Het piëtisme en het woord

Er was eens een meisje dat bij dominee G.H. Kersten de catechisaties volgde en geloofsbelijdenis af wilde leggen. De kerkenraad van de Gereformeerde Gemeente aan de Rotterdamse Boezemsingel liet haar echter niet toe. Het meisje had namelijk ‘romantische boeken’ gelezen. Bij huisbezoek bleek bovendien ‘een romantisch tijdschrift’ op tafel te liggen. Ze zou na een proefperiode opnieuw onderzocht worden.

Het voorval speelde zich af in april 1907. Het leert ons iets over het thema van deze bijdrage: het piëtisme en het woord. Het piëtisme zal ik in de gestalte van de Nederlandse bevindelijk-gereformeerden aan de orde stellen. Ik bespreek eerst enkele door de piëtisten afgewezen cultuurvormen waarin het woord bemiddeld wordt, en kom dan vanzelf op de door hen geprefereerde woordcultuur. Met deze observaties wil ik, in het kader van dit themanummer over de Linguistic Turn, de vraag beantwoorden hoe de bevindelijk-gereformeerden in de twintigste eeuw omgingen met het woord.

Laten we om te beginnen nog even bij de ‘romantische boeken’ blijven, want het voorval uit 1907 stond niet op zichzelf. Dominee Gerrit Hendrik Kersten (1882-1948) heeft zelf vermoedelijk weinig fictieve literatuur gelezen. Reeds als tiener bestudeerde hij ijverig de werken van ‘oude schrijvers’ (theologische boeken uit de zeventiende en achttiende eeuw). Om de slaap de baas te blijven, plaatste hij zijn voeten in een teiltje koud water. Met recht mocht hij dan ook zeggen: ‘Ik heb Comrie vermalen’. Kersten wekte de jeugd herhaaldelijk op tot het lezen van de oude schrijvers. ‘Verzaak de kostelijke tijd uwer jonkheid niet; vergaap u aan de lichte lectuur onzer dagen niet.’

In onzen kring geheel contrabande

In De Saambinder (het kerkelijk weekblad van de Gereformeerde Gemeenten) van 1927 adviseerde hij de jeugd om het Handboek der geschiedenis van het vaderland (eerste druk 1846) van Groen van Prinsterer te bestuderen en verwierp ‘de lichte, zoutelooze, zedelooze lectuur dezer dagen’. In datzelfde weekblad maakte v.B. te R. in 1926 de lezer deelgenoot van zijn grote verbazing over wat zich in zijn schoolklas had afgespeeld. Een leerlinge overhandigde haar buurvrouw een bekende roman, ‘als letterkundig produkt hoog geroemd, doch in onzen kring vanzelf geheel contrabande’. v.B. te R. waren de initialen van Alexander van Bochove (1893-1968), hoofdonderwijzer van een Rotterdamse school van de Gereformeerde Gemeenten en de rechterhand van dominee Kersten op de Theologische School.

Niet alleen in eigen kring waarschuwden Kersten en de zijnen tegen de roman, ze deden dat ook daarbuiten. De Staatkundig Gereformeerde Partij (SGP) vond dat de overheid geroepen was de zedeloosheid te bestrijden. Haar Kamerlid Kersten stelde de regering derhalve voor om geen subsidie te verlenen aan openbare leeszalen, die hij in 1928 in de Tweede Kamer als ‘geestelijke vergiftigingsinstrumenten’ karakteriseerde. De zedeloosheid in het land werd aangewakkerd door onreine lectuur, ‘een der ergste bezoekingen, welke een volk kunnen treffen’, betoogde Kerstens medestrijder Pieter Zandt (1880-1961) in 1931 in diezelfde Kamer. ‘Zij schept een sfeer, waarin allerlei misdrijf welig groeit en zij werkt mede tot het vullen der krankzinnigengestichten, der gevangenissen, der armenhuizen en der holen van schande en ontucht.’

Personalia John Exalto

Dr. John Exalto (1978) is historicus en is als postdoc werkzaam aan de Vrije Universiteit. Daar concentreert hij zich op de verschuiving van religieuze idealen binnen de christelijke pedagogiek.

Bestel het complete nummer over Linguistic Turn, met de volledige versie van dit artikel erin, tegen een kleine vergoeding door ons een e-mail te sturen (een acceptgiro wordt meegezonden).

Jaargang 21 (2010) No 1 – themanummer Linguistic Turn