Devote moraliteit: over Jan Veldeners Fasciculus Temporum

Op 14 februari 1480 rolde te Utrecht van de pers van de drukker Jan Veldener een lijvig, in het Nederlands gesteld boek met als titel Fasciculus Temporum. Dit “bundeltje der tijden” was een wereldkroniek, aangevuld met een aantal gewestelijke kronieken. Veldener zorgde voor een primeur door dit boek op de markt te brengen: het was het eerste gedrukte geschiedkundige werk in de Nederlanden.

Inleiding: de waardering voor de compendia

1Hoewel Burman in zijn Traiectum Eruditum van 1738 Veldener nog meende te moeten prijzen als een “gevierd geschiedschrijver”, 2 weten wij beter. Veldener droeg ‘slechts’ zorg voor de druk van dit werk. De oorspronkelijke bron voor de wereldkroniek was de voor het eerst in 1474 verschenen uitgave van de Fasciculus Temporum van de Duitse karthuizer monnik Werner Rolevinck. 3 Wie dit in het Latijn geschreven werk vertaald dan wel bewerkt heeft voor de Nederlandstalige uitgave is onbekend. Overigens had Veldener wel enige affiniteit met de kroniek van Rolevinck. Aan de eerste uitgave ervan leverde hij een typografische bijdrage en in zijn Leuvense tijd verzorgde hij zelfstandig een uitgave (1475).

Tot nu toe is er geen omvattende studie over de Nederlandse Fasciculus verschenen. Dit heeft ongetwijfeld te maken met de vrij negatieve houding die werd ingenomen ten aanzien van het soort historische werken waartoe Veldeners boek behoort, de compendia. Het eigene van deze typisch laat-middeleeuwse vorm van geschiedschrijving is dat de auteur niet tracht tot een eigen weergave van de stof te komen, maar zijn kroniek samenstelt uit een kleine of grotere hoeveelheid werken van voorgangers.

Rolevinck Fasciculus Temporum uit 1483. Bron Wikimedia

Rolevinck Fasciculus Temporum uit 1483. Bron Wikimedia

Men verwijt dit soort geschiedschrijvers gebrek aan historische interesse en historisch inzicht. Rolevincks biograaf in de Westfälische Lebensbilder was van mening dat hij geen plaats in de serie had verdiend wanneer de Fasciculus zijn enige publicatie was geweest. 4 In een nog tamelijk recente publicatie kwalificeert B. Ebels-Hoving Veldeners geleende titel als een “verlegenheidstitel”: de Fasciculus was wel bedoeld als wereldkroniek, “maar bestond in werkelijkheid uit lijsten, verbonden door tekst”. 5

In het onderstaande wil ik een poging doen (ander) licht te werpen op Veldeners Fasciculus. Ik concentreer mij daarbij op het wereldhistorische deel, dat dus aan Rolevinck is ontleend. Daarbij vat ik Veldeners editie echter wel als een zelfstandige uitgave op die een geheel eigen rol speelde in het Nederlandse taal- en cultuurgebied. Dit ‘spelen van een rol’ vat ik samen onder het begrip ‘functie’. Een boek ontstaat niet in een cultureel-maatschappelijk vacuüm, maar komt voort uit en gaat in tot het geheel van de cultuur. Zó heeft het een bepaalde functie. 6 Om dit kader invulling te geven ga ik allereerst kort in op enkele tendensen in de laatmiddeleeuwse geschiedschrijving om me vervolgens op het werk en zijn bedoeling te concentreren.

Laat-middeleeuwse geschiedschrijving

Wat in de eerste plaats opvalt wanneer we de geschiedschrijving van de late Middeleeuwen overzien is de hoge vlucht die de regionaal georiënteerde kronieken namen. In Duitsland nam na de twaalfde eeuw (dus na de wereldkroniek van Otto von Freising) de interesse voor universele samenhangen af. De territoriale en, met name in de vijftiende eeuw, stedelijke geschiedschrijving bloeide daarentegen op. 7 De situatie in het Nederlandse taalgebied vertoont hiermee duidelijk overeenkomsten. 8

Dit wil overigens niet zeggen dat universele en regionale geschiedschrijving volstrekt gescheiden wegen gaan. Vaak wordt de geschiedenis van het (eigen) gewest geplaatst in het kader van de grote universele samenhang van schepping en incarnatie. De auteur zag in dit geval het universele geconcentreerd in de bijzondere beperkte geschiedenis van het enkele gebied. De spits van de historische beschouwing ligt dan echter niet meer in het uiteenzetten van de grote lijnen in de wereldgeschiedenis, maar in het accentueren van het eigene. De maatschappelijke context van deze ontwikkeling is gelegen in het toenemende gevoel voor de waarde van de eenheid waartoe het individu behoort. De geschiedschrijving ging het fundament leveren voor het zelfbewustzijn van groepen in de samenleving. 9

Veldeners uitgave valt vanuit het hierboven geschetste kader te verstaan. Enerzijds is de Fasciculus nog nauw met de traditie verweven in zijn hoedanigheid als wereldkroniek. Anderzijds sluit hij nauw aan bij de bestaande ontwikkelingen in de geschiedschrijving door de aan de wereldkroniek toegevoegde gewestelijke kronieken. Uit dit gegeven blijkt dat bij de functie van een boek in een bepaalde regionale context ook de persoon van de drukker een rol speelt. Daarmee doet het economische aspect zijn intrede in de historiografie.

De traditionele categorieën waarin de middeleeuwse auteurs dachten en waarmee zij werkten om hun stof bepaalde vorm te geven, waren (ondermeer) die van de annalen, kronieken, vitae en historiae. Na de twaalfde eeuw kwamen er echter allerlei andere titels naar voren, die aangeven dat de stof niet meer binnen de traditionele genrenamen viel in te passen. De titels van de dertien werken in het Repertorium die bedoeld zijn als wereldkroniek, brengen deze ontwikkeling aardig in kaart. Bij slechts drie ervan staat expliciet in de titel aangegeven dat het een wereldkroniek betreft. De geschiedschrijvers blijken afstand te nemen van de traditionele benamingen om die te vervangen door zelfgekozen titels. Vorm en inhoud correspondeerden klaarblijkelijk niet meer met elkaar bij gebruik van de oude genres.

Met de nieuwe benamingen zijn we ook terecht gekomen bij de verandering met betrekking tot de inhoud waarop ik in de inleiding al heb gewezen: het ontstaan van de compendia. Welke functie vervulden deze overzichten nu binnen de laat-middeleeuwse cultuur? Ik wijs in dit verband op drie punten.

In de eerste plaats moeten we rekening houden met het gevoel voor autoriteit in de late Middeleeuwen. Men was gekant tegen vernieuwing en had dientengevolge veel meer vertrouwen in de autoriteiten uit vroeger dagen. Zelfs een originele geest als Bonaventura kan daarom schrijven dat hij slechts een “arme en eenvoudige compilator” is. 10 De compilatoren droegen ertoe bij dat de verspreide kennis in één geheel bij elkaar werd gebracht.

Daarmee komt een tweede aandachtspunt in beeld. Een sociale groep die van deze compilaties dankbaar gebruik maakte, was die van de geleerden en studenten. Met de groei van de universiteiten ontstond tevens de vraag naar beknopte overzichten van allerlei terreinen van de wetenschap. Er bestaat een verband tussen de intellectuele ontwikkeling en de wijze waarop de stof vorm kreeg, omdat de wetenschapper vroeg om een systematische weergave van de stof. Zo kunnen de compilaties gezien worden als mijlpalen van de wetenschap die in haar systematisering op weg is naar de nieuwe tijd. 11

Naast de functie die de compendia vervulden binnen de wetenschappelijke ontwikkeling, konden ze die ook hebben in het kader van de verkondiging. Opvallend is dat veel auteurs van compendia afkomstig waren uit de bedelorden. Dat juist deze orden aan dit genre een aanzienlijke bijdrage hebben geleverd hangt samen met de preekpraktijk. De compendia moesten hen informatie leveren voor de te houden preken, waarin veelal op de praktijk gerichte historische kennis verwerkt werd. Van een prediker werd verwacht dat hij een encyclopedische kennis van het verleden had. 12

Devote moraliteit

In het bovenstaande is kort aangegeven binnen welk sociaal-cultureel kader Veldeners uitgave een functie heeft kunnen krijgen. Zoals al eerder is opgemerkt, wordt hij enerzijds door dit kader bepaald, anderzijds werkt de auteur met zijn eigen bedoelingen ook vormend in op deze culturele constellatie. De uiteindelijke betekenis vaneen werk ligt in het midden van dit enerzijds-anderzijds. Om de tweede component van dit woordpaar recht te doen, dient nu ingegaan te worden op de intentie van de auteur zelf.

Deze intentie is mede daarom van zo groot belang, omdat deze fungeert als een selectiecriterium voor de stof die de auteur weergeeft en de bronnen die hij benut. De onderwerpen die hij aan de orde stelt, hebben betekenis voor de auteur vanuit dit intentionele kader. Dit kader geeft dus vorm aan het verleden zoals dat in de tekst gestalte krijgt en de lezer voorgelegd wordt. In extreme zin zou dit gegeven op formule gebracht kunnen worden door te stellen dat het verleden in een historische tekst de door de wil van de auteur begrensde tijd is.

Bij de inhoudelijke vorming van deze intentionaliteit speelt een groot aantal factoren een rol: “ein ganzes Knäuel von Wissen, Erfahrungen, Wertsetzungen” en “weltanschaulichen Vorstellungen”. 13 In feite gaat het bij de factor intentionaliteit om een zinverlenend kader dat de auteur stuurt en waardoor in een historiografische eenheid heden en verleden op elkaar betrokken zijn.

Op twee elkaar complementerende wijzen kan de intentie in een werk als dat van Veldener vastgesteld worden. Meestal legt een middeleeuws geschiedschrijver hiervan in zijn proloog verantwoording af, zodat hieruit in directe zin conclusies getrokken kunnen worden. Een tweede benaderingswijze is die van het onderzoek naar de manier waarop de auteur gebruik maakt van zijn bronnen. In het onderstaande zal de eerste lijn gevolgd worden door enkele in verband met het thema relevante passages en uitdrukkingswijzen uit de proloog te analyseren en hun uitwerking in de tekst na te gaan. 14

Geplukte bloemen

In zijn proloog geeft Veldener 15 aan, het principe van de “cortheyt” te willen betrachten. “Mer want wi alre lancheyt scuwen ende arbeyden tot alre cortheyt daerom bi die hulpe ons heren hebben wi voerghenomen te vergaderen uut veel boeken een boek dat men hiet fasciculus temporum (…) daer wi cortelick te samen bijnden ende knopen sellen die wercken der heyliger scriftueren ende mede die wercken van veel ander vreemder hystorien” (3/4). Werner Rolevinck, Fasciculus TemporumDit principe geeft hij weer in een metafoor over het plukken van bloemen. Hij “is ingegaen in” de “arbeyt” van zijn voorgangers en heeft daaruit “ghepluckt ende tsamen in een vergadert” op zijn eigen wijze (4).

Het thema van de “cortheyt” is een bekend topos uit de middeleeuwse geschiedscnrijving, evenals de vorm waarin het hier ter sprake komt, de bloemen-metafoor. Met deze metafoor wordt een werkprincipe aangegeven voor het compileren. Naar echter blijken zal, duidt zij in de onderhavige proloog niet alleen een technisch procedé aan, maar wordt ze ook inhoudelijk gevuld.

De bloemenmetafoor is in de loop van de tijd door diverse auteurs op verschillende wijze benut. Zo komtde metafoor bjjvoorbeeld te staan voor het vormen van een synthese van afzonderlijk materiaal tot een nieuw geheel. Er moet een selectie van de stof plaatsvinden om datgene wat waard is overgeleverd te worden (de mooie, goede bloemen) ook daadwerkelijk over te leveren. In een andere traditie staat de metafoor weer voor de activiteit van de lezer: hij moet plukken uit hetgeen de auteur aanbiedt. 16

In Veldeners proloog komt de metafoor in twee betekenissen voor. Hij vergelijkt zijn werk met een “wellustighe camp van verscheydenre bloemen, in welcken men vijnden mach menighe exempellen der deuchden ende (…) ondeuchden waer off wi vermaent werden dat een te plucken ende te aanvoerden ende dat ander verbi te gaan” (2). In dit fragment is de lezer het subject: hij moet plukken. Er wordt geen directe uitspraak gedaan over het selectieprincipe van de auteur. Het hiervoor al aangehaalde fragment over het plukken en vergaderen heeft daarentegen wel betrekking op de activiteit van de auteur. Hij geeft aan uit diverse bronnen materiaal bijeen gebracht te hebben op zijn eigen manier.

De vraag doet zich nu echter voor wat die manier dan inhoudt; welke – intentioneel bepaalde – criteria heeft hij gehanteerd bij het verzamelen en ordenen? Het “tesamen bijnden ende knopen” uit het citaat aan het begin van dit gedeelte duidt wel een bepaald procedé aan, maar geeft daar eigenlijk geen verdere informatie over. Want betekent het samenbinden zoveel als “aaneenrijgen” of duidt het op een complexer gebeuren, een vervlechten van bronnen?

Dezelfde onduidelijkheid komt naar voren in andere passages uit de proloog die op het compilatieprincipe betrekking hebben. Weliswaar kan vastgesteld worden dat chronologische juistheid een belangrijke rol heeft gespeeld, maar die problematiek bevindt zich in de marge van onze vraagstelling. We kunnen concluderen dat uit de proloog niet duidelijk wordt hoe de intentie “cortheyt” te betrachten, gestalte heeft gekregen. Het compilatieprincipe blijft onduidelijk en daarmee ook de criteria die aan zijn selectie ten grondslag liggen.

Profijtlick ende nut

Toch kan vanuit een tweede kenmerkend begrip uit de proloog de bloemenmetafoor nog iets meer kleur krijgen. In het begin van de proloog worden de lezers aangemoedigd kennis te nemen van het verleden:

“Want die heylige vaders mit groter neersticheyt die loep des tijts gherekent hebben, soe en ist gheen twivel daer en is den gheesteliken menschen ende bisonder den ghenen die der gheesteliken policien te regieren hebben grote profijt ende oerbaerlicheyt off voert ghecomen ende oeck alleen menschen in wat staet dat si sijn sal dit seer profijtlick ende nut wesen” (1). 17

Kennisname van het verleden is dus nuttig, levert “profijt” op. De reden van dit nut volgt even verderop:

“Het betaemt duechdelike mannen dicwijl tot hoere memorie te wederroepen die wercken welke verleden sijn, op dat si doer goede exempellen hoer oefeningen leeren setten ende stellen tot alle eerweerdicheyt ende dat si in quade punten moghen scuwen ende verwerpen dat stoff ende vullens der verloren dinghen” (1).

Het nut van de bestudering van het verleden ligt dus daarin dat de lezer er exempla voor zichzelf uit kan halen om deugdzaam te leven en het kwade te schuwen. Kennisname van het verleden staat in het teken van de moraal. De bloemen die de lezer moet plukken zijn de exempla van deugdzaam leven; die hij “verbi moet gaan”, bestaan uit voorbeelden van ondeugdzaam leven.

Het is goed erop te wijzen dat deze moraliteit niet opgaat in het horizontale vlak, maar heel duidelijk bepaald is vanuit de verticale dimensie. Dit blijkt al uit het slot van de zoëeven geciteerde passage. De “quade punten” worden daar gelijk gesteld aan “stof ende vullens der verloren dinghen”, een uitdrukking die tegenover het eeuwige en hemelse staat. Ook een passage uit het vervolg wijst in deze richting: “daer alle dinghen die wi inder werlt vergancklike mercken ende aensien so sellen wi ons voeghen tot die here die nymmermeer onbreect of vergaet” (2). Het is de bedoeling dat de lezer zich, door de exempla uit het verleden tot zich te nemen, wendt tot de onvergankelijke God. De geschiedenis moet nuttig gemaakt worden om “ons herte” op te voeren “tot god met een vruchtbaere devocie” (2). Wereldgeschiedenis in het kader van devotie! Zo wordt het nut ingevuld.

Wanneer we nu tenslotte de tekst zelf nagaan, blijkt dat – in overeenstemming met de gegevens uit de proloog – een samenhangend geheel van morele waarden structurerend heeft gewerkt bij de samenstelling ervan. Om de deugden dan wel ondeugden aan te duiden, heeft de auteur een vast repertoire van in volstrekte tegenstelling met elkaar staande morele kwalificaties.

Deze kwalificaties spelen in de eerste plaats een rol in de beoordeling van historische personen. Vorsten worden positief beoordeeld wanneer zij rechtvaardig en barmhartig zijn, de kerk de haar toekomende eer bewijzen en zich niet beroemen op hun macht. Een negatief oordeel valt ze daarentegen ten deel wanneer zij juist in tegengestelde zin handelen. Zo klinkt duidelijk afkeuring door in het verhaal over een arme weduwe die vier koeien bezat die haar stuk voor stuk werden ontnomen. Het treffende, van sociaal gevoel blijk gevende commentaar daarbij luidt: “(…) die lyden connen hoer van lachgen wel onthouden”.

Hetzelfde morele kader keert terug in de verklaringen voor historische gebeurtenissen. We zouden kunnen spreken van morele wetmatigheden. Wie de kerk verdrukt gaat ten onder, evenals vorsten die “grootherticheit” praktiseren. Zelfs hele volken vallen aan deze “wet” ten offer wanneer zij afgoderij bedrijven c.q. in ketterij vervallen. De Grieken vormen hiervan een treffend voorbeeld. Zeer illustratief in dit verband is de verklaring die gegeven wordt van de open neergang van het Romeinse rijk. De Romeinen hebben grote voorspoed gekend door hun deugden, vooral die van de “rechtveerdicheyt”. De teloorgang van het rijk is te wijten aan “ghiericheyt”, “kettery” en “hoverdye”.

De Fasciculus Temporum blijkt bedoeld te zijn als een devoot-moreel werk, dat geschreven is vanuit een welomschreven moreel kader. Het morele fungeert als het principe waardoor de geschiedenis geduid en op het heden van auteur en lezer betrokken wordt. Dít boek rolde in 1480 van de pers de cultuur van de Nederlanden binnen.

Achterhaald of betekenisvol?

Ik schreef al in het begin van dit artikel dat dit soort geschiedschrijving vanuit vergelijkend perspectief tot nu toe vaak weinig waardering heeft gekregen. In het bovenstaande heb ik laten zien dat dit oordeel vanuit historisch oogpunt genuanceerd dient te worden. Maar in de beoordeling spelen uiteraard nog andere overwegingen een rol die betrekking hebben op het karakter van dit genre in het algemeen en de taak die men aan de geschiedschrijving toedeelt.

In de optiek van de moderne geschiedschrijving heeft het genre waartoe Veldeners Fasciculus behoort, slechts historische en geen inhoudelijke waarde. Elementaire principes van de geschiedschrijving ontbreken immers. De feitelijkheid van het historische gebeuren lijkt voor de auteur geen rol van betekenis te spelen. En de geschiedenis als zodanig komt in feite op het tweede plan te staan, doordat zij gedegradeerd wordt tot een arsenaal morele voorbeelden. Heeft een dergelijk boek als geschiedschrijving eigenlijk wel enige waarde?

Ik zal een poging doen ook op dit niveau enige rehabilitatie te bewerkstelligen door een aantal punten in het kort naar voren te halen. Dat betreft in de eerste plaats een punt dat al eerder de aandacht vroeg: de aard van de moraliteit. Het is goed een vergelijking te maken met het moralisme dat uit de denkbeelden van de Verlichting is voortgekomen. Die nadruk op de moraliteit had zijn oorsprong in een optimistische visie op de menselijke natuur en stond dan ook in nauwe relatie tot het vooruitgangsgeloof. Het horizontalistische karakter ervan rechtvaardigt de negatieve typering moralisme. De negatieve klank die de ‘morele les’ heeft lijkt mij voor een deel terug te voeren op afkeer van dit moralisme. Zoals gesteld kent de moraliteit in de Fasciculus echter een dimensie die uitgaat boven horizontale verbanden en haar plaatst in het kader van zegen en vloek.

In de tweede plaats wil ik wijzen op een belangrijk aspect dat eveneens al aangeduid is, maar hier geëxpliciteerd moet worden. Het begrip (wereld)geschiedenis zoals wij dat kennen is in hoge mate een abstractie. De historicus heeft niet de intentie datgene wat hij als geschiedenis beschrijft intrinsiek te betrekken op het heden en het leven van zichzelf en zijn lezers. Waardeoordelen, om een voorbeeld te noemen, vormen veeleer de helaas onontkoombare subjectiviteit die zoveel mogelijk beperkt moet worden, dan een mogelijke toegang tot het historische gebeuren. Geschiedenis staat tegenover ons.

Uit de bovenstaande analyse van de Fasciculus zijn twee elementen te halen die in dit kader van betekenis zijn. Ten eerste worden wereldgeschiedenis en ‘eigen’ regionale geschiedenis met elkaar verbonden. Daardoor wordt de wereldgeschiedenis betrokken op de eigen wereld en de eigen geschiedenis in universeel kader geplaatst. Van meer gewicht is echter nu juist het morele kader waarin de geschiedenis in dit genre komt te staan. Op deze wijze verliest de geschiedenis haar abstractie en gaat functioneren binnen de levenswereld van de lezers. Dit punt nu lijkt mij van waarde te zijn. Heden en verleden worden ge?ntegreerd vanuit een bepaald duidingsprincipe. Enerzijds staat de mens niet als een vreemde in de geschiedenis, anderzijds vindt de geschiedenis een bedding om te stromen. Dit maakt historisch besef echt mogelijk, omdat er aan een fundamentele voorwaarde daarvoor, namelijk een verband tussen heden en verleden, is voldaan.

Uiteraard wil dit niet zeggen dat ik pleit voor duplicaat van de laat-middeleeuwse geschiedschrijving. Wel ben ik van mening dat de noties die uit de analyse van de Fasciculus naar voren kwamen, serieus overwogen dienen te worden in het kader van de vraag naar aard en inhoud van de geschiedschrijving. Functionaliteit dient daarin een belangrijke plaats te krijgen, zodat het nu maar al te vaak oeverloze historische onderzoek en zijn resultaat betrokken zijn op de cultuur in haar geheel.

De traditie van het ‘Historia magistra vitae’ (de geschiedenis als leermeesteres van het leven) kan in de bezinning hierop vruchtbaar zijn. Ook voor christelijke geschiedschrijving lijkt het bovenstaande mij een goed uitgangspunt te zijn. In ieder geval is het vruchtbaarder dan het soms al te simpele zoeken naar Gods hand in de geschiedenis. Verleden, heden én toekomst kunnen substantieel op elkaar betrokken worden in het nu van de historische tekst. Laat de Fasciculus Temporum daarvoor een, wellicht pover, exempel zijn.

Jaargang 03 (1992) No 3 (noten ontbreken in deze webversie)