Het Eerste Christelijk Sociaal Congres: beter laat dan nooit

“Zij kunnen niet wachten, geen dag en geen uur!” Dit gevleugelde woord van Dr. A. Kuyper op het Eerste Christelijk Sociaal Congres tekent de situatie van 1891 en had een dubbele bedoeling. Als een bemoediging voor al zijn volgelingen die met hun handen hun brood verdienen. Voorzover ze het nog konden verdienen. En als een prikkel tot actie voor de leidinggevende bovenlaag die traag-conservatief het er bij had laten zitten.

Cover van de openingsrede van Kuyper op het Eerste Christelijk Sociaal Congres. Bron Transparant

Cover van de openingsrede van Kuyper op het Eerste Christelijk Sociaal Congres. Bron Transparant

De organisatoren, Kuyper voorop, hebben onder groeiende spanning toegewerkt naar dit Sociaal Congres, voordat de klassentegenstellingen een onherstelbare breuk in de gelederen der mannenbroeders kon slaan. In deze bijdrage willen we die toenemende spanning tijdens de onmiddellijke voorgeschiedenis van het Congres op het spoor trachten te komen. Hoe was de situatie in 1891?

In maart 1888 scheen het liberalisme verleden tijd. Het eerste coalitiekabinet was aangetreden. Wat zou het voor de kleine luyden gaan doen? Na het rapport van de enquête-commissie, in het vorige jaar verschenen, kon niemand er meer omheen: er heersten schrijnende toestanden in de fabrieken en werkplaatsen en er was doffe ellende in de arbeiderswijken. In oktober 1888 kwam het kabinet-Mackay met een ontwerp-arbeidswet (het vierde binnen de laatste zes jaar). De werktijd voor vrouwen en kinderen werd beperkt en een begin werd gemaakt met arbeidsinspectie om op de naleving daarvan toe te zien (de grote leemte in het Kinderwetje-van Houten uit 1874). Na een half jaar waren de beraadslagingen voltooid en werd de wet aangenomen.

In arbeiderskringen was men dankbaar maar allesbehalve voldaan. Wat ging het toch allemaal traag! En waar bleven de beschermende regels voor de arbeid van mannen? Om nog maar te zwijgen van de Kamers van Arbeid, die de arbeiders eindelijk mondig zouden maken. Dat laatste idee zou door een nieuwe enquête worden bekeken, samen met voortgaand onderzoek naar de arbeidsvoorwaarden in het land. Het was al maar uitstel. Het was om de moed te verliezen.

Niet dat de arbeiders niet durfden. Dat hadden ze in Almelo wel bewezen toen ze daar in het voorjaar van 1888 drie maanden staakten. Of in Rotterdam, toen in de zomer van 1888 een staking op de sleepboten nog net kon worden afgelast. Of in Enschede, eind februari 1889, toen 4.000 textielarbeiders het werk neerlegden om het pas in mei weer op te nemen na bemiddeling van kapelaan Ariëns. En dan in mei 1890 de wilde stakingen in de veenderijen bij Heerenveen een ware uitputtingsslag, aangevuurd door socialisten, maar ten leste opgeheven dankzij actie van mannen van het christelijk werkliedenbond Patrimonium (een eenheidsvakbeweging was er ook toen niet).

Over één ding waren alle arbeiders het eens: zij die ons regeren kennen onze nood niet, of houden zich blind en doof; wij wensen inspraak! Hartje zomer 1890 is Heerenveen het toneel van een grote manifestatie voor algemeen kiesrecht, georganiseerd door de Friese Volkspartij, een bundeling van diverse arbeidersverenigingen en afdelingen van Sociaal-Democraten, de radicale bond van Domela Nieuwenhuis. Maar ook in de kringen van het Friese Patrimonium neemt de onrust toe.

In het najaar van 1890 broeit het alweer in Friesland, nu in de kleistreek het Bildt. Landarbeiders sluiten zich aaneen in “Broedertrouw” om tot collectieve loonafspraken met de boeren te komen. Deze weigeren, er volgen stakingen, arbeiders van elders worden ingehuurd en de stakers uitgesloten . Wie zal ’t het langste uithouden? Ook werklieden van christelijke huize doen hieraan mee. In het weekblad van Patrimonium bericht Gabe de Fries (schuilnaam van P. van Vliet jr.) dat Broedertrouw bepaalde boerderijen op de zwarte lijst plaatst: geen lid zal daar ooit weer gaan werken.

In een serie artikelen gaat hij dieper op de oorzaken in. De band tussen boer en knecht is aan het verdwijnen; steeds meer pachtboeren vervangen hun vaste knechten voor dagloners, terwijl de heren grondeigenaars de pachtsommen verteren in het buitenland. Van Vliet weet waar Patrimonium hoort te staan: als christenen weten we onrecht te lijden en op God te wachten, maar als burgers mogen wij vragen niet eisen om een menswaardig bestaan zonder meteen voor revolutionair te worden uitgemaakt.

Jaarvergadering Patrimonium

Op 10 en 11 november 1890 vergadert Patrimonium in Amsterdam. De huishoudelijke vergadering op 10 november neemt twee belangrijke besluiten. Zij benoemt een commissie voor het samenstellen van een Sociaal Program. Zij nodigt het Centraal Comité van de Antirevolutionaire Partij uit om samen een Sociaal Congres te organiseren. Daar zit iets tweeslachtigs in. Enerzijds de overtuiging ‘wij moeten het zelf klaren’. Anderzijds de hoop ‘onze partij zal wakker worden en de strijd overnemen’.

Abraham Kuyper, voorman van de gereformeerden. Bron Transparant

Abraham Kuyper, voorman van de gereformeerden. Bron Transparant

De jaarvergadering op 11 november wordt door voorzitter Klaas Kater geopend met een toespraak waarop hij lang heeft lopen broeden. De wettelijke hervormingen komen veel te traag, zo stelt hij onomwonden, en een nieuwe enquête is erger dan nietsdoen. Onze verhouding tot de ARP moet anders worden. Men mag ons niet verslijten voor houthouwers en waterputters. In het uiterste geval zullen we met de ARP moeten breken.

De “grootste heeren” spreken wel anti-revolutionair, maar handelen zo conservatief mogelijk. Praktische kennis van het sociaal terrein hebben zij niet. Maar terwijl echte anti-revolutionairen niet geloven dat ‘plutocraten en bezitters van adellijke titels de nooden onzer achterbuurten kennen en des zins en willens zouden zijn ze te verlichten of weg te nemen’, komen op de antirevolutionaire kandidatenlijsten de kleine luyden nooit voor. Wel bij voorkeur mannen uit de hogere klasse, waaronder ook mannen die hun werkvolk hongerlonen betalen…

Kater eindigt zijn rede met een pleidooi voor toenadering en …daden: er is lang genoeg gepraat. Het klinkt als een grimmig ultimatum. Deze rede is een kennelijke weerklank, en op de berichten uit Friesland, en op hoofdartikelen in De Standaard die nu al een jaar lang uiting geven aan teleurstelling en ongeduld met het zittende kabinet.

De rede slaat in als een bom. In de besprekingen die erop volgen komt telkens naar voren: de antirevolutionaire leiders hebben de studie van het maatschappelijk vraagstuk verzaakt. Zij ontplooien te weinig actie ten bate van de arbeidersstand. Er is maar één oplossing: de ARP moet een werkman naar de Tweede Kamer afvaardigen! Dit laatste voorstel, van de afdeling Haarlem, wordt pas na een verhit debat van tafel genomen als Kuyper sussend opmerkt dat deze eis is achterhaald door het eerdere besluit om met de ARP een Sociaal Congres te beleggen.

Maar niet iedereen is gesust. Verontwaardigd schrijft het kamerlid Th. Heemskerk de volgende dag aan Kuyper als redacteur van De Standaard dat er valse beschuldigingen zijn geuit die geheel op dwaling berusten. Draagt men dan geen kennis van de pleidooien die hij en Lohman in de Kamer hebben gevoerd voor Kamers van Arbeid? Men kan het nalezen in de Handelingen van 21 november 1889, blz. 173-186.

Wie de bladzijden opslaat, leest inderdaad krachtige betogen voor Kamers van Arbeid, met de waarschuwing dat een nieuwe enquête alleen maar de aanpak van het arbeidersvraagstuk zal vertragen. Een rehabilitatie in De Standaard van ons als Kamerleden vindt Heemskerk hard nodig nu we zo verdacht zijn gemaakt. In een P.S. klaagt hij nog: “Hoe bij de wet op den arbeid van vrouwen en kinderen gepoogd is, ik zou haast zeggen geworsteld, om die wet tenminste eenigszins in anti-revolutionairen zin te wijzigen, is ook nooit gereleveerd.”

Niet minder verontwaardigd is het antirevolutionaire kamerlid jhr.mr. T.A.J. van Asch van Wijck. Hij lucht zijn gemoed twee weken later, wanneer hij een spreekbeurt komt vervullen voor Patrimonium afdeling Amsterdam. Hij heeft een gepeperde rede op zak, want hij vindt dat Katers “beleedigingen en insinuaties” aan het adres van zijn geestverwanten in de Kamer niet onweersproken mogen blijven. “Op rang of titel bogen wij gans niet, wij komen juist op voor de kleine luyden, voor hen hebben wij de schoolstrijd gestreden en strijden wij nog voor Kamers van Arbeid.” Tegen het vormen van een Christelijke werkliedenpartij wil hij ernstig waarschuwen. Zijn wens is “dat Kater erkent dat hij onwaar is geweest tegenover de Kamerleden en dat zijn standpunt noodzakelijk moet leiden tot socialisme.”

Deze rede heeft de jonkheer op zak gehouden. Nog net op tijd had Kuyper hem verzocht, geen ‘philippica’ tegen Kater te houden. Ik heb, zo schrijft hij Kuyper de volgende dag, slechts met een enkel woord geprotesteerd. Maar De Standaard had Kater wel flinker moeten aanpakken. “Ik geloof dat het noodig is den heer Kater los te laten indien hij in zijn lijn blijft, want steunt men hem ook maar indirect dan neemt hij Patrimonium mede… Zijn denkbeelden leven niet onder den werkman, maar zullen er komen wanneer men hem zijn gang laat gaan. En dan drijft men de A.R. (droite & gauche) in de armen der conservatieven om een vijand te bestrijden, nog gevaarlijker in mijn oog dan de partij van Domela Nieuwenhuis.” Daar kon Kuyper het mee doen van de verder trouwe en ijverige Van Asch van Wijck.

Een werkman in de Raad

Want steun gaf Kuyper aan Kater en zijn mannen, niet eens “ook maar indirect”. De vrijdag volgende op de roerige jaarvergadering van Patrimonium, 14 november 1890, komt Kuyper de vergadering van de antirevolutionaire kiesvereniging ‘Nederland en Oranje’ binnenvallen en als voorzitter Fabius de aanstaande gemeenteraadsverkiezingen aan de orde stelt, ondersteunt Kuyper in een meeslepend betoog een kandidatuur-Poesiat. Bart Poesiat is timmermansbaas op de brouwerij van W. Hovy. Hij heeft juist drie dagen geleden om gezondheidsredenen afscheid genomen als secretaris van Patrimonium. Deze alom geziene arbeider wordt gekozen, en hij neemt het nog aan ook! Het is voor Fabius alsof de wereld in elkaar stort. Hij weet niet of hij lachen moet af huilen. Nog diezelfde avond legt hij zijn bestuursfunctie neer.

In De Standaard wordt de verkiezing van Poesiat warm aanbevolen. De tijd is er rijp voor. Stellen de socialisten de heer Rot, dan is het principieel om daar een onzer werkmannen tegenover te stellen. Welnu, in Poesiat steunen wij een gelovig werkman, die bovendien erg voor de koning is. Het wordt Fabius te bar. Op 17 november schrijft hij Kuyper dat hij ten volle erkent “dat de slappe matte houding van de Kamerclub aanleiding kan zijn van het opkomen van ongezonde democratische denkbeelden” maar deze stap is al te mal.

“Wijst morgen de vrouwenvereeniging van mej. Drucker er op, dat de keukenmeiden niet gerepresenteerd zijn in den raad en stelt zij eene keukenmeid, zoo zal Nederland en Oranje ‘principieel’ moeten zijn, ook eene keukenmeid moeten stellen, maar dan eene Oranjelievende. Onze vriend Hovy kan dan met zijn knecht en zijne keukenmeid naar den raad wandelen.” Fabius vindt de gedachte bespottelijk dat een arbeider als zodanig de beste vertegenwoordiger van de arbeidersbelangen zijn; hij mist immers de gelegenheid en de algemene ontwikkeling om zich breed op het sociaal terrein te kunnen oriënteren?

Bart Poesiat. Bron BWSA

Bart Poesiat. Bron BWSA

Ook de milde, wijze Hovy, fabrikant, wethouder, directeur van de Vrije Universiteit, is door het geval overrompeld. Het geeft geen pas, schrijft hij aan Kuyper, dat br. Poesiat mij niet geraadpleegd heeft. Hij is de baas aan mijn fabriek, en geef ik hem als zijn patroon verlof tot het bijwonen der raadsvergaderingen, dan “zou ik zijn taak moeten waarneemen, zoo lang; want hij vertegenwoordigt mij bij zijn onderhebbenden.” Wel een wat gezocht argument. Maar Hovy zint heel dit “valsch democratisme” niet, en hij zou niet graag zien dat de Antirevolutionaire Partij zich op die weg begaf: “De Heere is machtig en gewillig op ons ootmoedig gebed mannen te verwekken, dien Hij ook een hart heeft gegeven voor de nooden van de werkman. Daarvoor behoeft de werkman zelf zijn post niet te verlaten.”

Naar het Congres

In Utrecht raakt Kater steeds meer gedeprimeerd door de explosieve ontwikkelingen. Overwoog hij vlak na de jaarvergadering zijn functie neer te leggen, een daad waarvan Kuyper hem heeft afgehouden, op 15 december schrijft hij aan Kuyper dat hij alsnog besloten heeft eerstdaags op te stappen. Immers, Van Asch van Wijck is op de afdeling Amsterdam zonder protest aangehoord; erger nog: in de afdeling Scheveningen heeft een ander Antirevolutionair kamerlid hem beschuldigd van het “miskennen van rangen, standen en roepingen.” Zijn positie wordt onmogelijk, en dus zal ook zijn medewerking namens Patrimonium aan de voorbereiding van het Sociaal Congres tot een minimum beperkt moeten blijven.

Een paar dagen later heeft Kuyper hem weer tot andere gedachten kunnen overhalen. Kater bericht dat hij loyaal zal meedoen aan het werk van de Regelingscommissie voor het Congres. Hij dringt er meteen op aan, daarin als tweede voor Patrimonium op te nemen een Fries, en wel P. van Vliet. “Al de onaangenaamheid die ik mijzelf berokkend heb, om de Friezen voor Patrimonium te behouden, zal… vruchteloos zijn indien Hollanders alleen, in meergenoemde Commissie werden gekozen…”

Kuyper werkt in deze dagen koortsachtig aan de voorbereiding van het Sociaal Congres. Hij houdt van aanpakken en de nood der tijden dringt. De Regelingscommissie moet aan de slag, en er moeten inleiders en voorzitters voor de verschillende secties worden opgetrommeld. Talloze brieven verlaten zijn schrijfbureau. Maar welk een ontmoedigende respons! De een verontschuldigt zich, de ander acht zich onbekwaam en verwijst door naar een derde, weer een ander heeft bezwaar tegen het samenwerken met mensen als Kater. De meesten klagen dat de aanlooptijd veel te kort is om studie van de zaak te maken.

Dat laatste was zeker waar. De leiding was al te voortvarend. Het Congres zou eind februari 1891 samenkomen. Het is al gauw juni geworden en tenslotte naar oktober verzet. Dit blijkt uit de notulen van de Regelingscommissie, die zich in het archief van de Amsterdamse kiesvereniging bevinden. J.A. Wormser was van beide secretaris, vandaar dat het mogelijk is dat dit document honderd jaar zoek is geweest.

Maar het is zelfs niet bij driemaal uitstel gebleven. Kater bedenkt bijtijds dat Patrimonium altijd in de tweede week van november zijn jaarvergadering houdt. Als die nu eens kon samenvallen met het congres, dan zou dat veel reis- en verletkosten besparen. Aldus werd besloten.

Zou Kuyper inmiddels niet vreselijk ongedurig zijn geworden? In ieder geval was de oud-wijkpredikant van de Amsterdamse Eilanden onder de indruk van de acute nood; die nog stijgende was. Midden in de barre winter van 1890/91 glijdt er een noodkreet uit Leeuwarden door zijn brievenbus. Dr. L.H. Wagenaar schrijft hem dat het gevaar groot is dat er in het Bildt “Iersche toestanden” ontstaan: de boeren verbieden de arbeiders zich te organiseren en proberen gewelddadig verzet uit te lokken “om er op in te kunnen schieten.” Onze beste arbeiders op het land zowel als in de steden worden uitgemergeld door gebrek aan gezond voedsel. “De ellende, die nu in wonderste stilheid geleden wordt, nu de aardappelen bevroren zijn, is onbeschrijfelijk. Hoevele gezinnen, die niet klagen zich voeden met bevroren, zoete en daardoor van het meel beroofde aardappelen met een uitje en wat potvet, is niet te berekenen. Schier allen… Ds. van Andel, P. van Vliet en ik confereeren dikwerf en bestudeeren het Mozaïsch socialisme. Ons resultaat is landnationalisatie met erfpacht in de geslachten.”

Toe maar! Doch Wagenaar denkt al aan de eerstkomende Tweede-Kamerverkiezingen. Hij dringt aan op een kandidatuur van P. van Vliet voor Sneek. “Niet als werkman-kandidaat, maar als zeer bekwaam en beschaafd antirevolutionair, die in ’t bizonder op de hoogte is en studie maakt van de sociale toestanden.” Hij verzekert Kuyper als voorzitter van het Centraal Comité: “wanneer de a.r. partij niet krachtig opkomt voor ons kleine volk, dat van druk vergaat, dan verliest ze haar invloed in Friesland.”

Nog heeft de spanning haar hoogtepunt niet bereikt. Juist in die zomer verliezen vele kandidaten van rechts – ook P. van Vliet – de verkiezingen. Na het intermezzo van 1888-91 treedt opnieuw een liberaal kabinet aan. Wie kan nu nog hopen op verdergaande arbeidswetgeving, op Kamers van Arbeid? En intussen woekeren de sociale misstanden voort, niet alleen in Amsterdamse sloppen en op de Friese klei. In Middelstum bijvoorbeeld schrijft de christelijke hoofdonderwijzer N. Oosterbaan, onder de schuilnaam Graphoo, een brochure over de sociale toestanden op het Groninger platteland. Duidelijk stelt hij aan de kaak: de arbeiders worden geknecht door de boeren, ook door gereformeerde boeren. De verhalenbundel Kinderen in verstand en boosheid van P. Keuning tekent hiervan wrange staaltjes.

De boeren zijn diep gekrenkt en grijpen naar een beproefd middel: “Graphoo is een socialist” wordt weldra overal verteld. Oosterbaan, die vaker met Kuyper heeft gecorrespondeerd, schrijft een brief naar Amsterdam. En jawel, kort daarna bevat De Standaard een driestar over de onthullende brochure “van een geestverwant”. De afleidingsmanoeuvre is de pas afgesneden. Maar daarmee is de sociale kloof niet geheeld.

Eindelijk is het dan 9 november 1892. “Zij kunnen niet wachten, geen dag en geen uur!” In zijn openingsrede trekt Kuyper namens allen het boetekleed aan: “Het wordt ons tot schuld en het stemt ons tot verootmoediging, dat, waar zoo schreiende nood openbaar werd, we niet reeds voorlang in den naam van Jezus zijn opgetreden” (p. 8). In de gedrukte versie voegt hij daaraan toe (noot 3): “Tot onze beschaming moet erkend, dat de Roomsch-Catholieken ons in de bestudeering der sociale quæstie verre vooruit zijn”, en hij somt een keur van met name Franse titels op.

Filantropie blijft nodig, zo houdt de redenaar de congresgangers voor. “Immers de arme kan niet wachten, tot de herstelling van het gebouw onzer maatschappij zal zijn afgelopen. Bijna zeker beleeft hij die gelukkige ure niet meer. En inmiddels moet hij toch leven…” (p. 45). Maar met filantropie komt men niet meer uit. Afbraak en nieuwbouw is eis. Zonder ingrijpende hervormingsvoorstellen (“architectonische critiek”) zal het niet gaan, want “gaat het zoo voort, dan wordt het al minder een hemel, en krijgt het al meer iets van een hel op aarde” (p. 25 e.v.). En opnieuw, in noot 50: “Zoo kan het niet langer.”

Of Kuyper ook haast wilde maken! Maar waar sprak hij de zo vaak aangehaalde woorden “Zij kunnen niet wachten, geen dag en geen uur!”? In het hele proces-verbaal zijn ze niet te vinden. De vraag naar de vindplaats kwam ruim een halve eeuw later binnen op het Kuyperhuis in Den Haag. Dr. M.C. Smit was daar toen bibliothecaris en werkte ook wel mee aan de vragenrubriek in het maandblad Anti-Revolutionaire Staatkunde. Hij heeft later verteld hoe men toen gezocht heeft. Zonder resultaat. Totdat op een middag de hoogbejaarde heer H. Diemer langs kwam en hen uit de droom hielp: die woorden heeft Dr. Kuyper op het Sociaal Congres gebruikt in zijn gebed.

Dat het Eerste Christelijk Sociaal Congres een dreigende tweespalt binnen de Antirevolutionaire Partij voorlopig bezwoer, de leden van Patrimonium een hart onder de riem stak, en Kamerleden en andere leiders van de ernst van de situatie doordrong, is niet in de laatste plaats te danken geweest aan Kuypers openingsrede en gebed. Wie daar de encycliek van hetzelfde jaar naast legt, valt het verschil op. Terwijl de paus zijn bisschoppen bepaalt bij het natuurrecht en de Kerk en haar geschiedenis, plaatst Kuyper de mannenbroeders rechtstreeks voor God en citeert hij keer op keer uit de Bijbel. Daarin ontlaadde zich een spanning en daarmee herstelde zich een sfeer van vertrouwen waaraan de herinnering onvergetelijk is gebleven.

Bronnen

Jaarboekjes van het Nederlandsch Werkliedenverbond Patrimonium voor 1890 en 1891
Archief van de Anti-Revolutionaire Kiesvereeniging ‘Nederland en Oranje’ te Amsterdam.
Kuyper-archief: LE.P2, nr. 5, brieven aan Kuyper.

Beide archieven in het Historisch Documentatiecentrum voor het Nederlands Protestantisme (1800-heden), Vrije Universiteit Amsterdam
Stichting Christelijk Sociaal Congres

Jaargang 02 (1991) No 3