Een vijftiende-eeuwse pelgrimstocht naar het Hemels Jeruzalem

Wie op de internetsite van de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag zoekt op het signatuur (shelfmark) 76 E 6, ziet een wonderlijke reeks miniaturen. Op folium 73 recto van het handschrift is bijvoorbeeld een vrouw te zien uit wier ogen twee speren te voorschijn priemen. Ze kruipt op handen en voeten en draagt op haar rug twee andere vrouwen, die een aantal attributen in de hand houden, waaronder een soort zwaard met vreemde voorwerpen eraan.

Op folium 84 recto wordt het nog vreemder: de miniatuur toont een vrouw met maar liefst zes armen, een lange uitgestoken tong en een soort Sinterklaasmijter op het hoofd. En wat moeten we denken van de afbeelding waarop een vrouw een compleet bed op haar hoofd draagt (fol. 124r)? Wat zijn dit voor bizarre wezens? En wat is het voor tekst, waarbij dergelijke raadselachtige maar intrigerende miniaturen zijn afgebeeld?

Het Haagse handschrift 76 E 6 bevat naast wat kleinere teksten een Middelnederlandse ver- taling van de Oudfranse Pèlerinage de vie humaine. Deze Franse tekst van iets meet dan 13.500 gepaard rijmende verzen, werd in 1330 in een klooster in de buurt van Parijs geschreven door de cisterciënzer monnik Guillaume de Digulleville. Behalve de Pèlerinage de vie humaine schreef De Digulleville in de jaren na 1330 ook nog een Pèlerinage de l’âme en een Pèlerinage de Jhesus Christ. De drie boeken doen respectievelijk verslag van de pelgrimsreis van de mens door het aards bestaan, van de reis van de ziel na de dood en van het leven van Jezus Christus.

Van het eerste deel van de trilogie bestaat een vertaling in het Middelnederlands, die, behalve in het handschrift in de Koninklijke Bibliotheek, nog in twee andere handschriften volledig is overgeleverd. Twee van deze drie handschriften zijn voorzien van schitterende miniaturen. De Pelgrimage vander menscheliker creaturen, zoals de tekst in het Middelnederlands heet, werd ook al spoedig na het uitvinden van de boekdrukkunst op de drukpers gelegd; in 1486 verscheen bij de Haarlemse drukker Jacob Bellaert een druk met talloze, met de hand ingekleurde, houtsneden. Bovendien is van het derde deel van De Digullevilles trilogie een Middelnederlandse versvertaling bewaard gebleven, die bekend staat onder de naam Onzen Heere Joncheit en die ooit deel heeft uitgemaakt van de schitterende bibliotheek van Lodewijk van Gruuthuse, voor zover we weten als een van de weinige Middelnederlandse teksten in die bibliotheek.

Het verhaal moet dus in de tijd van ontstaan en nog lang daarna populair zijn geweest. Het groot aantal bewaard gebleven Franse handschriften en het feit dat er veel vertalingen en bewerkingen van verschenen, vormen daar de tastbare getuigenissen van. Ook het gegeven dat er drie volledige Middelnederlandse handschriften zijn overgeleverd, is veelzeggend. Van veel ‘succesnummers’ uit de Middelnederlandse letterkunde bezitten we immers maar één volledig exemplaar, terwijl van andere teksten slechts fragmenten zijn bewaard gebleven.

Allegorie – De Pelgrimage

De Pelgrimage is een breed uitgesponnen allegorisch ver- haal over een monnik (de auteur zelf), die in zijn slaap een visioen krijgt van het Hemels Jeruzalem. Zodra hij gezien heeft hoe schitterend die stad eruit ziet en hoe gelukkig haar inwoners lijken te zijn, ontstaat het verlangen daarheen op reis te gaan. Een van de allereerste benodigdheden voor zo’n pelgrimstocht zijn natuurlijk een pelgrimstas en een staf. Piekerend over de vraag waar hij die zou kunnen vinden, ontmoet de dromer een schitterend geklede en gekroonde vrouw op zijn weg. Zij vertelt hem dat zij Gratie Gods heet en dat zij hem niet alleen een staf en tas zal bezorgen, maar hem ook alles zal leren wat hij voor zijn gevaarlijke en zware tocht nodig zal hebben. Daartoe nodigt zij hem uit in haar huis, dat zijzelf 1330 jaar geleden gebouwd heeft – met deze tijdsaanduiding wordt gedoeld op de geboorte van Jezus Christus, zoals alles in de Pelgrimage symbolisch wordt voorgesteld, een werkwijze eigen aan het genre van de allegorie. Voordat de aanstaande pelgrim het huis van Gratie Gods kan binnengaan, moet hij echter nog een water voor de deur doorwaden: hij wordt gedoopt. In het huis van Gratie Gods is de dromer vervolgens getuige van een aantal gebeurtenissen waarvan hij uitgebreid verslag doet. Hij ziet hoe een aantal andere pelgrims gezalfd en met een kruis op het voorhoofd getekend worden (priesterwijding), hij is getuige van een huwelijksvoltrekking, van het sacrament van de biecht en van het veranderen van brood en wijn in vlees en bloed.

Personalia Ingrid Biesheuvel

Drs. I.E. Biesheuvel (1951) studeerde Nederlandse taal- en letterkunde, specialisatie filologie aan de Universiteit Leiden. Ze is daar werkzaam als onderzoeksassistent van prof. dr. F.P. van Oostrom.

Download het complete artikel (pdf)

Jaargang 13 (2002) No 3 – themanummer pelgrims in Middeleeuwen