Geloofsvervolgingen tijdens de Nederlandse Opstand

De beul trad aen om worgen
Doen sloot sy huer oogen fijn,
Hebbende in ’t hert verborgen
Een trooster, niet om sorghen,
Verlanghende thuys te sijn.

Dit is een fragment uit een gedicht dat gaat over Wendelmoet Claesdochter, een vrome weduwe uit Monnikendam. Zij werd in 1527 ter dood veroordeeld, omdat “si gevonden was in een misgeloove van het sacrament, ende dat si onbewegelic daarbi bleef.”

Wendelmoet Claesdochter

Wendelmoet Claesdochter

Is dit een voorbeeld van vele duizenden anderen? Of was het toch minder erg? In dit artikel zal, na een korte inleiding, iets gezegd worden over de doopsgezinde, de gereformeerde en de rooms-katholieke slachtoffers van geloofsvervolgingen tijdens de Nederlandse Opstand, waarbij vooral duur, intensiteit en aantallen aan de orde komen. Tenslotte zal gepoogd worden een balans op te maken. Veel aspecten van de Tachtigjarige Oorlog zullen buiten beschouwing moeten blijven. Er zal bijvoorbeeld niet ingegaan worden op het ‘protestantiseringsvraagstuk’ en het is niet de bedoeling geweest om naar nieuw bronnenmateriaal te zoeken.
Inleiding

In de eerste helft van de zestiende eeuw klinkt de grote betekenis van Luther door in de algemeen gebruikte aanduiding van ketterse stromingen in die dagen. Alle kritische geluiden ten opzichte van de rooms-katholieke kerk worden namelijk aangeduid met de term ‘lutherije’.

Vooral in de zuidelijke gewesten is de godsdienstige onrust groot. Antwerpen is van het begin af een broeinest van lutherije. Al in 1520 verschijnen er de eerste vertalingen van geschriften van Luther. Maar ook in de noordelijke gewesten worden de symptomen van lutherije sterker. In de opkomende handelsstad Amsterdam bijvoorbeeld genieten de kettersgezinden de stille bescherming van de schout Jan Hubrechtszn. Zo is het op meer plaatsen. In feite worden de nieuwe opvattingen getolereerd en dikwijls door de autoriteiten met sympathie beoordeeld. De ‘hoge overheid’ van de Nederlanden voelt zich tenslotte genoodzaakt maatregelen te nemen. Op 1 juli 1523 worden in Brussel de eerste martelaren, Hendrik Vos en Johan van Esschen, ter dood gebracht.

Ondanks de repressie dringt de nieuwe leer door onder brede lagen van de bevolking. Lutherse geschriften worden verspreid en op geheime bijeenkomsten besproken. In de loop der jaren grijpt de overheid steeds meer in om deze ontwikkeling te onderdrukken en stijgt het aantal vonnissen met straffen als verbanning, betaling van boete, het verrichten van een bedevaart, geseling, doorboring van de tong, en te ‘schande stellen’. In enkele gevallen wordt al de doodstraf uitgesproken. In de noordelijke Nederlanden wordt in 1525 de zesentwintigjarige Jan de Bakker (Pistorius) in Den Haag op de brandstapel gebracht. Veel vooraanstaande vertegenwoordigers van de lutherse richting verdwijnen rond 1530 over de grenzen. Plakkaten uit de jaren 1525 tot 1530 dreigen met steeds strengere straffen. Vanaf die tijd komt ook in de Nederlanden een nieuwe stroming op: de doperse richting.
“Het Offer des Heeren”

In de 16e eeuw werd een groot aantal zogenaamde ‘martelaarsboeken’ uitgegeven (overigens niet alleen door de doopsgezinden) vol met getuigenissen over arrestaties en terechtstellingen van gelovigen, dikwijls ook alleen met de namen van slachtoffers.

Het oudste doperse martelaarsboek draagt de titel “Het offer des Heeren”. Het verscheen voor het eerst in 1562 en heeft nog vele herdrukken beleefd. Op basis van dit soortboeken zijnveel schattingen over aantallen slachtoffers gegeven. Wat betreft de periode van 1530 tot 1600 spreken W.J. Kühler en N.J. van der Zijp van resp. 1500 en 2500 slachtoffers. We merken hierbij wel op, dat na het gewelddadige optreden van de Wederdopers in bijvoorbeeld Amsterdam en Münster alle ‘ketters’ door de regering als oproermakers worden gezien en ook vaak ‘dopersen’ worden genoemd. Het is wel duidelijk dat mede daardoor de meeste slachtoffers in die jaren onder de dopersen gevallen zijn. Hun opvattingen over overheidsgezag en hun actief getuigen tegen wereldgelijkvormigheid werden ook als bedreigend ervaren.

Ondanks haar grote verbreiding onder brede bevolkingsgroepen, vooral in de noordelijke gewesten, krijgt de beweging te maken met zware tegenslagen. De mislukte aanslag op Amsterdam op 10 mei 1535 en de val van Münster in juni betekenen het begin van het einde. Er vallen in die tijd de meeste slachtoffers. Hoewel veel doopsgezinden hierna een afkeer krijgen van geweld blijven de overheden hen vooral zien als de erfgenamen van de gewelddadige dopersen en worden ze streng vervolgd. Het aantal martelaren onder de doops-gezinden is daarom ook later in de jaren veertig van de zestiende eeuw niet gering. Aan het eind van die jaren gaat onder invloed van Menno Simons het doperdom als zelfstandige beweging zich duidelijker profileren. Ze worden ‘de stillen in den lande’ genoemd. De omvang en de spreiding van de beweging is aanzienlijk.

In alle delen van de Nederlanden blijven de vervolgingen doorwoeden. In Gent, in Amsterdam, maar ook in Leeuwarden vallen slachtoffers. Toch zijn de vervolgingen in het zuiden het zwaarst. In de jaren zestig en zeventig van de zestiende eeuw vluchten daarom veel vervolgde doopsgezinden uit de zuidelijke gewesten naar het noorden. Daar breekt vooral in Friesland een hevige strijd uit tussen de verschillende doperse richtingen. De latere geschiedenis van de doopsgezinden in de zestiende en zeventiende eeuw kenmerkt zich door veel tegenstellingen. Na de eerste roerige jaren leven ze meestal wat teruggetrokken in de Republiek.

De vervolgde calvinisten

Vooral na 1560 ontplooien de calvinisten een grote activiteit. Het zuiden gaat daarbij voorop. De theologische Faculteit van Leuven schrijft op 14 mei 1565 aan Filips II: “De godsdienstige toestand zien wij met de dag slechter worden en de ketterijen verspreiden zich snel en ongrijpbaar. Zozeer dat, indien men niet dadelijk ingrijpt, het te vrezen is, dat weldra in al deze streken het geloofen de oude godsdienst volledig zullen ineenstorten.”

Download het complete artikel (pdf)

Jaargang 05 (1994) No 4