De Zwemers en Janses van Oostkapelle (II)

In het eerste deel van deze familiegeschiedenis die zich over ongeveer honderdvijftig jaar uitstrekt, hebben we gezien hoe in het Walcherse dorp Oostkapelle rond 1800 twee vermoedelijke Hugenoten-families neerstreken: de Zwemers en de Janses. Uit het huwelijk van Jacob Zwemer met Neeltje Janse werden onder meer Hendrik (1809) en Adriaan Zwemer (1823) geboren. De laatste emigreerde in 1849 met een groep afgescheidenen naar Amerika, waar hij predikant werd in de oude Reformed Church of America. Ook zijn zoons werden evangelist, predikant en zendeling, één van hen, Samuel (1867), bracht het tot hoogleraar in de kerkgeschiedenis en zendingswetenschappen. Door te emigreren ontsnapte Adriaan Zwemer aan de armoede die in de loop van de negentiende eeuw op het relatief welvarende Walcherse platteland toesloeg.

Niet alleen de Zwemers, kleine boertjes en tuinders of landarbeiders, verarmden. Dat deden voor een deel ook de Janses, die alle vijf (vier neefs en een oom) op grote boerderijen waren neergestreken. Aan hun familie wordt echter duidelijk, hoe de negentiende eeuw voor een maatschappelijke splitsing zorgde: de rijkste Janses werden rijker, de anderen vervielen tot de midden- of arbeidersstand. Belangwekkend is hoe uit de rijkste tak zich echter twee figuren onderscheidden (die in hun stand weer tot de minder gegoeden behoorden) door bijzondere stellingnames op kerkelijk gebied: David (1828) en Antheunis Janse (1890). We zien in de grondhouding van hun denken en handelen overeenkomsten (ook ten opzichte van de Zwemers) die aan hun verwantschap ontleend zullen zijn, maar ook aan hun gemeenschappelijke achtergrond: het orthodoxe, enigszins bevindelijke Walcheren.

Hoofdonderwijzer Antheunis Janse uit Biggekerke. Bron protestant.nu

Hoofdonderwijzer Antheunis Janse uit Biggekerke. Bron protestant.nu

Verarming en verhuizing

Het naast verwant aan de Zwemers waren de zoons van Neeltje Janses broer Jan van ‘Klein Middenhof’. Eén van hen, Jan Janse, werd arbeider en woonde (na Christiaan Zwemer) op ‘De Kleine Geere’ tot hij met zijn gezin in 1881 naar Ritthem vertrok. Oudste zoon Hendrik volgde zijn vader op als boer op ‘Klein Middenhof’ maar overleed jong. In de jaren 1880 waren zijn zoons arbeider en vertrokken zij van de boerderij, die toen in handen kwam van een Janse uit de rijkste tak van de familie, die van ‘Groot Middenhof’. Wel bleef ‘De Kleine Geere’ in de familie: zoon Willem Janse ging er wonen tot ook hij vertrok. Het vertrek van deze Janses droeg bij aan de afname van de bevolkingvan Oostkapelle die inzette na 1880 toen de grote landbouwcrisis begon. Het is bekend dat tijdens deze crisis veel boeren moesten ophouden en dat anderen hun bedrijf overnamen. Ook de nakomelingen van Isaac Janse op Oostkapelle konden zich steeds slechter handhaven in de boerenstand naarmate de negentiende eeuw voortschreed. Aan het begin van die eeuw was de oudste zoon Jan boer geworden op ‘De Groote Geere’. Hij maakte deel uit van de in 1810 door het nieuwe bewind aangestelde gemeenteraad (tot 1818) en in 1829 werd hij tot ouderling gekozen, een ambt dat hij in het volgend jaar vrijwillig neerlegde. Van zijn kinderen komen we in de bevolkingsregisters alleen nog Johanna Janse tegen. Ze was getrouwd met een arbeider en stierf in 1892 hoogbejaard in het Oostkappelse armhuis.

Jans broer Laurens Janse van ‘Plantlust’ stond bij zijn dood in 1839 te boek als arbeider. Zijn weduwe moest van de boerderij vertrekken. Twee inwonende zoons stierven in de crisisjaren 1843 en 1844, dochter Janna trouwde met een kastelein. Een andere zoon werd arbeider, een beroep dat later ook diens zoons uitoefenden. Slechts één van de kinderen van Laurens Janse wist in de boerenstand te blijven: Izaak op het kleine boerderijtje ‘Het Geduld’ aan de Domburgseweg. Zijn dochter Jacomina trouwde met arbeider Jan Sohier (1817), een man met gevoel voor humor die bekend stond als ‘Jan Zwier’. Hij stond in 1870 te boek als tuinman, later als landbouwer. Armoede onder het mom van zelfstandigheid, Jan Sohier gaf het publiekelijk toe. Uit pure zelfspot hing hij op een zondagochtend, toen alle kerkgangers moesten passeren, een bordje aan het hofhekken van ‘Het Geduld’: ‘Bij Jan Zwier daar is het goed / Zes keer zuur en één keer zoet’. Dat betekende: wij eten net als de arbeiders door de week karnemelkse pap en alléén op zondag pap van koeienmelk! In de tijd van de grote landbouwcrisis die aanhield tot het midden van de jaren negentig, gold dat voor velen. Stak Jan Zwier de draak met diegenen uit de boerenstand die hun armoede het liefst verborgen hielden?

Ledeboerianen

In het gezin van de rijkste neef Janse in het Oostkapelle van de eerste helft van de negentiende eeuw, Jan Janse Czn. van ‘Groot Middenhof’, was men zich van de maatschappelijke ontwikke-lingen goed bewust. Zoon David (1828), die niet zo sterk was, werd door de huisgenoten geplaagd dat hij te zwak was om boer te worden, zodat hij in de ‘verachtelijke’ stand der ambachtslui zou terechtkomen.’ Later zouden zijn dertien broers en zusters bijna allemaal een huwelijk sluiten in de gegoede boerenstand. Deze mensen, die om zich heen hun familieleden zagen verarmen, zetten zich des te meer schrap om in hun ‘stand’ te blijven. Het gelukte de familie bij voorbeeld om voor David het boerderijtje ‘De eenzame’ te kopen (met tien hectare land) dat vervolgens aan hem verhuurd werd. Kerkvoogd Jan Janse Czn. van ‘Groot Middenhof’ behoorde tot dat deel van de rijke boerenstand dat orthodox was gebleven. “Gods heilig en dierbaar Woord werd driemaal daags na de maaltijden geregeld gelezen in ons huis, van Genesis tot Openbaring”, aldus zijn zoon David. De vrouw des huizes, Jannetje Huysman, leerde haar kinderen de vragen en antwoorden uit het ‘klein vragenboekje’ van de predikant Borsius. Dat legde bij David de basis voor een kinderlijk geloof. Pas later in zijn jeugd verkreeg David de zekerheid dat Christus ook voor hem persoonlijk gestorven en opgestaan was. Verschillende ervaringen droegen daar toe bij: het lezen van een preek van Bemardus Smytegelt over ‘die van der jeugd aan wedergeboren waren’ (uit de prekenbundel Het Gekrookte Riet), een preek van de jonge orthodoxe predikant Gutteling van Gapinge en tenslotte het lezen van Smytegelts prekenbundel Des christen heil en sieraad.

De moeder van L.G.C. Ledeboer – 1785 David Janse had te kampen met een wisselvallig geloofsleven waar hij echter veel van leerde: “bij harden landbouwarbeid kregen wij bijna dagelijks zoete lessen en leeringen, die in Zijne aanbiddelijke voorzienigheid ons voorkwamen.” De rol die zijn eigen gevoelens en stemmingen speelden in weerwil van de vastheid van Christus’ verlossing, moet ten dele gestimuleerd zijn door de prediking die Janse hoorde in de ledeboeriaanse gemeenten van Sint-Jan-ten-Heere bij Aagtekerke. Hij was daar in 1857 lid geworden nadat hij de gemeente een achttal jaren had bezocht. Die gemeente was in de jaren 1835-9 bediend door de zwaarbevindelijke oefenaar Jan Willem Vijgeboom. Daarna preekten er af en toe de predikanten Pieter van Dijke en Lambertus Gerardus Cornelis Ledeboer. Tot de emotionele prediking van de laatste voelde David Janse zich zo aangetrokken dat hij besloot voortaan bij deze ledeboeriaanse gemeente op het grondgebied van de gemeente Domburg ter kerke te gaan.

Die beslissing viel rond 1848, toen Janse bijna alleen nog maar hervormde predikanten gehoord had. Net als zijn achterneef Adriaan Zwemer vond hij de prediking van ds. Greve ‘onvruchtbaar’. De enkele Oostkappelaars die zoals Zwemer in de Afgescheiden Kerk van Middelburg kerkten, hadden de genegenheid van de jonge Janse, maar “opvoeding en eigen onwaardigheid” beletten hem om met hen contact te zoeken. Met die ‘opvoeding’ bedoelde hij dat de Janses van ‘Groot Middenhof’ neerkeken op de Afgescheidenen. Later zouden zij enkele jaren bezwaar maken tegen Davids huwelijk met de afgescheiden Johanna Marinissen – misschien ook omdat afgescheidenen meestal tot de armsten behoorden. In plaats daarvan had David ongeveer een jaar lang gezelschappen bezocht en kort voor hij ds. Ledeboer hoorde, was hij pas voor het eerst naar een Afgescheiden predikant wezen luisteren: ds. H.G. Klijn, die later samen met Adriaan Zwemer emigreerde. Zijn keus voor de ledeboerianen was echter gemaakt. Wel werd Davids huwelijk in 1856 door een afgescheiden predikant ingezegend, de nogal bevindelijke ds. H.H. Middel.

Benthuizen, waar ds. L.G.C. Ledeboer jarenlang predikant was. Bron refdag.nl

Benthuizen, waar ds. L.G.C. Ledeboer jarenlang predikant was. Bron refdag.nl

Ledeboer wordt nog steeds gelezen. Via het voorlezer- en diakenschap te Sint-Jan-ten-Heere en het voorlezer- en ouderlingschap in de ledeboeriaanse gemeente van Middelburg, bracht David Janse het in 1869 tot voorganger (oefenaar) in die laatste gemeente. Dat betekende een extra taak naast het zware landwerk. Elf jaar lang keerde David elke zondag in de nacht terug naar huis: het was drie uren gaans van ‘De Eenzame’ naar de kerk in Middelburg. De ongeveer twintig ledeboeriaanse gemeenten hadden in die jaren maar één predikant, ds. R van Dijke van Sint-Philipsland, met op den duur drie oefenaars die hem assisteerden. Alleen wanneer Janse oefende in andere gemeenten in Zeeland – daarvoor kreeg hij in 1872 toestemming – kreeg hij zijn reisgeld vergoed.

Download het complete artikel (pdf)

Jaargang 07 (1996) No 2