De vrouw in deze tijd in bijbels licht

Wat is er in deze tijd veel te doen over de positie van de vrouw in de samenleving en over haar plaats in en buiten het huwelijk! Veel meer dan vroeger neemt de vrouw tegenwoordig, al of niet getrouwd, deel aan het arbeidsproces en eist ze haar plaats op naast de man. Meisjes nemen na de volbrachte leerplicht deel aan het voortgezet onderwijs. Zelfs aan de universiteit is het aantal mannelijke en vrouwelijke studenten nagenoeg gelijk.

In kringen, die deze zaken naar bijbelse normen willen bezien, bestaat er nog veel verschil van mening over de positie van de vrouw, al zien we ook hier verschuivingen en ontwikkelingen. Omstreeks 1920 kreeg de vrouw bij de wet bepaalde rechten, het actieve en het passieve kiesrecht. Ze mocht (moest) niet alleen stemmen, ze mocht ook zitting nemen in gemeenteraden, provinciale staten en in het parlement.

Als gevolg daarvan spitsten zich op het christelijk erf de standpunten toe: wát was een vrouw op grond van de Schrift toegestaan en wat niet? Vandaag is er nog de belangrijke bijkomende omstandigheid, dat de overheid zich op ongekende, ook ongeoorloofde wijze, mengt in de particuliere levenssfeer van gezinnen, van mannen en vrouwen, waarbij zij hen met financiële sancties de vrijheid wil ontnemen hun eigen gezinspatroon te kiezen.

Bijbelse gegevens in het Oude Testament

De eerste vraag die we ons ter bepaling van ons standpunt moeten stellen is: wat heeft God gewild en bedoeld bij de schepping? Waaróm schiep hij de mens als man en vrouw? Dit brengt ons bij de eerste hoofdstukken van Genesis. Daar lezen we dat God de mens schiep naar Zijn beeld, naar Zijn gelijkenis, mannelijk en vrouwelijk, als man en vrouw dus (Genesis 1:27). Aan man en vrouw sámen geeft God Zijn zegen en opdracht. Het vruchtbaar zijn en zich vermenigvuldigen kunnen ze alleen sámen.

Ook het onderwerpen en beheersen van de aarde zal tot hun beider gezegend bezig zijn op aarde behoren. De man is niet ‘heer der schepping’. Beide delen van die éne gezamenlijke opdracht horen man en vrouw in gezamenlijke verantwoordelijkheid te volbrengen. Hoe bij het tot ontplooiing brengen van de schepping de taken onderling verdeeld zullen worden, daar spreekt God in Zijn wijsheid niet over. Wel is duidelijk dat de vrouw door het moederschap meer gebonden zal zijn dan de man door het vaderschap, maar geen enkele opdracht is uitsluitend voor de man gereserveerd.

In Genesis 2 haalt de Schrift bepaalde details naar voren. Toen Adam nog alleen was kreeg hij van God een beperkte opdracht: de hof te bouwen en te bewaren. Pas toen ook de vrouw geschapen was, kwam de grote allesomvattende opdracht. Die kon de man alleen niet volbrengen. Daar had hij de vrouw voor nodig. Die gaf God hem als “hulpe tegenover hem” (Statenvertaling), “een hulp, die bij hem past” (Nieuwe Vertaling, minder krachtig).

Het woord hulp heeft in het Hebreeuws (ezer) een andere lading dan bij ons. Een vergelijkbare vertaling is er niet. In het Oude Testament wordt het nooit gebruikt voor een lagergestelde, wel vaak voor God, bijvoorbeeld in de psalmen. God is “hulpe Jacobs” (Psalm 146:5). En denk maar aan Eben-Haëzer. Er is bij man en vrouw onderlinge afhankelijkheid in de gezamenlijke verantwoordelijkheid. De vrouw is geen hulp ten bate van de man, maar om samen met hem Gods opdracht te vervullen.

Wat niet goed was toen de man alleen was (Genesis 2:18), is na de schepping van de vrouw zeer goed (Genesis 1:31). De vrouw is hulp, op gelijk niveau, niet aan de man ondergeschikt dus, en staat hem zelfstandig bij. Kuyper schreef: “Slechts hulpe mocht ze zijn.” Dat was zijn, mijns inziens onjuiste, conclusie uit Genesis 2:18. Hij zag haar als ondergeschikt aan de man.

Bavinck nam Genesis 1:27 als uitgangspunt voor de gelijkwaardigheid van man en vrouw, al zijn ze ongelijk. B. Wielenga formuleerde bondig: “De vrouw is hulp, niet achter, maar tegenover de man, als zijn compagnon en spiegelbeeld.” Van Bruggen echter stelt dat de bijbelse vrouwen een plaats niet terzijde, maar achter de man hebben. Het hulp-zijn van de vrouw is een scheppingsgegeven.

Zondeval

Na de zondeval wordt alleen de slang vervloekt (Genesis 3:14). Adam en Eva treft een oordeel. Het heersen van de mens over de diéren is een scheppingsorde. Adam moest zich hechten aan zijn vrouw. De heerschappij van de man over de vrouw is een oordeel. In orthodoxe kring wordt verschillend gedacht over Genesis 3. Vroeger zag men dit oordeel als een goddelijk gebod. Velen zien het nog zo. Ik meen, en velen met mij, dat hier een lot wordt aangezegd.

De situatie is door de zondeval ontwricht, maar deze is voor ons geen nieuwe norm geworden. Adam krijgt geen opdracht om over de vrouw te heersen. Het past de man als medeschuldige ook niet het oordeel over de vrouw te helpen voltrekken. Uit wat God tot de slang zegt, horen Adam en Eva zijdelings over het herstel in Christus in de moederbelofte. Vanuit díe verlossing moeten man en vrouw leven en met elkaar omgaan.

De beloofde verlossing moet, sterker dan het oordeel, alle verhoudingen doortrekken. In het Oude Testament licht al iets op van het herstel dat Christus de vrouw zal brengen. Het Hooglied tekent de liefde tussen man en vrouw in zuivere wederkerigheid.

Leidinggevende taak

In kritieke perioden in Israëls geschiedenis roept God vrouwen soms tot een leidinggevende taak. Samen met Aäron staat Mirjam Mozes bij in de leiding van het volk (Numeri 12). Uit jaloezie komt ze in opstand tegen Mozes, waarvoor ze gestraft wordt. Maar God houdt bij monde van de profeet Micha het volk Israël zeven eeuwen later nog voor, hoe goed Hij was om destijds bij de uittocht het volk zulke leidslieden te geven als Mozes, Aäron en Mirjam (Micha 6:4).

Toen ten tijde van de richteren mannelijke leiders ontbraken, was daar de profetes Deborah, die ook het volk richtte. Met grote wijsheid en deskundigheid op staats- en krijkskundig terrein hielp ze het juk van koning Jabin afschudden. Daarna had het volk veertig jaar rust (Richteren 4:5)! Ze was getrouwd met Lappidoth. Deze gunde haar kennelijk de ruimte voor wat God van haar vroeg.

En dan was er onder koning Josia de profetes Hulda, de vrouw van Sallum, de klederbewaarder. Toen het verloren gewaande wetboek was teruggevonden, stuurde Josia een commissie naar een profeet om opheldering. Dan gaan ze naar Hulda (2 Koningen 22). Niet omdat er geen mannelijke profeten waren, want Zefanja en Jeremia profeteerden in die jaren ook. God doorbreekt soms de patriarchale structuur van het Oude Testament en laat zien dat Hij ook andere wegen achter de hand heeft. Het mag worden gezien als een voorschot op het grote feest waarvan de profeet Joël spreekt (C. den Boer).

Ondanks het doorwerken van het oordeel was de positie van de vrouw in Israël over het algemeen beter geregeld dan in andere landen. Na de ballingschap werd haar positie in het jodendom slechter, vooral bij de nadering van Jezus’ komst op aarde. De vrouw stond op één lijn met slaven en kinderen. Bij de komst van Christus lag haar plaats vér beneden de normen uit de Mozaïsche wetgeving.

Bijbelse gegevens in het Nieuwe Testament

Des te meer treft ons de boodschap van het Nieuwe Testament. Vrouwen horen het eerst de boodschap van Christus’ komst. Christus wordt geboren uit een vrouw, Bavinck noemt dat al eerherstel. Zijn komst betekent een omwenteling. In beginsel herstelt Christus de oorspronkelijke verhoudingen. Hij gaat dwars tegen de rabbijnse zeden in. Hij herstelt het huwelijk in ere en stelt voor man en vrouw dezelfde zedewet. Hij verwerpt dus de dubbele moraal. De discipelen begrepen er niets van! Als dát zo is, hoe kan een man dan nog trouwen, zeggen ze verbaasd. Lees er Mattheüs 19 maar eens op na.

Christus spreekt met vrouwen, geneest vrouwen. Zij dienen Hem met hun goederen. Hij stelt de man nooit bij de vrouw ten achter. Ze horen tot Zijn vriendenkring. Zijn houding is opzienbarend. Dat blijk uit Johannes 4, vooral vers 27. Zomaar op de openbare weg sprak Jezus met een vrouw, nog wel één van de ‘lichte brigade’! Hij onderwijst haar, vertelt háár het eerst dat de nieuwe bedeling eigenlijk al begonnen is (vers 21, 23).

Ook in Zijn gelijkenissen betrekt Hij de vrouw op waarderende wijze, gebruikt haar daarin zelfs als beeld van God (Lukas 15:8, Mattheüs 13:33). Na zijn opstanding verschijnt Christus het eerst aan vrouwen die naar Jezus’ graf waren gegaan om hem alsnog te zalven. Dan krijgen volgens de evangeliën de vrouwen de opdracht Jezus’ discipelen te berichten dat zij naar Galilea moeten gaan en dat zij daar Jezus zullen zien.

Van Bruggen benadrukt dat vrouwen hier dienen om mannen weer te activeren tot het uitoefenen van hun voorgangerstaak. De Here houdt de mannen – die van nature niets waard zijn – aan hun taak en beveelt de vrouwen daaraan mee te werken. Volgens Van Bruggen is het op de Pinksterdag beter. Dan kunnen de vrouwen zwijgen. Simon Petrus doet weer het woord, bekeerd tot zijn opdracht. Wát Simon Petrus zegt (de vervulling van Joëls profetie), daarover zwijgt Van Bruggen.

Apostelambt

In april 1983 schreef H.G. Abma een opvallend artikeltje in het Gereformeerd Weekblad. Behalve predikant was Abma van 1963 tot 1981 kamerlid voor de SGP, een aantal jaren zelfs fractievoorzitter. Hij had Calvijns exegese op het opstandingsevangelie bestudeerd. En Calvijn is, net als Van Bruggen, een onverdacht Schriftgetrouw theoloog. Toch benadert Calvijn deze geschiedenis heel anders.

Calvijn zegt: Jezus begon met de vrouwen. Hij vertoonde Zich niet alleen het allereerst aan haar, Hij gaf haar zelfs een opdracht de blijde boodschap aan de discipelen te brengen en zo hun ‘instructeurs’ te worden. Zo werd allereerst de onverschilligheid van de discipelen bestraft. Die waren halfdood van angst, terwijl de vrouwen dapper naar het graf gingen. Daarvoor verleende Christus haar een zeer eervolle onderscheiding, want Hij ontnam de mannen het apostolisch ambt en vertrouwde het de vrouwen voor korte tijd toe.

Zo toonde Hij, aldus Calvijn, een voorbeeld van wat Paulus ons zegt, dat de Here het dwaze en zwakke in de wereld heeft verkoren om de trots van het vlees te vernederen. En nooit zullen wij behoorlijk voorbereid zijn om dit geloofsartikel (van de opstanding) te leren op enige andere manier dan door het opzij zetten van alle hoogmoed en door onderwerping het getuigenis van vrouwen te ontvangen.

En ds. Abma zegt dan dat Calvijn bewaard bleef voor die merkwaardige krampachtigheid, die wij tonen als het gaat om wat wij zeer principiële onderwerpen noemen! “Op het meest beslissende en funderende tijdstip droeg Christus het unieke apostelambt over aan vrouwen.” Wij moeten er maar eens in alle rust over nadenken. Opdat wij ingetogener ons oordeel geven, en minder categorisch (onvoorwaardelijk). Hoe verschillend benaderen respectabele theologen soms bepaalde bijbelgedeelten! Hoe voorzichtig moeten wij zijn in het oordeel over elkaar!

Hoofd

Christus werd in de weg van het kruis Hoofd van een mondige gemeente. Daarvan mag volgens de Schrift de vrouw symbool zijn. Dat kan ze alleen als mondige vrouw. Ze is nu ook profetes, priesteres en koningin (Zondag 12 van de Heidelbergse Catechismus). De uitstorting van de Heilige Geest op alle vlees is de vervulling van Joëls profetie “Uw zonen én dochteren zullen profeteren.” De Geest maakt geen onderscheid tussen mannen en vrouwen.

Toegerust door de Geest zet de vrouw zich in voor de verbreiding van het evangelie. In eigen verantwoordelijkheid dient ze in de ‘militia Christi’ voor haar eigen nummer. De Handelingen en de brieven wemelen van namen van vrouwen die met gevaar voor haar leven in het evangelie hebben gewerkt: Dorcas (Handelingen 9:38), Priscilla, de dochters van Filippus (Handelingen 21), Phebe (Romeinen 16), Euodia en Syntyche (Filippenzen 4:2,3). Paulus noemt hen zijn medewerksters in het evangelie. Vrouwen behoorden tot zijn hoofdkwartier.

Paulus treedt volop in de voetsporen van Christus. In 1 Corinthiërs 7 zegt hij dat in het huwelijk rechten en plichten wederkerig zijn. Het evangelie ploegde diepgewortelde tradities om. De komst van Christus had een keerpunt in de geschiedenis gebracht. Paulus laat dat voluit zien in zijn brieven. Maar hij was een wijs man. Er is in zijn vermaan altijd iets evenwichtigs.

In de nieuwe bedeling is het leven veranderd, het Evangelie zet de mens in de ruimte. Dat schept het risico de grenzen uit het oog te verliezen. Paulus heeft het huwelijk wel op hoog niveau gezet, maar in 1 Corinthiërs 11 laat hij zien dat de man het hoofd is van de vrouw en klemt dat in tussen twee andere verhoudingen: Christus is het hoofd van de man en God is het hoofd van Christus. Het is dus niet vernederend een hoofd te hebben.

Het bijbels begrip ‘hoofd’ is een nieuwtestamentisch begrip. Dat inzicht bewaart ons voor een verkeerd hanteren van hoofd tegenover hulp. Hulp was een scheppingsgegeven. Het hoofd-zijn van de man moet worden gezien vanuit Christus. Het is Christologisch bepaald. Het Griekse woord voor hoofd, kefalè, duidt op eenheid met een lichaam: levenseenheid van man en vrouw, die een afspiegeling mag zijn van Christus en Zijn gemeente. Het gaat in beide om een organische verhouding. Er staat niet: héér, kurios. De man heeft niet, zoals in het Romeinse recht, de ‘maritale macht’, absolute zeggenschap.

Als Paulus in Efeze 5 de vrouwen vermaant haar man onderdanig te zijn, legt hij éérst uit hoe binnen de gemeente de leden elkaar onderdanig moeten zijn, zich moeten invoegen in elkaars welzijn. Dan voel je hoe onderdanig zijn iets heel anders is dan onderworpen zijn. Christus was begonnen Zichzelf voor ons over te geven. Hij is de ‘Behouder des lichaams’. Uit wederliefde is de gemeente Hem onderdanig. Zo moet het in het huwelijk ook zijn: de man begint met liefde te geven, dan voegt de vrouw zich in in het welzijn van de man.

Door Christus’ dood en opstanding was er voor de vrouwen veel veranderd. Ineens lag het volle leven voor haar open, terwijl het daarvóór zo ingeperkt was. Daarom kon ze haar juiste houding niet altijd vinden. De structuren bleven gehandhaafd en ze moest de zeden – die toen heel anders waren dan in onze tijd – blijven eerbiedigen. Daar hadden de vrouwen het nogal eens moeilijk mee. Ze moesten zich inpassen in het welzijn van haar mannen. Haar man blijft haar hoofd.

Let wel: de man is het hoofd van zíjn vrouw (H. Bavinck, C. den Boer, H. Paul). Er is maar met één vrouw levensgemeenschap mogelijk. Het is dus niet zo dat de man het hoofd is van dé vrouw, als algemene regel. Een aantal theologen staat op dat standpunt (onder anderen Grosheide, Van Bruggen, Van Sliedregt). Dan zouden de vrouwen ondergeschikt zijn aan de mannen.

De Schrift leert juist de gelijkwaardigheid van man en vrouw. Niet elke man staat boven elke vrouw. De man moet zijn vrouw liefhebben, niet over haar heersen. Christus wilde immers dienen, niet gediend worden. Hij beoogde de ontplooiing van Zijn gemeente. Volgt de man Christus hierin na, dan rijpt het huwelijk tot een wederzijds elkaar dienen. Het hoofd-zijn van de man is geen rang. Het is een functie, die bepaald is door de liefde, niet door het recht. En het huwelijk is een unieke liefdesverhouding.

Zwijgverbod?

In 1 Corinthiërs 11 en 14 lijkt Paulus met zichzelf in tegenspraak te komen. In het eerstgenoemde hoofdstuk zegt Paulus dat een vrouw die bidt en profeteert dat moet doen met het hoofd bedekt. In 1 Corinthiërs 14:34 daarentegen lijkt hij haar een algemeen zwijgverbod op te leggen.

Dat de samenkomsten in de vroeg-christelijke gemeenten heel anders waren ingericht dan onze kerkdiensten blijkt uit 1 Corinthiërs 14 vanaf vers 26. Ieder kon het woord voeren naar de hen gegeven gaven. In 1 Corinthiërs 11 keurt Paulus het duidelijk goed dat de vrouw in de gemeentesamenkomst bidt of profeteert. Profeteren is een gave, waarmee de gemeente wordt gesticht (1 Corinthiërs 14 : 4).

In 1 Corinthiërs 14 gaat het naar het oordeel van de meeste exegeten over het deelnemen aan de discussie. Die vond plaats na het profeteren (vers 29). Anderen gaven hun oordeel als iemand had geprofeteerd. Die discussie verliep vaak onordelijk. Nu wil Paulus orde op zaken stellen. Alle dingen dienen tot stichting te geschieden. In het gebruik van de gaven moeten de gemeenteleden met elkaar rekenen.

In die samenkomsten, die in particuliere huizen plaats vonden, kon iedereen binnenlopen. En daarom moeten de vrouwen geen aanstoot geven. In het lichtzinnige Corinthe waren de vrouwen die in het publiek spraken, bepaald niet onbesproken van gedrag. Christenvrouwen moesten ingetogen optreden. Daarom moesten mannen thuis hun vrouwen onderrichten. Vrouwen moesten in de samenkomsten hun mannen niet beschaamd maken door domme of moeilijke vragen. Juist omdat Paulus vrouwen volop inschakelde in het evangelie moesten ze het decorum, de geldende zeden, handhaven.

Wat Paulus schrijft in 1 Timotheüs 2:8 en verder moet bezien worden in het licht van heel het evangelie. Hier spreekt Paulus over de gebedshouding van mannen en vrouwen en de samenkomsten. Daar heeft de wijze van kleding van de vrouw ook mee te maken. Vers 10 sluit daarbij aan. In vers 11 zegt hij dat de vrouw zich moet laten leren in stilheid. Volgens de grondtekst betekent dat niet zwijgend, maar rustig.

Oók de vrouw wordt – anders dan bij de joden! – onderwezen. Ze moest ook tot kennis der waarheid komen. Onderwijzen staat Paulus de vrouw niet toe. Dat verbod is niet gegrond in het wezen der vrouw, maar gegeven ter bewaring van de rechte verhouding tot haar man. Onderwijzen op zichzelf was een genadegave van de Geest, die ook haar toeviel. Denk maar aan Priscilla.

Bescheidenheid

De vrouw mag ook niet over de man heersen. In de gemeente mag niemand heersen over een ander. Dat is de grondwet van het evangelie. Zeker de vrouw moet dat niet doen. Zij moet in haar houding tegenover haar man gestalte geven aan de houding die de gemeente moet innemen tegenover Christus. Maar het is niet in overeenstemming met het evangelie de vermaning die Paulus aan de vrouw geeft zich niet op de voorgrond te dringen, om te zetten in een Goddelijke wét dat de vrouw op de achtergrond van de gemeente behoort.

Adam is eerst geschapen (1 Timotheüs 2:13), daarna Eva. Daarin ligt inderdaad een zekere prioriteit. Maar in 1 Corinthiërs 11:11 en 12 heeft Paulus ook hier het evenwicht bewaard en er op gewezen dat na Adam iedere man is voortgekomen uit een vrouw. De man moet zich niet op zijn prioriteit voorstaan.

Felle reactie heeft 1 Timotheüs 2:14 opgeroepen: “Adam is niet verleid geworden, maar de vrouw, verleid zijnde, is in overtreding geweest.” Hier spreekt echter niet een apostel die dat de vrouw nog eens wil nageven, maar een apostel die zélf een verleden heeft. Tal van christenen, mannen en vrouwen, heeft hij uitgeleverd om gedood te worden. Hij vindt zichzelf de minste der apostelen, die naam zelfs niet waardig (1 Corinthiërs 15:8,9), de allerminste van al de heiligen (Efeze 3:8), de voornaamste onder de zondaren (1 Timotheüs 1:12 en verder).

Juist hij kon daarom zo vurig de bediening der verzoening prediken en de overvloed van genade. En juist hij, die zich, gedachtig aan zijn verleden, altijd bescheiden opstelde, kon de vrouw vermanen zich, gedachtig aan haar verleden, bescheiden op te stellen. Hij wist terdege dat haar zonde, evenals de zijne, voor honderd procent was verzoend. Hij spijkert de vrouw niet aan haar verleden vast.

In 1 Timotheüs 2:15 zegt hij (letterlijk vertaald) dat de vrouw door het kinderen baren heen gered zal worden. Er staat niét dat dit de grond voor haar zaligheid is. Ook niet dat dit haar eerste roeping is. Uit deze bijbelgedeelten concludeert Van Bruggen dat het zwijgen van de vrouw totaal moet zijn. Dat is volgens hem gegrond in de plaats van de vrouw bij de schepping.

In die richting denkt ook de predikant P. van Ruitenburg. Zijn standpunt is dat het de vrouw niet toegelaten is te heersen en ook niet om ‘ooit’ te spreken, niet in de gemeente, maar ook niet in de samenleving. Hij signaleert een vloeiende lijn van het huwelijk naar de gemeente en naar de maatschappij. In deze opvattingen wordt mijns inziens de gezamenlijke opdracht en verantwoordelijkheid niet in rekening gebracht.

De vrouw in de samenleving vroeger en nu

Vervolgens vragen we aandacht voor de plaats van de vrouw in de samenleving. Dat is zeker vandaag een belangrijk punt. We hebben daarbij te maken met het feit dat ‘de vrouw’ en ‘de maatschappij’ geen begrippen zijn die niet veranderen. In elke tijd en in elke cultuur is het beeld van de samenleving anders en daarmee samenhangend ook de rol van de man en de vrouw. Ook kon in het ene werelddeel het cultuurpatroon eeuwenlang ongewijzigd blijven, terwijl bijvoorbeeld in Europa de ene eeuw rustig voortkabbelde, maar een andere eeuw vol veranderingen was.

Aanvankelijk kende ons land een primitieve samenleving. De vrouw werkte hard mee op het land. De beschaving schreed echter voort en elke belangrijke verschuiving in de maatschappij bracht bewustwording en emancipatie van de vrouw met zich mee. In de Middeleeuwen bood het klooster de ongetrouwde vrouw ontplooiingsmogelijkheid op allerlei terrein. De Reformatie sloot de kloosters en bood de ongetrouwde vrouw geen vervangende mogelijkheden.

In de gilden, die tot aan de Franse revolutie bestonden, was het ambachtelijke en het beroepsleven grotendeels besloten. Daarin telde de vrouw als echtgenote mee. Als weduwe of ongetrouwde dochter kon zij het bedrijf van haar man of vader voortzetten. De vrouw had in de maatschappij wel degelijk een plaats. In onze tijd moet de vrouw vechten voor gelijk loon, in het kleersmakersgilde werd de vrouw vroeger als onderkruipster geweerd, als ze onder de prijs werkte. De tijden kunnen veranderen!

Ook uit andere gegevens blijkt hoe vrouwen in de zestiende en zeventiende eeuw volop meedraaide in het maatschappelijke leven. In de Tachtigjarige Oorlog waren er in de Nederlanden veel Spaanse soldaten en officieren. Zo schreef een Spaanse kapitein in zijn kronieken dat de Nederlandse vrouwen naast het besturen van huis, hof en gezin, ook de zaken leidden. Ze overtroffen de mannen in lezen, schrijven en rekenen en in kennis van de vreemde talen. In de binnenvaart stond de vrouw aan het roer van het schip, terwijl ze ondertussen het spinnewiel bediende. En hun bijbelkennis was enorm. Een heel ander soort vrouwen dan de Spaanse!

Vóór de Industriële Revolutie was het gezin zelf een bedrijf. Het produceerde alles voor eigen consumptie. Vader en zoons oefenden hun ambacht in of bij huis uit, moeders leidden hun dochter op in de huishouding. Het was in alles een gemeenschap. Van een afgezonderd huisvrouwenbestaan of van een ‘slaapstad’, zoals bijvoorbeeld de Bijlmermeer, was geen sprake. Het dagelijks vrouwenleven was levendig en op de maatschappij betrokken.

De industrie bracht grote veranderingen. Tal van taken, zoals brood bakken, spinnen, weven, kaarsen maken en het brouwen van bier werden daardoor aan de vrouwen ontnomen. Het kleinbedrijf werd grootbedrijf en fabriek. Dat werkte door in het vrouwenleven. In de betere standen werden de vrouwen op het huis teruggeworpen. Men typeerde haar taak met 5 k’s: kamer, keuken, kelder, kleren, kinderen! De mannen oefenden nu hun beroep elders uit, onzichtbaar voor het gezin.

Ongetrouwde vrouwen uit de betere stand mochten tot geen prijs buitenshuis werken, dat paste niet. Toen in het midden van de negentiende eeuw economische crises verarming brachten, voelden veel ongetrouwde vrouwen zich in de gezinnen waar ze bij in woonden een last. Ze voelden zich overtollig. Bij de vrouwen van arbeiders was dat anders. De lonen waren laag, de vrouwen moesten het huis uit en meewerken in de fabriek. Zij kregen een dubbele taak, in huis en buitenshuis, anders was er geen brood op de plank. Zo zien we in de geschiedenis van ‘de vrouwen de maatschappij’ tijden van ontplooiing en van terugval.

Pioniersters

Jonkvrouwe M.C. van Hogendorp (1834-1909) © inghist.nlKentering der tijden is een moeizaam proces. De negentiende eeuw, die de vrouw eerst zo weinig te bieden had, schudde een aantal vrouwen wakker: het kón anders en het moest anders! Dat drong het eerst tot christenvrouwen door: zij als vrouwen waren medeverantwoordelijk voor al die misstanden! Onder hen vind je klinkende namen: mevrouw Groen van Prinsterer, gravin Marianne van Hogendorp met haar dochters 1, Betsy de Clerq, iets later Jeltje de Bosch Kemper, Anna Reynvaan.

Deze pioniersters kwamen meest uit de kring van het Reveil, een geestelijke opleving vooral in de eerste helft van de negentiende eeuw. Ze trokken er op uit en zagen met eigen ogen de vreselijke toestanden. Soms in één bedstee 16 kleintjes, waaronder baby’s. De moeders waren naar de fabriek, één paste op. Soms waren in een kinderstoeltje aan de zoldering kleintjes vastgebonden, zodat vader kon schoenlappen of moeder wassen en strijken, terwijl de kleintjes niet voor de voeten liepen! Grotere kleuters zwierven langs de straten.

De dames zorgden voor hulp, maar ze leerden ze ook naaien bijvoorbeeld, zodat ze niet afhankelijk bleven van bedeling, een heel nieuwe wijze van hulpverlening. Voor de kleuters stichtten ze fröbelscholen, naar de beste methoden. En ze richtten zondagsscholen op, waar ze bijbelonderwijs gaven. Dát gaf deining! Vrouwen die bijbelonderwijs gaven, ongehoord! De dames richtten een diaconessenhuis op in Utrecht (1844). Wéér zoiets raars. Natuurlijk sprak het vanzelf dat de zieken thuis verpleegd werden in de eigen familie. Maar nu gingen jonge vrouwen samen in een huis wonen en gingen zomaar in vreemde huizen onbekende zieken verplegen!

Maatschappelijke veranderingen

Ook in de maatschappij voltrokken zich veranderingen. Wat was men verontwaardigd toen in 1876 de PTT telefonistes in dienst nam! Nog bonter maakte het postkantoor het door typistes aan te stellen. Zij moesten worden weggemoffeld. Op de zolderverdieping werden de dames achter hun machine geïnstalleerd. In de deur werd een luikje gemaakt om hen het werk toe te schuiven: zo min mogelijk contact! Onder aan de trap kwam een bordje met de tekst “naar de schrijfmachines”. Het publiek mocht niets merken. Na verloop van tijd zag men het dwaze hiervan in en werd de toestand normaal.

Toen Anna Reynvaan, 36 jaar oud, het initiatief nam in het Amsterdamse Buitengasthuis vrijwillig nachtdienst te gaan verrichten, was dat niet zonder risico. Verpleegsters waren er niet, het woord kende men niet. Ontslagen gevangenen uit de strafkolonie Veenhuizen die nergens werk konden krijgen, waren zaalknecht of zaalmeid. De toestanden waren vreselijk. Anna Reynvaan bouwde in ons land een nieuwe beroepsgroep op: verpleegsters, die uit roeping tegen laag salaris met liefde en deskundigheid werkten. Toch was de weerstand groot. Zo schreef een arts: “Ongaarne zal een deftige vrouw zich op straat vertonen naast een ziekenverpleegster, dat past zo niet bij haar stand.”

Zo zien we hoe de opvattingen in de maatschappij telkens verschuiven. Al deze vrouwen ontworstelden zich aan vooroordelen. Niet om zichzelf te ontplooien, maar om anderen te kunnen helpen. Ze zochten geen emancipatie, maar zonder het te willen, baanden ze de weg daartoe. De ontwikkelingen speelden op elkaar in. Nu de misstanden onderkend werden, kwam er barmhartigheidswerk. Veel ongetrouwde vrouwen vonden daarin een levenstaak. Er kwam een leerplichtwet en er kwamen opleidingen voor onderwijzeressen en scholen voor maatschappelijk werk. En vrouwen die eerst niets voelden voor de politieke gelijkstelling van man en vrouw, begrepen op den duur dat dit nodig was om mee te werken aan de maatschappelijke opbouw en verbetering.

Dwang

Al deze ontwikkelingen kwamen door twee wereldoorlogen in een stroomversnelling. De laatste twintig jaar is die ontwikkeling zelfs stormachtig geweest. Daar heeft de uitvinding van de pil behoorlijk toe bijgedragen. De gevolgen daarvan zijn nog nauwelijks te overzien. Direct vanaf 1965 daalde in 5 jaar het geboortecijfer met de helft. De vrees voor overbevolking heeft in ons land en andere landen inmiddels allang plaats gemaakt voor problemen van ontgroening en vergrijzing. Emancipatie is van oorsprong een christelijk goed, in gang gezet door Christus’ verlossingswerk. Zolang de invulling gebeurt vanuit een bijbelse levensbeschouwing, komt dit het leven ten goede. Man en vrouw beiden mogen zich ontplooien. Dat moet wel gebeuren in gerichtheid op de naaste. Dan bloeit het leven op.

Intussen hebben andere geesten zich van de emancipatie meester gemaakt. Onder voortdurende druk van een groep elitaire vrouwen heeft de overheid zich opgeworpen de emancipatie van bovenaf dwingend op te leggen. Eerst met mooie termen als verdeling van macht, werk en inkomen tussen mannen en vrouwen. Nu is het verzelfstandiging, individualisering en gelijkberechtiging. Het zijn termen die aangeven dat de overheid alleen met individuele personen rekent, die stuk voor stuk economisch zelfstandig moeten zijn. Of je ouders hebt die voor je willen en kunnen zorgen, of je getrouwd bent en je man kostwinner kan zijn, daar wordt niet meer mee gerekend.

Vanaf 1990 moet elk meisje vanaf 18 jaar haar eigen brood verdienen. In alle opzichten moet ze zelfstandig zijn. Is haar man werkloos, dan krijgt hij geen kostwinnerstoeslag meer, tenzij er kinderen zijn beneden de 12 jaar. Daar mag een vrouw dan nog voor zorgen. Ze krijgt anders geen uitkering, ook als ze geen werk kan vinden. Dan moet ze naar de bijstand. Zo wil de overheid vrouwen dwingen tot gelijkschakeling. De keuzevrijheid is weggenomen, tenzij je ouders je een goede opleiding willen geven of je man genoeg verdient om een gezin te onderhouden. Dat komt allemaal voort uit verzet tegen het huwelijk en het moederschap, dat de vrouw tegenover de man in een afhankelijke positie zou plaatsen waarin haar macht en zelfontplooiing wordt onthouden. De rolverdeling moet van bovenaf, desnoods met dwang gewijzigd worden.

De Raad voor het Jeugdbeleid vindt de ‘vluchtweg’ – vrijstelling voor moeders met kinderen tot 12 jaar – nog teveel, en wil deze uitzondering schrappen om problemen bij herintreding van vrouwen op de arbeidsmarkt te voorkomen. Toch komt er een andere trend die het moederschap weer naar voren haalt. Het aantal ongehuwde bijstandsmoeders is toegenomen, en het zijn niet alleen buitenlandse jongeren die een kind aantrekkelijker vinden dan laaggekwalificeerde loonarbeid. Deze ontwikkeling had men in 1980 niet voorzien. De bovendrijvende emancipatiegolf wordt niet gedekt door de onderstroom. Het verzet tegen het moederschap lijkt dalend.

Bijbels?

Natuurlijk vragen we ons af, of de verdeling van de verantwoordelijkheden tussen man en vrouw, zoals die vooral sinds de vorige eeuw is gegroeid, inderdaad wel in bijbelse lijn is. Eindigt het werk in Gods koninkrijk voor de vrouw bij de voordeur en begint het voor de man, als hij die voordeur achter zich dichtslaat op pad voor kerk, staat en maatschappij? Mag een getrouwde vrouw, die tijd en energie beschikbaar heeft naast haar gezin, buitenshuis geen betaalde of onbetaalde arbeid verrichten? Mogen vrouwen, al dan niet getrouwd, geen leidinggevende positie innemen? Mag een getrouwde vrouw niet voor de klas staan? Mag ze niet in een schoolbestuur zitten, of in een gemeenteraad of ander publiek orgaan?

We hebben gezien dat God bij de schepping man en vrouw samen heel de voortplantings- en cultuurtaak opdroeg. Zich vermenigvuldigen, daar is nauwe samenwerking van man en vrouw voor nodig. Datzelfde geldt voor de cultuuropdracht. Uit dat intieme huwelijksverband van Adam en Eva hebben zich in de loop der eeuwen steeds meer en wijdere verbanden los gepeld. En dat gaat nog steeds door. Het privéleven krimpt steeds meer in. Steeds meer terreinen van het leven vallen in de publieke sfeer. Steeds nam de man die groeiende maatschappelijke taken voor zijn rekening, naast zijn dagelijks beroep, Maar God had hem toch een hulpe tegenover hem gegeven? Een hulp in heel het volle leven. Dan moet de man ook overal waar hij een taak heeft, die aanvulling aanvaarden die God hem gaf, en de vrouw niet eigenmachtig binnen bepaalde grenzen houden.

Huwelijk en moederschap zijn een prachtige levensvervulling. Maar zie eens hoeveel verantwoordelijkheden de huisvrouw uit Spreuken 31 daarnaast op zich nam! Ze leidde een bedrijf met internationale handelscontacten (ze deed haar brood van verre komen), ze kocht een akker en de winst belegde ze zelf in een wijngaard. Tot 1957 had in Nederland een getrouwde vrouw die handelingsbevoegdheid niet! Ze vervaardigt kleren voor haar gezin en personeel, ze doet sociaal werk. Vergelijk dat eens met de huisvrouw in de kleine flat van vandaag. Toch allemaal taken, die wij vandaag rekenen tot de arbeid buitenshuis van de getrouwde vrouw? Moeten niet juist de vrouwen met een bijbelse levensbeschouwing hun inbreng geven waar dat mogelijk is? Ook een vrouw mag leiding geven. In het politieke en maatschappelijke leven kan ze boven een man staan. Wie gezag heeft, hangt niet af van de sekse, maar van de aard van de verhouding. Ze kan leiding geven aan een winkel, een bedrijf, een gemeente, een departement, of aan een koninkrijk.

Natuurlijke bestemming

Florence Nightingale bood zich tijdens de Krimoorlog (1854-1856) aan om met een verpleegstersteam naar de Britse slagvelden te gaan om de soldaten te verplegen. De regering had het haar tegelijk gevraagd; de brieven kruisten elkaar. Toen ze ging, kreeg ze een hoge militaire rang, boven de officieren. Zij moesten haar gehoorzamen zodat het werk en het vervoer van medicijnen en verband voortgang kon hebben. Daar was niets tegen, het was noodzaak. Vrouwen hebben een even grote verscheidenheid aan gaven als mannen. Tal van ongetrouwde vrouwen hebben zich op leidinggevende posten ingezet. Dat werk, en ook eenvoudiger werk, kan van even groot belang zijn als het moederschap.

In Lukas 11 wordt ons beschreven hoe een vrouw, die diep onder de indruk was van Jezus’ spreken, uitroept: “Zalig de schoot, die U heeft gedragen, en de borsten, die Gij hebt gezogen.” Dan valt Jezus haar niet bij. Hij zegt ook niet dat iedere moeder gelukzalig is. Hij leert de vrouwen en heel de luisterende schare iets heel belangrijks, als Hij zegt: “Zalig zijn degenen, die het Woord Gods horen en het bewaren.” Een vrouw heeft geen zogenaamde natuurlijke bestemming. De bestemming van de mens, man en vrouw, is geestelijk.

Vrouwen hebben, indien ze daarvoor gaven hebben, evengoed een taak naar buiten als mannen. Ze moeten meedenken met de grote vragen van deze tijd, en dat mogen, ja moeten zij ook uitdragen. Ze moeten vanuit hun geloof, waar mogelijk, op verstandige manier tegenspel bieden tegen de negatieve krachten, tegen de geest van de tijd. Een getrouwde vrouw zal, samen met haar man en haar eventuele grotere kinderen, moeten afwegen welke mogelijkheden er zijn en welke prioriteiten er liggen.

Toen in het begin van de jaren zestig de naoorlogse geboortegolf het voortgezet onderwijs bereikte hebben duizenden getrouwde vrouwen zich ingezet en dat onderwijs mogelijk gemaakt. Dat getrouwde vrouwen onbetaald vrijwilligerswerk kunnen doen, spreekt vanzelf. Het is verrijkend voor hun eigen leven en het kan vormend zijn voor hun kinderen. Ook anderen mogen op hun moeder een beroep doen. Een moeder hoeft niet altijd thuis te zijn. Als ze maar aandacht heeft voor man en kinderen en als haar man maar aandacht heeft voor haar.

Opvoedingsverantwoordelijkheid

Nieuwe ontwikkelingen roepen nieuwe vragen op. Zijn crèches en kinderopvang nodig? Ik denk voornamelijk voor éénoudergezinnen. Hun aantal groeit helaas snel. Daarmee is niet gezegd dat crèches wenselijk zouden zijn. In crèches is het personeel vaak wisselend. En zéker een kind onder de 2½ jaar heeft naast de moeder continuïteit nodig in de persoon die de verzorging mede op zich neemt. Er is een sterk groeiende vraag naar kinderopvang. Naar schatting zou in 190.000 gezinnen de vrouw weer gaan werken als er maar meer kinderopvang zou zijn. Vergeleken bij het buitenland zou onze achterstand groot zijn.

Naar mijn mening is het geen goede zaak de opvoedingsverantwoordelijkheid voor het jonge kind dagelijks voor een groot deel in een kinderdagverblijf te leggen, in handen van derden, als daar geen dringende noodzaak voor is en als de kwaliteit en veiligheid van de kinderopvang niet onder controle staat. Bovendien: één plaats in een kinderdagverblijf, dat aan de eisen voldoet, kost ƒ 12.000 per jaar. Hoe economisch belangrijk zijn de moeders dan!

Iets anders is dat peuterspeelzalen in deze tijd eigenlijk een noodzaak zijn, zowel voor het kind, dat te weinig uitdaging in de directe omgeving ontvangt, als voor de vele moeders die geen vervanging hebben en bijvoorbeeld ook eens naar de tandarts of dokter moeten. Enkele malen per week een paar uur buiten het kleine milieu is waardevol voor beiden.

Toetsen

Wij leven in een land, dat tot voor kort christelijk kon worden genoemd. Christenen hebben sterk de neiging het traditionele te vereenzelvigen met het bijbelse. Dan krijgt de traditie het karakter van norm. Zo is het niet. Om in deze tijd met zijn snelle ontwikkelingen vrouw te zijn in bijbels licht, moeten wij onze opvattingen en onze verantwoordelijkheden steeds opnieuw toetsen aan de Schrift.

Literatuur

H. Bavinck, De vrouw in de hedendaagsche maatschappij (Kampen 1918)

C. den Boer (red.), Man en vrouw in bijbels perspectief (Kampen 1985)

L.G.A. Bremmer-Lindeboom e.a., Vrouw en man – een plaatsbepaling (Groningen 1983)

J. Brouwer, Kronieken van Spaansche soldaten uit het begin van den tachtigjarigen oorlog (Zutphen 1933)

J. van Bruggen, Emancipatie en Bijbel (Amsterdam 1974)

F.T. Diemer-Lindeboom, Man en vrouw in het volle leven (Utrecht 1949)

A. Kuyper, De eerepositie der vrouw (Kampen 1914)

C. Meyer-Wichmann, Vrouw en maatschappij (Utrecht 1936)

J.W.A. Naber, Wegbereidsters (Groningen 1909)

C. van Sliedrecht, Vrouw in kerk en samenleving (Kampen 1981)

Jaargang 01 (1990) No 1 – themanummer vrouwengeschiedenis