit punt was sterk anti-deïstisch, anti-neutralistisch, anti-optimistisch en anti-revolutionair. Hij wilde kennelijk niet weten van een historieverhaal, waarin God weggedacht was of waarin Hij alleen maar een vage plaats had als ’Alvader’, als ‘Eerste Veroorzaker’. God is de levende God. Vandaag present in deze wereld. Merkbaar present en direct en actief! Hij regeert niet alleen, maar Hij reageert ook! Hij staat in levendig ‘rapport’ met onze tijd en onze wereld. Van de werkelijkheid naar Gods handelen is er geen transcendenterende ‘sprong’. Gods handelen is niet een alleen boven-wereldlijk gebeuren, maar is in de dingen manifest aanwezig, het manifesteert zich als iets kenbaars aan alle mensen (Romeinen 1:18-21).

Ook is de geschiedenis geen gang naar een steeds betere wereld. De brave burger van de negentiende eeuw mag het gevoel hebben gehad, dat hij in een meer verlichte en hoger ontwikkelde tijd leefde dan zijn voorvaderen, Groen spreekt die optimistische gedachtegang tegen. Hij wil zijn lezers de ogen openen voor de realiteit van Gods straf, daar waar mensen Hem verlaten. De achttiende eeuw was in zijn ogen geen tijd van vooruitgang, maar van neergang, veroorzaakt door ontrouw in de dienst van de levende God.

Een paar voorbeelden nu van de wijze waarop Groen het handelen van God in de geschiedenis aanwijst. 6 Ons vaderland is een stukje van Gods schepping. Van Nederland kan bijzonder gezegd worden: “God heeft ze gegrond op de zeeën en gevestigd op de rivieren” (Psalm 24:2) (2). Dit kleine land is door welvaart, rijkdom, macht en invloed naast en boven de grootste mogendheden verhoogd; dat heeft God, Hij alleen, gedaan (Psalm 44:4) (2). De geschiedenis van het gemenebest is een bevestiging van de belofte “Zoekt eerst het Koningrijk Gods en Zijne geregtigheid, en alle dingen zullen u toegeworpen worden” (Mattheüs 6:33) (2).

Groen wijst Gods handelen verder ook aan in verschillende meer concrete situaties. De opkomst van de Hervorming is te danken aan God Zelf. Hij sprak: “Er zij licht! en er was licht” (Genesis 1:3) (50). Duizenden bracht Hij tot kennis der waarheid. Daarin was te zien, dat zijn Woord niet ledig terugkeert (Jesaja 45:23) (52). Hij heeft een reeks van staatslieden uit het huis van Oranje-Nassau tot een heel bijzondere taak en bestemming geroepen. Zij werden terecht vergeleken met de richters door wie de Here Israël verloste (Richteren 2:18) (66).

Soms past Groen een bijbelwoord toe op één enkele persoon of gebeurtenis. God gebruikte Alva om Zichzelf te verheerlijken en zijn raad te vervullen (Jesaja 46:10) (87). In het grote aantal afstammelingen van Juliana van Stolberg bleek Gods belofte: “Ik doe barmhartigheid aan duizenden dergenen die Mij lief hebben en mijne geboden onderhouden” (Exodus 20:6) (98). God heeft de Pacificatie van Gent in 1576 mogelijk gemaakt zonder dat de militaire situatie daartoe aanleiding gaf. Daarin bleek de waarheid van Psalm 147:10: “De Heer heeft geen behagen aan de beenen des mans” en van Romeinen 8:28: “den Godvreezenden werken alle dingen mede ten goede” – teksten op een gedenkpenning (120).

Gods handelen wordt door Groen ook aangewezen in de straffen die God geeft. Zo heeft Hij bij het ineenvallen van het Romeinse rijk aan Rome haar ongerechtigheden vergolden (Openbaringen 18:5, 8) (4). In de stand van zaken aan het einde van de Middeleeuwen zie je, hoe de Here de zedenbedervers heeft overgegeven aan hun eigen ongerechtigheden, naar Romeinen 1:28 (44). Telkens gaf God in de geschiedenis van het gemenebest plagen zoals oorlog, pest, watervloed, hongersnood en andere rampen, bestemd om door de kastijding de mensen zich weer tot God te doen keren. “Is er een kwaad in het land, hetwelk de Heer niet doet?” (Amos 3:6) (69).

Die straffende hand van God ziet Groen vooral in de eeuw van de revolutie. De leer van een valse wijsbegeerte en het breken met Gods openbaring gingen de samenleving stempelen. Maar God heeft gelachen over de hoogmoed van de mens en heeft de grote plannen tot ijdelheid laten worden (Psalm 2) (684). Toen men een staat wilde creëren, waarin de terzijdestelling van de godsdienst als de eerste voorwaarde van politiek welzijn werd beschouwd, liep het alles uit op verwarring, ellende en slavernij (Jeremia 2:19) (892).

Het valt in deze gegevens op, dat de verwijzing naar God bij Groen nergens een ‘deus-ex-machina-karakter’ heeft. Hij gebruikt Goddelijk ingrijpen niet om onverklaarbare dingen te verklaren. Over het geheel genomen beperkt hij zich tot het aanwijzen van algemene lijnen van Goddelijk handelen. Wel komen we een enkele maal tegen, dat hij bij een verrassende wending in het gebeuren naar God verwijst.

Zo’n verwijzing heeft bij Groen evenwel niet de functie van een noodgreep om een verklaring te kunnen geven voor een raadselachtige gebeurtenis, die niet tot binnenwereldlijke factoren is te herleiden. Hij sluit zich alleen maar aan bij wat de Schrift zelf zegt over God, die er juist plezier in heeft om het zwakke en de schijnbare verliezer te verheffen en het sterke en de hoogmoedige te vernederen door de zaken een heel andere afloop te geven dan iedereen zou verwachten. God is een God van verrassende wendingen, niet omdat Groen zulke wendingen voor zijn geschiedschrijving nodig heeft, maar omdat de Schrift ons leert om voor dat aspect van Gods verrassend handelen oog te hebben.

In het overbrengen van Schriftwoorden op een historische situatie gaat Groen bovendien met voorzichtigheid te werk. Dat blijkt ook in zijn terminologie. Enkele voorbeelden daarvan vinden we op bladzijde 67. Het kan soms lijken alsof Groen te gemakkelijk oudtestamentische beloften voor Israël overbrengt op het Nederland van de 16de en 17de eeuw. Toch spreekt Groen daar zelf genuanceerd over. Hij wil Nederland wel een ‘tweede Israël’ noemen, maar dan niet bij gelijkstelling, maar ‘bij vergelijking’ (67).

De zegeningen van God zijn niet exclusief aan Nederland, maar wel ‘bij uitnemendheid’ aan ons volk verleend. En als ze er zijn, dan is dat niet omdat het hele volk uit kinderen van God bestaat. Integendeel, Groen wijst erop dat landen en volken vaak worden gezegend en gespaard om het geloof van sommigen. En hij verwijst dan naar de voorbeelden van Sodom en het huis van Potifar (Genesis 18 en Genesis 39:5) (67). Ook verder is er een voorzichtigheid in het formuleren. Wij zeggen – aldus Groen – met de apostel: “dat ons de woorden Gods zijn toebetrouwd”. “Ook wij behooren lofzingend te vermelden: (…) Gij hebt een werk gewrocht in de dagen onzer vaderen, in de dagen van ouds” (67). In de door mij gecursiveerde woorden komt tot uitdrukking, dat Groen geen gemakkelijke exemplarische identificatie wil tussen de eerste geadresseerden van een Schriftwoord en de mensen in de vaderlandse geschiedenis. Wel trekt hij de bijbelse lijnen door. Wat de Schrift openbaart over het patroon van Gods handelen gold niet alleen maar vroeger, maar het geldt voor alle eeuwen.

De Here God is dezelfde God ook vandaag, in Zijn bestuur over en Zijn reactie op het doen van mensen. En de beloften en dreigingen die voor Zijn volk in de bijbelse historie golden, zijn van kracht voor Gods volk in alle tijden. Als hier identificatie is tussen vroeger en nu, tussen Israëlieten en Nederlanders, dan berust die op de overtuiging, dat de God van de Schriften niet een andere God is dan de God van vandaag en dat Gods volk van vandaag één is met Gods volk in vroeger tijden.

Genormeerde taxatie

Wie geschiedenis schrijft neemt voortdurend taxerende en evaluerende beslissingen. Was een handeling goed of fout? Was een ontwikkeling positief of negatief? Of, genuanceerder, wat waren de positieve en de negatieve kanten ervan? Men ontkomt er niet aan om over personen en gebeurtenissen een impliciet of expliciet oordeel te geven. Maar wat is dan de maatstaf waaraan je mensen en ontwikkelingen meet? Krachtens welke norm veroordeel je Nero en geef je een positief beeld van Willem van Oranje? Waarom zijn welvaart en vrede positief en armoede en oorlog negatief? Het kan niet anders of daar liggen bepaalde vooronderstel- lingen achter.

Groen heeft in zijn Hand- boek ervoor gekozen om op een aantal plaatsen expliciet te maken, welke norm hij hanteert voor de beoordeling van goed en kwaad. Bijna 40% van de Schriftverwijzingen in het Handboek wordt gevormd door teksten, waarin Groen een genormeerde taxatie van personen en verschijnselen geeft. Met bijbelwoorden duidt hij dan zonde en revolutie of juist geloofsvertrouwen en gehoorzaamheid aan.

Ik geef weer een aantal voorbeelden, eerst van verwijzingen waarmee verkeerdheden worden getypeerd. De Batavieren waren heidenen, zonder Christus, zonder hoop en zonder God in deze wereld (Efeze 2:12) (4). In de middeleeuwse kerk stelde men de heiden Aristoteles en de spitsvondigheden van de Scholastieken boven het evangelie, zoals 2 Timotheüs 2:23 zegt: “vragen die dwaas en zonder leering zijn en twisting voortbrengen” (44). Het pauselijke Rome met zijn inquisitie was “vol van gruwelen en onreinheid: dronken van het bloed der heiligen en van het bloed der getuigen van Jezus” (Openbaringen 17:3, 4, 6) (47).

De uitvinding van de boekdrukkunst was een weldaad. Maar de “kwalijk bestuurde drukpers” is net als de tong “een vuur, een wereld der ongeregtigheid” (Jak. 3:6) (47). Toen bij de vrede van Cateau-Cambrésis in 1559 afspraken werden gemaakt over vervolging van de protestanten, werd daar de opstand zichtbaar van de koningen tegen de Here en zijn Gezalfde (Hand. 4:26, 28; vgl. Psalm 2) (80). Over Willem van Oranje valt veel goeds te zeggen, maar bij hem was ook een “struikelen in velen” (Jak. 3:2) (104). De Arminianen die geen ondertekening van de belijdenis wilden, waren als degenen “die altijd leeren en nimmermeer tot de kennis der waarheid kunnen komen” (2 Timotheüs 3:7) (191).

In de eeuw van de Verlichting verdraaide men het evangelie, in strijd met 1 Thessalonicenzen 2:13, dat spreekt over het aannemen van de prediking van de apostel “niet als der menschen woord, maar, gelijk het waarlijk is, als Gods woord” (488). Men legde veel nadruk op de liefde, met een schijn-beroep op het evangelie. Daarin zie je, hoe de satan zich verandert in een engel des lichts (2 Korinthe 11:14) (674).

De citaten ter verwoording van een negatief oordeel vormen de helft van het materiaal in deze categorie. De andere helft bevat positieve typeringen van het handelen van mensen in woorden die aan de Schrift zijn ontleend. Opvallend is, dat Groen bij de positieve karakteristieken eigenlijk niet eens zo nadrukkelijk met een eigen beoordeling komt, maar zich nauw aansluit bij wat voor de besproken mensen zelf de motieven zijn geweest. Dat Groen als gereformeerd christen die motivatie geheel deelt, blijft in deze categorie van zijn Schriftgebruik op de achtergrond.

Enkele voorbeelden. Bemardus van Clairvaux was schijnende als een licht in de wereld, “gebouwd op het fondament der apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste hoeksteen” (Efeze 2:20) (9). Bernardus is overigens niet de enige Middeleeuwer over wie Groen een positieve opmerking maakt. Ook van bijvoorbeeld Nicolaas van Cusa en Thomas a Kempis vermeldt hij onder verwijzing naar de Schrift (Johannes 8:12, 2 Petrus 1:5, 11) een te waarderen verzet tegen misbruiken in de kerk (70).

De hervormers spraken met woorden, niet van menselijke wijsheid (1 Korinthe 2:13), en ze “leidden alle gedachten gevangen tot de gehoorzaamheid van Christus” (2 Korinthe 10:5) (53). “Onze vaderen” hebben geleden voor het geloof: “alle dingen schade geacht om de uitnemendheid der kennis van Christus Jezus hunnen Heer” (Filippenzen 3:7, 8) (69). Met dezelfde Schriftplaats duidt Groen ook de bereidheid tot lijden bij Willem van Oranje aan (98). Op een andere plaats vergelijkt hij hem met Mozes, die ervoor koos “liever met het volk Gods kwalijk gehandeld te worden, dan voor een tijd de genietinge der zonde te hebben, achtende de versmaadheid Christi meerderen rijkdom dan de schatten in Egypte, want hij zag op de vergelding des loons” (Hebreeën 11:26). En ook al struikelde de ‘Vader des vaderlands’ in velerlei opzicht, toch was er bij hem ook het “strijden van den goeden strijd en het behouden van het geloof” (2 Timotheüs 4:7) (104).

Een achttal teksten haalt Groen aan, wanneer hij weergeeft hoe de overheid in de Republiek door ordonnanties en plakkaten de samenleving bestuurde. “Gods Woord, naar de leer der Hervormde Kerk, was de grondwet van den Staat” (55-56). Bijbelse vermaningen als “weert de tucht van den jongen niet” (Spreuken 23:13), “wie des menschen bloed vergiet, diens bloed zal door den mensch vergoten worden” (Genesis 9:6) en “zoo iemand niet wil werken, dat hij ook niet ete” (2 Thessalonicenzen 3: 10) kregen in de overheidswetgeving hun uitwerking.

Uit het genoemde materiaal kan blijken, dat voor Groen goed en kwaad, zonde, afval en gehoorzaamheid herkenbare historische grootheden zijn. En dat niet in de ‘subjectieve’ zin van het woord, waarbij het taxeren van een kwaad alleen overtuigend kan zijn voor wie al gelooft en de overtuiging van de schrijver deelt. Juist door zijn uitdrukkelijk Schriftberoep geeft Groen aan, dat er boven ieder mens, zowel boven de auteur als zijn lezers, een God is die gezaghebbend oordeelt over goed en kwaad. Zijn geboden zijn niet voor een kring van ‘Godsvereerders’, maar ze zijn universeel. Ze gelden voor ieder mens.

De vrijmoedigheid voor zijn oordelen ontleent Groen daarom niet aan zijn eigen overtuiging, maar aan het Woord van God. Als hij dat Woord in zijn Handboek spreken laat, is er tegelijk een appèl om zich door dat Woord te laten gezeggen. Dat is immers de áárd van het Woord: het roept mensen op, om het geformuleerde oordeel te beamen. En dat is uiteindelijk geen appèl van de historicus van de ‘Vijverberg’, maar van God in de hemel.

Schriftbewijs bij de gereformeerde leer

Ruim dertig van de geciteerde bijbelplaatsen staan bij Groen in een expliciet kerkelijke en theologische context: hij levert daar Schriftbewijs bij de gereformeerde leer. Op een enkele verspreide tekst na beperkt zich deze categorie tot twee concentratie-punten in het Handboek.

De eerste plaats is ? 80. De tekst in grote letter luidt daar als volgt: “Tegen het zamenstel der Roomsche wanbegrippen en ordinantiën werd de regtvaardiging door het geloof alleen op de voorgrond gesteld. De leer, in de Roomsche Kerk geslopen, werd aan den onbedriegelijken keursteen beproefd, en was tegen dit onderzoek niet bestand” (50-51). Alle nadruk ligt hier op de overwinnende kracht van Gods Woord: “Voor de H. Schrift moest elk dwaalbegrip vallen”. Vervolgens geeft Groen in kleine letter achttien plaatsen uit de Schrift tegenover de roomse misvattingen. Ik geef een paar voorbeelden. Tegenover het verdienen van de zaligheid: “uit genade zijt gij zalig geworden” (Efeze 2:3). Tegenover de mis: “Wij zijn geheiligd door de offerande des ligchaams J.C. eenmaal geschied” (Hebreeën 10: 10). Tegen de voorspraak van de heiligen: “Daar is één Middelaar Gods en der menschen; de mensch Christus Jezus” (1 Timotheüs 2:5). Tegen het verbod van bijbellezing: “die van de Bereën waren edeler dan die van Thessalonika, onderzoekende dagelijks de Schriften, of deze dingen aIzoo waren” (Hand. 17: 11) en “Het Woord Gods wone rijkelijk in u, in alle wijsheid” (Col. 3:16) (51).

In aansluiting hierbij vermeldt Groen in ? 82, dat het concilie van Trente (1545-1563) door zijn besluiten de dwalingen van de rooms-katholieke kerk canoniseerde. Hij citeert het anathema van Trente inzake de rechtvaardiging door het geloof alleen: “Zoo iemand zegt dat het regtvaardigend geloof niet anders is dan het vertrouwen op de goddelijke genade, welke om Christus de zonde vergeeft, of dat het enkel dit geloof is, waardoor wij geregtvaardigd worden, die zij vervloekt.” Daartegenover wijst Groen op woorden van de apostel Paulus: “wetende dat de mensch niet geregtvaardigd wordt uit de werken der wet, maar door ‘t geloove Jesu Christi, zoo hebben wij ook in Christus Jezus geloofd, opdat wij zouden geregtvaardigd worden uit het geloove Christi” (Gal. 2: 16). En hij reageert dan op het Trentse anathema met het Schriftwoord: “Al ware het dat wij of een engel uit den hemel u een Evangelium verkondigde, buiten hetgeen wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt” (Gal. 1:8) (52-53).

Er is nog een tweede plaats, waar Groen uitvoerig Schriftbewijs geeft voor de gereformeerde leer. In ? 238 en volgende beschrijft hij de onenigheden over de predestinatie in de Gereformeerde Kerk in de jaren 1609-1621. De belijdenis van Gods verkiezing en verwerping is op Gods Woord gegrond, aldus Groen, en de remonstrantse begrippen “leiden naar verloochening van het kruis en naar oprigting van eigen geregtigheid.” Hij verwijst daarbij naar Romeinen 8:29 en 2 Timotheüs 1:9. De mens gaat door eigen schuld verloren, maar wordt uit genade zalig (Romeinen 6:23). Deze leer is wel een verborgenheid (Romeinen 11:33), maar tevens de bron van godzaligheid, van ootmoed (Efeze 2:9), van gemoedsrust (1 Thessalonicenzen 5:24) en van dankbare ijver (Efeze 1:4) (187-188).

Intussen is Groen er zich wel van bewust, dat de leer van de predestinatie natuurlijk tegenstand opwekt. Een ongeestelijk mens verstaat immers niet de dingen die van de Geest van God zijn (1 Korinthe 2:14). Ook wordt dit leerstuk wel misbruikt en verdraaid (2 Petrus 3:16) en uit zijn verband gerukt. Soms leidt het tot wanhoop of juist tot zorgeloosheid, en ook wel tot godslastering, als mensen God gaan tegenspreken (Romeinen 9:19, 20) (188). Daarom moet “de voordragt dezer leer (…) met omzigtigheid geschieden. (…) Niet op Gods verborgen raad, maar op Christus, den weg, de waarheid, en het leven wijst de Heilige Schrift; op Hem zij het oog des geloofs gevestigd, zonder te willen doordringen tot wat gesloten voor ons is” (188).

Methodisch is van belang, dat Groen op deze scharnierpunten in de vaderlandse geschiedenis niet met een eigen-geformuleerde argumentatie pro of contra komt, maar zo veel mogelijk de Schrift zelf laat spreken. In dit Schriftbewijs maakt de auteur van het Handboek bewuste confessionele keuzes. Hij steekt niet onder stoelen of banken dat in het licht van Gods Woord naar zijn overtuiging de Hervorming een ommekeer ten goede was en dat de Gereformeerde Kerk het remonstrantisme terecht heeft veroordeeld en afgewezen. In feite vormen de teksten van deze categorie dan ook één geheel met die van de vorige. Ze willen een aan de Schrift genormeerde taxatie geven, een aanwijzen van goed en kwaad vanuit de wijsheid die van boven is.

Feitelijke gegevens aangeduid in bijbelwoorden

In deze rubriek gaat het om twee kleine groepen teksten. De eerste omvat de gevallen, waarin Groen woorden uit de Bijbel gebruikt om een feitelijke stand van zaken aan te duiden, zonder dat er zozeer een verklarende of beoordelende betekenis aan verbonden is. Het Romeinse rijk wordt met verwijzing naar het beeld uit de droom van Nebukadnezar het “rijk van ijzer” genoemd (Daniël 2:40) (4). Als achtergrond bij de evangelieprediking van Willebrord en Bonifatius wordt de opdracht van Christus: “Predikt het evangelie aan alle creaturen” geciteerd (Mattheüs 28:19, 20; Markus 15:16, 20) (5). Bij het jong sterven van Filips de Schoone komt een woord uit Jakobus 4: 14 voor de aandacht: “Hoedanig is uw leven? een damp die voor een weinig tijds gezien wordt en daarna verdwijnt” (41).

Het martelaarschap in de reformatie-tijd wordt getekend met woorden uit Hebreeën 11:34-38: “Zij hebben bespottingen en geeselen geproefd, en ook banden en gevangenissen; (…) hebben in de woestijnen gedoold en op bergen, en in spelonken, en in de holen der aarde” (70). De protestanten konden zeggen, dat ze niet vele wijzen en edelen waren (1 Korinthe 1:26) (80). Willem van Oranje kende van kindsbeen af de Heilige Schrift (2 Timotheüs 3: 15) (104). De Watergeuzen waren allerlei soort van verdrukten (1 Samuël 22:2) (109). Sprekend over de rijkdom in de bloeitijd van de republiek herinnert Groen aan de tijd van koning Salomo, toen in Israël het goud aan zilver en het zilver bijkans aan koper of ijzer gelijk werd geacht (1 Koningen 10:27).

Een tweede categorie teksten waarbij het om een feitelijk gegeven gaat en niet om Groens eigen taxatie, treffen we aan in passages, waar personen in het verhaal de Schrift citeren of zich erop beroepen. Zo ontving de Hollandse graaf Floris V een anoniem briefje met een waarschuwing tegen verraad onder zijn eigen tafelgenoten, onder verwijzing naar Psalm 41:10 (24). In de 18de eeuw beriep men zich op de uitspraak van Christus: “Mijn koningrijk is niet van deze wereld” (Johannes 18:36) om de staat aan de zeggenschap van Christus te onttrekken en er een neutrale autonome grootheid van te maken. In dezelfde tijd verdedigde men voor de kerk een anti-dogmatische houding met beroep op 2 Timotheüs 2:23: “verwerp de vragen die dwaas en zonder leeringe zijn, wetende dat ze twisting voortbrengen.” Met dergelijke verwijzingen naar de Schrift wil Groen niet aangeven waar zijn sympathie ligt of zijn instemming betuigen met het Schriftberoep van anderen, de citaten bedoelen alleen een feitelijk gegeven te registreren. Ze fungeren niet als beoordelingsnorm.

Waarschuwing en aansporing

De laatste categorie van bijbelcitaten vinden we daar waar Groen aan een historische gebeurtenis een bepaalde expliciete waarschuwing of aansporing verbindt. Nederland is slechts een klein landje, maar het heeft temidden van de wereldmachten een bijzonder hoge plaats gekregen. Daarvoor past dankbaarheid, geen zelfverheffing: “… en wat hebt gij dat gij niet ontvangen hebt? (…) zijt niet hooggevoelende, maar vreest” (1 Korinthe 4:7; Romeinen 11:20) (2). De koloniën leken heel wat voor de schatkist te zullen opleveren. Maar “wat baat het den mensch of hij de geheele wereld gewint en lijdt schade zijner ziele?” (Mattheüs 16:26) (47). Overziet Groen de periode 1813-1840, dan zou daar zijns inziens een bijbelwoord als waarschuwend opschrift kunnen dienen: “de vreeze des Heeren is eene springader des levens om af te wijken van de strikken des doods” (Spreuken 14:27) (891).

Naast waarschuwing is er ook aansporing. Aan het verhaal over de oorsprong en grootheid van de republiek door de zegen van God en de kracht van het geloof verbindt Groen de opmerking, dat ook wij lofzingend behoren te vermelden: “O God der heirscharen, Gij hebt een wijnstok herwaarts overgebragt en geplant. (…) De Heer gaf hun de landen der heidenen, zoodat ze in erfenis bezaten den arbeid der volkeren” (Psalm 80:8, 9; 105:44, 45) (67).

In die geest eindigt Groen zijn Handboek ook. De geschiedenis beschrijven is voor hem een werk, waarin “de toon der dankbaarheid en der aanbidding” te horen moet zijn. Elke wisseling van straf of zegen zal voor zulke geschiedschrijving ook in de toekomst stof opleveren. “Ik zal de daden des Heeren gedenken; ja ik zal gedenken Uwe wonderen van oudsher, en zal al Uwe werken betrachten en van Uwe daden spreken: O God, Uw weg is in het heiligdom; wie is een groot God gelijk God!” (893).

Aan het slot van zijn Handboek is Groen daarmee weer terug bij het begin, bij de titelpagina met daarop de woorden uit Psalm 78. De cirkel sluit zich in de lof op God, die in de geschiedenis de mensen iets te zeggen heeft. Hij is er. Hij is present. Zijn handelen is in deze wereld ook voor ons waarneembaar in geloof en in gehoorzaamheid. En die waarneming leidt dan tot dankzegging aan God en tot een leven naar Zijn geboden. De lof van God en het heil van de mens gaan samen.

Kanttekeningen

Hoe houdbaar, legitiem en zinvol was Groens Schriftgebruik? Wat leren we ervan? Wanneer we het geheel van onze inventarisatie overzien, laten zich de volgende kanttekeningen plaatsen.

De mededeling van Smitskamp, dat Groen met de geciteerde Schriftwoorden “doorgaans” aandacht wil vragen voor de vervulling van Gods beloften en dreigingen in de historie, is onjuist. Smitskamp noemt hier zeker wel een belangrijke trek in Groens historiografie, maar in het Handboek gaat het bij de categorie ‘vervulling van belofte en dreiging’ toch om niet meer dan een kwart van de bijbelcitaten.
Evenmin is Opzoomers spottende opmerking juist gebleken, als zou Groen in het Handboek bijbeltekst op bijbeltekst stapelen. Hij schrijft integendeel vele bladzijden zonder verwijzingen naar de Schrift. Hij geeft talloze malen deskundige beoordelingen en commentaren z?nder dat die aan de Schrift zijn ontleend.

Er is in Groens Schriftgebruik niets willekeurigs op te merken. Van een zo maar wat op elkaar stapelen van teksten is geen sprake. Evenmin blijkt iets van een oppervlakkige behoefte aan stichtelijkheid, het spreken van “de tale Kanaäns”. Gegeven het doel dat Groen bij zijn geschiedschrijving voor ogen stond, is de ratio van zijn Schriftgebruik heel goed aan te wijzen. De keuze van de Schriftplaatsen is mijns inziens steeds goed doordacht en ‘to the point’.

Wanneer Groen uit de Bijbel citeert, doet hij dat in een aanzienlijk aantal gevallen in een kerkhistorische context. Dat roept de vraag op, of de auteur hier niet twee verschillende soorten geschiedschrijving met elkaar vermengt: de ‘gewone’ geschiedenis en de kerkgeschiedenis. Het antwoord moet mijns inziens zijn, dat Groen er bewust voor gekozen heeft om de lotgevallen en de betekenis van de kerk niet buiten zijn verhaal te houden. De geschiedenis van het vaderland is voor hem niet een ‘profane’ geschiedenis, waarbij het levensbeschouwelijke, en in ieder geval het kerkelijke, onbeschreven kan blijven en naar de theologie kan worden verwezen.

Vaderlandse geschiedenis is voor Groen compléte vaderlandse geschiedenis. Niet alleen de politieke en economische en sociale aspecten, maar ook de kerk en haar functioneren horen daarbij. Ze nemen daarin zelfs een centrale plaats in. Het zijn geen twee gescheiden compartimenten. Hoe kun je ooit werkelijk de geschiedenis van de republiek beschrijven, als je geen aandacht wilt besteden aan geloof en kerk, die in de samenleving zo’n grote rol speelden? Dat zou geen echte vaderlandse geschiedenis zijn, maar vaderlandse geschiedenis met een fikse lacune, die niet historisch te verantwoorden is.

Ver in de meerderheid (60%) zijn de teksten waarin Groen een aan de Schrift genormeerde beoordeling van personen en handelingen geeft. Het is goed om, meer dan wel gebeurt, op deze stand van zaken nadruk te leggen in de discussies rond de verhouding van Schrift en historie. De christenhistoricus zal in zijn verhaal dikwijls vrijmoedigheid hebben om Gods hand op te merken in de grote lijnen van zegen en straf. Maar hij zal veel vaker nog vrijmoedig het goede en het kwade aanwijzen op grond van Gods geopenbaarde wil.

Opvallend is dat Groen zo vaak de dingen niet zelf formuleert in een aan de Bijbel ontleend betoog, maar steeds de Schrift laat spreken. Zou daar niet de overtuiging achter zitten, dat Gods Woord als zodanig de mensen moet overtuigen? Niets spreekt zo sterk als het levende Woord zelf. Het heeft zijn eigen overtuigingskracht, die de kracht is van de Geest. Doorgeven van dat Woord was Groen daarom voldoende. De lezer moet in zijn kijk op de geschiedenis uiteindelijk niet koersen op de opinies van de historicus, maar op de openbaring van de Here God. Menselijke interpretaties en taxaties zijn aan dat Woord altijd te toetsen.

Het inventariseren en overwegen van Groens Schriftgebruik in het Handboek geeft ons een beter zicht op zijn uitgangspunten als christenhistoricus. Opvallend is, hoezeer zijn geschiedschrijving een geïntegreerde geschiedschrijving is. Het ‘christelijke’ is niet een vrijblijvend supplement en geen subjectief ‘surplus’, maar vormt een integrerend bestanddeel in het geheel. Groen is vakman en christen tegelijk.

Waar een historicus-evangeliebelijder zo werkt, daar worden zeker de ‘sluiers’ niet allemaal opgelicht, veel geheimenissen niet ontdekt en tal van raadsels niet opgelost. Maar wel worden er ‘lichtstralen’ opgevangen, met wijd open ogen, “lichtstralen waarin, bij de wonderen der historie, de glans van Gods volmaaktheden schittert” (IX). Wie zou daarvoor de ogen willen sluiten?

Jaargang 03 (1992) No 2 – themanummer mr. G. Groen van Prinsterer