De visie van M.C. Smit en de geschiedenisdocent

Graag wil ik reageren op de bijdrage van Dr. Poley over “historisch besef bij M.C. Smit”. Het artikel heeft heel wat bij me losgemaakt. Men leze daarom de hier volgende bespiegeling, die geen systematische verhandeling pretendeert te zijn, eenvoudig als ‘enkele losse gedachten’.

Prof. Smit heeft, nu zo’n dertig jaar geleden, het begrip ‘eerste geschiedenis’ geïntroduceerd. Bij wijze van proef oppert Poley de gedachte dat dit kernbegrip bij Smit evengoed kan worden weergegeven door het begrip koninkrijk Gods. Met deze suggestie zijn we mijns inziens op een gelukkig spoor gezet.

De eerste geschiedenis

Met zijn zoeken naar de zin was Smit bezig met vragen op de rand van het menselijk bestaan en aan de grens van het menselijk kennen. Het ging hem om zicht te krijgen op de oorsprong en de dragende grond van alles. Welnu, wat is vaster, fundamenteler en meer omvattend dan het koninkrijk Gods? Zeker, verwante begrippen zouden ook dienst kunnen doen, zoals Schepping, Verbond, de ere Gods, het heil, of andere grondnoemers. Hoe dan ook, Smit wilde op een nieuwe mariier de tijd betrekken op de eeuwigheid, de geschiedenis leven en lezen sub specie aeternitatis. Vandaar dat hij voortdurend aandacht vroeg voor wat men in zijn kring ‘het zin-karakter van de werkelijkheid’ was gaan noemen: de rusteloze zijnswijze van al het geschapene in haar constante oriëntatie op de Oorsprong aller dingen.

Terecht vestigt Poley de aandacht op Smits idee van de ‘dubbele oorsprong’ van de feiten. Het gaat daarin om het onder woorden brengen van wat de ‘eerste geschiedenis’ nu eigenlijk is. Elders bij Smit heet zij het kanaal waarlangs de zin van de geschiedenis ons toevloeit. Ik bedoel hetzelfde wanneer ik de gedachte hier iets anders omschrijf dan Poley doet, als volgt. De historicus moet steeds twee dingen voor ogen houden. Er is een voorgrondgebeuren en een achtergrondgebeuren. Er is een binnenwereldlijk, aards krachtenveld waarin de feiten op ons afkomen, en tegelijk, daarin meekomend, is er de zin van het leven waarop de mens moet antwoorden, en wel in keuzen die hij voor de Zingever zal hebben te verantwoorden. Zo verwoord blijft, geloof ik, de kerngedachte dezelfde. Elk mens, elke generatie staat telkens voor de keuze: zal ik dit of dat afwijzen en tegengaan, of oppakken en versterken, danwel ombuigen en verbeteren?

Aandacht vragen voor de goddelijke oorsprong van al wat is – van alles wat bestaan heeft en gestalte krijgt in de tijd – vond Smit geen overbodige luxe in een tijdperk van een vlak, horizontalistisch, aardsgebonden levensbesef. Uiteraard is het stellen van de oorsprongsvraag voor de historicus tweede natuur. Zij is eenvoudig niet te onderdrukken bij de bestudering van het verleden. Maar historici vragen doorgaans niet door, zij staken te vroeg.

Waaraan ontspringt uiteindelijk de geschiedenis? De gebruikelijke antwoorden zijn gevarieerd. Uit het samentreffen van talloos vele dynamische krachten, invloeden, werk-oorzaken. Of uit de onuitputtelijke creativiteit van de mens. Of uit toeval, het (nood)lot, de onberekenbare chaos.

Geen van deze antwoorden bevredigt de christen-historicus. Het wil er bij hem of haar niet in, dat de geschiedenis zelf de kracht zou bezitten om de dingen voort te brengen, nieuwe vormen en ideeën te voorschijn te roepen. Nee, die liggen in de geschiedenis ingebed als geschapen mogelijkheden voor de mens om er gestalte aan te geven. In alle dingen treedt ons de goddelijke Oorsprong tegemoet die alles schiep en nog in stand houdt.

Maar het kwaad dan? Bij alle historische verschijnselen is het zaak, te onderscheiden tussen structuur en richting. Dan gaan we twee vragen stellen. De eerste vraag luidt: wat is er in dit verschijnsel dat teruggaat op iets voorgegevens, iets structureels, iets dat uitnodigt om het nieuwe tot stand te brengen, het leven te bevorderen, de samenleving te verbeteren, de medemens tot zijn recht te laten komen?

De tweede vraag luidt: wat is er aan dit verschijnsel dat uitdrukking is van het mensenhart dat op die uitnodiging antwoord geeft en er een bepaalde richting mee uitgaat, hetzij gehoorzaam, in liefde en trouw, hetzij afvallig, eigenwillig, tegendraads? Deze tweeledige vraagstelling leidt vanzelf tot een nog weer andere tweezijdige benadering van de geschiedenis, door Poley aangestipt met verwijzing naar het begrip ‘de voorgrond’.

Wie zich dagelijks met geschiedenis bezig houdt staat in de verleiding zich blind te staren op wat voor ogen is, de geschiedenis van het voorgrondgebeuren. Die voorgrond is ons aller leefmilieu en verdient onze nauwlettende aandacht, maar volgens Smit dienen we er wel doorhéén te zien en het besef levendig te houden van wat op de achtergrond gaande is: de worsteling tussen zin en anti-zin. Nu lag het niet in Smits aard om als wetenschapper die achterliggende wereldhistorische geestesworsteling ter sprake te brengen in termen van de Heilige Geest en de Satan. Die zijn het immers die worstelen om de harten van de mensen, vanwaaruit de uitgangen des levens vorm krijgen, al naar gelang wat daarbinnen leeft? Maar dat Smit met die verborgen werkelijkheid intens rekende staat wel vast.

De gelovige die de geschiedenis overdenkt, kan zich zo goed vinden in het woord van Ranke, verdiept door een woord van Vossler: elke tijd, iedere daad, elk feit staat in onmiddellijke verhouding tot God. Inderdaad, de geschiedenis speelt zich af comm Deo, voor Gods aangezicht, en dat maakt alle gebeuren zinvol. Men vrage zich nu af: resoneert dit in mij bij de bestudering van het verleden? Trilt dit mee tijdens mijn lessen? Dankzij dat wereld-historische coram Deo heeft de mens van nu niet alleen contact – diep-menselijk contact – met de 80-jarige oorlog, de nadere Reformatie, of het verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog, maar ook met de Gracchi, de Maya-cultuur, en de volgelingen van Bhoedda.

Het in-elkaar-grijpen

Het blijft intussen een moeilijke opgaaf, dat in één denken van een eerste en tweede geschiedenis. De eerste is echt eerst; ze is voorgegeven, en van mysterieuze, goddelijke oorsprong. De tweede is overgegeven in de handen van de verantwoordelijke mens en doet een geschiedenis ontstaan die openligt voor empirische studie en analyse. En die twee zouden ineen liggen, onontwarbaar met elkaar verweven? Wie kan dit vatten, wie kan hiermee uit de voeten? Niet alleen historici hebben hierover bij Smit geklaagd. Ook iilosofen staan hier voor een grens in het menselijk begripsvermogen.

Het zij zo. Met begrijpen zal ’t niet gaan. Het gaat bij dit alles – Poley treft dit zo goed – om een gelóófshouding. God is ontegenzeglijk actief aanwezig in het gebeuren, als schepper en onderhouder, met zijn wil voor de ontsluiting van de werkelijkheid, zijn wetten voor het leven. Dat speelt allemaal mee wanneer het empirisch gebeuren uit de handen van de kiezende en handelende mens tot aanzijn lijkt te komen. Het is de historicus derhalve geraden, het besef hiervan op de achtergrond te laten mee resoneren wanneer hij of zij de geschiedenis probeert te verstaan in haar volle breedte en diepte, in haar wonderlijk geheim. Het gaat ons om een bijbelse grondinstelling. De christen-docent bepaalt zijn stofindeling en baseert zijn didactiek op deze grondinstelling. Het is een instelling die heel zijn visie op de geschiedenis doortrekt en beheerst en die dan ook als vanzelf de strekking van heel z’n onderwijs, tot aan de dagelijkse sféér in de klas, beslissend beïnvloedt.

De scheppende hand Gods

Persoonlijk heb ik altijd moeite gehad met Smits grote terughoudendheid ten aanzien van het spreken over Gods Hand. Men kent de wijsgerige bezwaren: alsof God af en toe ingrijpt maar verder de geschiedenis op haar beloop laat. Dat is inderdaad een onbijbelse gedachte. De bijbel tekent ons de ganse schepping als van ogenblik tot ogenblik afhankelijk van Gods onderhouding. Hield God als het ware even zijn adem in – de wereld was niet meer. De natuurwetten dwingen niet, en de wetten van het zedelijk-geestelijk leven dringen niet, tenzij God ze voortdurend doet gélden. Hij houdt zijn wereldorde genadig in stand.

Smit wilde ernst maken met enkele sleutelwoorden uit de Schriit: ‘Door het geloof verstaan wij, dat de wereld door het woord Gods is toebereid, alzo dat de dingen, die men ziet, niet geworden zijn uit dingen, die gezien worden’ (Hebr. 11:3). En: ‘Zendt Gij uw Geest uit, zo worden zij geschapen, en Gij vernieuwt het gelaat des aardrijks’ (Ps. 104:30). Of dat andere psalmwoord: ‘Zo de HERE het huis niet bouwt, tevergeefs arbeiden de bouwlieden daaraan’ (Ps. 127:1). Hier liggen Gods werk en mensenwerk inéén. Alleen over dat laatste rept de doorsnee geschiedenisles. Ten onrechte. Wie bijbels wil denken kan God niet buiten z’n lessen houden, dunkt me. Wijlen prof. H. Berkhof had groot gelijk toen hij geschiedenisdocenten aanspoorde om het niet bij een betuiging van een algemeen voorzienigheidsgeloof te laten maar ook af en toe heel expliciet de geschiedenis gelovig te duiden en de wonderlijke leiding Gods aan te wijzen. Voorzichtig, bescheiden, voorlopig, dat wel, maar ook openlijk en met overtuiging. Dit te doen is niet meer dan plicht voor de gelovige, aldus Berkhof. Uit dankbaarheid.

Download het complete artikel (pdf)

Jaargang 08 (1997) No 4