De Industriële Revolutie: mythe, werkelijkheid of nog iets anders?

De industriële revolutie is een van die grote historische concepten die zozeer zijn geijkt en beproefd, dat er net ais bij ‘de Verlichting en ‘de Reformatie’ vaak in hoofdletters werden gebruikt om het belang ervan aan te geven. Daarmee is niet gezegd dat het een onomstreden begrip is. Integendeel. Een aantal historici heeft het begrip omarmd omdat het verwijst naar de grote omslag in de sociaal-economische geschiedenis van de westerse wereld. Anderen ontkennen de werkelijkheidswaarde van de industriële revolutie echter hardnekkig en noemen het een mythe. Toch is de term zo ingeburgerd dat elk handboek over de West-Europese geschiedenis er wel een aantal bladzijden aan wijdt. Is dat terecht? Heeft het begrip industriële revolutie zijn waarde bewezen?

Het probleem

Arnold Toynbee (1852-1883) is de eerste geweest die het begrip industriële revolutie in de huidige betekenis heeft gebruikt. In zijn postuum uitgegeven Lectures on the Industrial Revolution in England (1884), is het duidelijk waar hij het omslagpunt legt.

‘The essence of the Industrial Revolution is the substitution of competition for the medieval regulations which had previously controlled the production and distribution of wealth.’

Het opmerkelijke van deze formulering is dat Toynbee de oorzaak buiten het economische proces legt. Hoewel hij er niet heel duidelijk over is, gaat zijn redenering in de richting van een combinatie van mentaliteitsverandering, de vergroting van het politieke en juridische machtsapparaat en sociaaleconomische ontwikkeling. Technologische groei was in Toynbees ogen eerder een gevolg dan de oorzaak van de industriële revolutie.

Arnold Toynbee. Bron Wikimedia

Arnold Toynbee. Bron Wikimedia

Dit uitgangspunt koos Toynbee met een duidelijk motief. Hij doceerde economische geschiedenis aan het Bailliol College te Oxford. Als gematigd socialist wilde hij enerzijds de economische geschiedenis uit het korset van getallen en statistiek bevrijden en anderzijds de versmalling tot een opeenvolging van technologische vernieuwingen voorkomen. Economische geschiedenis moest een meer sociale wetenschap worden. In feite bestreed hij het liberale triomfalisme dat laissez-faire-politiek en bevordering van concurrentie de vooruitgang bestemden. Zijn oog was gericht op de sociale consequenties.’The effects of the Industrial Revolution prove that free competition may produce wealth without producing well-being’, is de centrale stelling van zijn betoog. Toynbee erkende dus de industriële revolutie als een beslissende periode in de Britse geschiedenis, maar weigerde dit als eenduidige zegen voor het Engelse volk te aanvaarden.

Toynbee bracht met zijn opstelling een tweetal elementen in, die de discussie tot op dit moment beheersen. De eerste is het programmatische van de industriële revolutie. Was de industriële revolutie een symbool van vooruitgang en het teken van de homo economicus, die zich ontworstelde aan de natuurlijke gegevenheden? Of had – zoals Toynbee stelde – de industriële revolutie een januskop?

Download het complete artikel (Pdf)

Jaargang 14 (2003) No 4 – themanummer Industriële Revolutie