De Nederlander en zijn jaartallen. De commissie-De Rooy en de chronologie

Hoe het staat niet de historische kennis van de Nederlander kun je bij mij in de straat goed testen. Snob en sloeber, grijs en groen passeren de winkels waarboven ik woon. Vanmorgen heb ik een aantal mensen eenvoudige vragen voorgelegd. Vragen over de geschiedenis. In mijn straat scoren oudere mensen het best. Ze mogen soms een eeuw abuis zijn, Willem van Oranje, pruiken en Provo’s kunnen ze aardig plaatsen. Jongeren hebben meer last van klokklepelverschijnselen. Willibrord was een zestiende-eeuwse kerkhervormer en leefde Jezus niet in de Middeleeuwen?

De historische canon uit 2007. Bron entoen.nu

De historische canon uit 2007. Bron entoen.nu

In Europa is Nederland waarschijnlijk het enige land dat nogal noncnalant met zijn eigen geschiedenis omspringt. ln buitenlandse talen zijn we goed, maar Michiel de Ruyter is vooral een straatnaam. En dat ons land twee Willem III’s aan het hoofd heeft gehad, een stadbouder en een koning – so what?

Kun je het jonge mensen bij mij in de straat kwalijk nemen dat ze nauwelijks weten wie Willem van Oranje was? Ze zijn van na 1968, het jaar waarin Den Haag de geschiedenis de das omdeed. De jeugd van nu wordt gebasisvormd en leeft in een studiehuis. Al jaren doen feiten er niet meer zo toe. Geschiedenis leverde in de slag om de vakkenpakketten een relatief groot aantal lesuren in. Zeker zo ingrijpend is dat de aard van het onderwijs is veranderd. Een leerling moet geen feiten, maar vaardigheden leren. In de schaarse beschikbare lesuren moeten degenen die nog geschiedenis volgen met bronnen uit de voeten kunnen en allerlei historische problemen zien te doorgronden zonder dat de feitelijke basisgegevens voorhanden zijn. Je kunt immers opzoeken wanneer Napoleon leefde en wie hij was?

Te gortig

Zo kan het dus gebeuren dat niet alleen willekeurige passanten bij mij in de straat, maar ook Leidse studenten de Vikingen beschuldigen van de Beeldenstorm. En zo kan het gebeuren dat hoge Haagse dames en heren Willem van Oranje in zestienhonderdzoveel bij Dokkum laten vermoorden, aldus een kennistest die het Historisch Nieuwsblad een aantal jaren geleden in de Tweede Kamer uitvoerde. Langzaam dringt het inzicht door dat hier wat moet veranderen. Dit wordt toch te gortig. Het is vooral de samenleving die om ‘ingrijpen’ vraagt. Soms denk je dat er beetje bij beetje weer belangstelling voor de vaderlandse geschiedenis groeit, en misschien zelfs een beetje trots op het eigen verleden. Rembrandt mocht er altijd al zijn, maar de VOC – om maar een dwarsstraat te noemen – was toch ook een aardig Nederlands product.

Er lijkt een kentering in het geschiedenisonderwijs te komen. Prof. dr. Piet de Rooy van de Commissie Historische en Maatschappelijke Vorming heeft in februari staatssecretaris Adelmund een rijtje van punten voorgelegd die moeten veranderen. Het rapport “Verleden, heden, toekomst” past eigenlijk helemaal niet in het Tweede-Fasedenken van actieve zelfwerkzaamheid in plaats van passieve kennis, Prof. De Rooy is een modern man. De samenleving bepaalt of en wat er veranderen moet. De basis daarvoor bedenkt hij niet zelf, ze komt niet voort uit een zeker gedachtegoed. “We hebben gepraat met vertegenwoordigers van de politiek, kranten, werkgevers en werknemers – de samenleving staat nu eenmaal niet in het telefoonboek. Daaruit bleek dat eruditie en historisch besef zeer op prijs gesteld worden”, vertelt hij een journalist van NRC Handelsblad. Aan het eerste, eruditie, komt De Rooy’s voorstel niet echt tegemoet, aan het tweede wel. Onomwonden luidt het advies van zijn commissie dat feitenkennis weer op de agenda moet.

Uit de oude doos

Een onmodieus voorstel. Dat het juist uit De Rooy’s mond komt, maakt het echter in brede kring wel acceptabel. De UvA-hoogleraar Nederlandse geschiedenis sedert de Middeleeuwen is een vlotgebekte, linkse Amsterdammer. Had een stoffige historicus, net opgedoken uit een of ander archief, de Nederlandse natie voorgehouden dat we aan het feiten leren moeten, dan was het ongetwijfeld een voorstel uit de oude doos geweest.

Prof. dr. A.Th. van Deursen heeft al eens gezegd dat “feiten en jaartallen de woordenschat van de geschiedenis vormen, en de structuren van het verleden de grammatica. Wie deze kennis niet bezit, kan niet in gesprek komen met het verleden.” Maar ook uit zijn mond – Van Deursen is toch een breed gerespecteerd man – had het voorstel net wat anders geklonken. Hij is niet zo’n tv-type.

Het is hoe dan ook De Rooy’s verdienste dat hij de tegenstelling tussen kennis en begnp weet te overbruggen. Hij zet jaartallen weer op de agenda, of maakt in elk geval de discussie daarover mogelijk. Die jaartallen staan binnen chronologische context; leerlingen hoeven niet blindelings rijtjes te stampen. De Rooy:

“Bij historisch besef gaat het niet om uitsluitend feitenkennis, maar staat de combinatie van kennis, inzicht en toepasbaarheid centraal. Chronologisch besef is hiervoor een voorwaarde.”

Download het complete artikel (pdf)

Jaargang 12 (2001) No 2