De hoogste tijd! Augustinus’ niet-lineaire tijdsbegrip

De globalisering heeft sinds de jaren negentig van de vorige eeuw een hoge vlucht genomen en is sindsdien een belangrijk thema geworden in politiek en wetenschap. Gezien de huidige preoccupatie met terrorisme is het begrijpelijk dat de aandacht vooral uitgaat naar de wijze waarop globalisering spanningen tussen culturen veroorzaakt. Volgens de filosoof Hans Achterhuis wordt daarbij één bron van spanningen veronachtzaamd, namelijk ‘de wereldwijde strijd om zeggenschap over de eigen tijd’.

Hans Achterhuis

Achterhuis stelt dat door de globalisering verschillende opvattingen over tijd botsen. Hij maakt onderscheid tussen enerzijds de moderne opvatting van tijd als leeg begrip, waarin naar believen evenementen kunnen worden geprogrammeerd, en anderzijds de idee van gevulde tijd die kenmerkend is voor premoderne culturen en religies, waarin de tijd gestructureerd wordt aan de hand van culturele of religieuze tijdsordeningen. Daarnaast hecht Achterhuis grote betekenis aan het verschil tussen de westerse lineaire en de niet-westerse cyclische voorstelling van tijd. De lineaire tijdsopvatting van het christelijke Europa was volgens hem van doorslaggevend belang bij het ontstaan van het westerse overwicht in de wereld. De toekomstgerichtheid van het christelijke tijdsbewustzijn zou er toe hebben geleid dat de Europeanen doelbewust voorwaarts streefden en (militair) superieur waren op het gebied van disciplinering en ‘seriële organisatie’.

Christelijke, (niet-)lineaire tijd

Achterhuis hecht dus veel betekenis aan de christelijke, lineaire visie op de tijd en staat daarin niet alleen. In dit essay betoog ik echter dat het traditioneel-christelijke tijdsbegrip in veel opzichten eerder statisch of tijdloos was dan lineair. Dit betekent tevens dat er opnieuw nagedacht moet worden over de oorsprong van het moderne westerse tijdsbegrip, dat volgens de ‘standaardopvatting’ lineair is vanwege zijn christelijke wortels. De centrale figuur in dit essay is de kerkvader (Sint) Augustinus (354-430). Zijn ideeën over tijd en geschiedenis hadden in de Middeleeuwen een enorme autoriteit binnen de christenheid. Het traditioneel-christelijke tijdsbegrip wordt ook vooral op grond van zijn geschriften als lineair bestempeld. In de eerste paragraaf geef ik de belangrijkste redenen daarvoor. Vervolgens komt het cruciale punt aan de orde dat Augustinus’ visie op tijd begrepen moet worden vanuit zijn religiositeit. Dat werpt een ander licht op het ogenschijnlijk lineaire christelijke tijdsbegrip, zoals in paragraaf twee en drie aangetoond wordt aan de hand van Augustinus’ geschiedopvatting en zijn Stad van God. In het slot volgt, na de conclusie, een epiloog over de vraag waar het moderne lineaire tijdsbegrip wél vandaan komt.

1. Het ‘lineaire’ traditioneel-christelijke tijdsbegrip

Begin, eind, richting

Op het eerste gezicht staat buiten kijf dat de tijd in de christelijke visie lineair is. Er is een duidelijk begin – de schepping – en een duidelijk einde – het einde der tijden, gevolgd door Gods eeuwige Koninkrijk. Er is echter pas sprake van lineariteit wanneer tevens een duidelijke ‘richting’ of ‘lijn’ in de tijd is aan te wijzen, bijvoorbeeld in de vorm van een zinvolle ontwikkeling. Anders zou er sprake zijn van een weliswaar eindige, maar statische toestand.

Voor de aanwezigheid van die ‘richting’ in de christelijke tijdsopvatting pleit in de eerste plaats dat de christelijke heilsgeschiedenis belangrijke eenmalige, niet herhaalbare en onomkeerbare gebeurtenissen kent, zoals de kruisiging en opstanding van Christus. In de tweede plaats geloven christenen in voorzienigheid. Omdat ze overtuigd zijn dat God zich mengt in gebeurtenissen op aarde en alles bestuurt, bestaat er voor christenen een zinvolle ontwikkelingslogica in de geschiedenis.

Augustinus

Deze kenmerken van een lineaire tijdsorde zijn door Augustinus op eloquente wijze geformuleerd, vooral in De stad van God en Belijdenissen. Hij zette zich af tegen het cyclische wereldbeeld van de Oude Grieken en Romeinen. Voor de klassieke filosofen was tijd vooral een objectieve, meetbare, externe uitgestrektheid, die zij verbonden aan de circulaire bewegingen van de hemellichamen. Daarom meenden zij dat ook de menselijke geschiedenis een repetitief patroon kende. Gebeurtenissen uit het verleden zouden herhaaldelijk opnieuw plaatsvinden, zonder finaal doel, overstijgende zin of betekenis. Augustinus bestreed dat de tijd geassocieerd moest worden met de bewegingen van de hemellichamen of andere natuurlijke cycli. Hij stelde dat de tijd de neiging had om niet te zijn: het verleden bestaat niet meer, de toekomst nog niet en het heden is vluchtig – zodra we ons bewust worden van het ‘nu’ is het alweer verleden tijd. Dit riep volgens Augustinus de vraag op wat we eigenlijk meten wanneer we tijd meten. Zijn antwoord was: iets in de menselijke geest. Dáár bevond zich het verleden in de vorm van herinnering, het heden als aandacht en de toekomst als verwachting. Zo introduceerde hij het concept van de distentio animi, de uitgestrektheid van de geest – of ziel. Bij Augustinus stond dus het subjectieve aspect van de tijd centraal, terwijl dat bij de klassieke filosofen het objectieve aspect was. Doordat hij de tijd loskoppelde van de cyclische banen van de hemellichamen, gaf hij een filosofische grondslag voor het loslaten van het cyclische tijdbegrip.

Zo schiep Augustinus de ruimte voor een lineaire tijdsopvatting, die vooral naar voren kwam in zijn schets van Gods heilsplan. Hij onderscheidde naar analogie van het scheppingsverhaal zes tijdperken in de geschiedenis van de mensheid, waarbij elke scheppingsdag een tijdperk symboliseert. Het eerste tijdperk liep van Adam tot de zondvloed, het tweede van Noach tot Abraham, het derde van Abraham tot David, het vierde van David tot de Babylonische ballingschap en het vijfde van de ballingschap tot de geboorte van Jezus Christus. Het zesde tijdperk was het christelijke tijdperk dat zich bevond tussen de eerste komst van Chirstus en Zijn wederokomst aan het einde der tijden, gevolgd door de eeuwige rust van een zevende tijdperk, naar analogie van de zevende scheppingsdag waarop God rustte van zijn werk. Augustinus meende dat de mensheid door deze tijdperken heen gegroeid was: ‘De juiste opvoeding van het menselijk geslacht vond, voor zover het Gods volk betreft, op dezelfde wijze plaats als die van één mens. Evenals bij één mens de leeftijden elkaar opvolgen, ging de opvoeding bij dat volk langs bepaalde tijdsgewrichten voorwaarts en maakte zij aldus de opstijging mogelijk van het tijdelijke naar het vatten van het eeuwige, en van het zichtbare naar het onzichtbare.’

Een kwestie van geloof

Gezien het voorgaande lijkt het zonneklaar dat het augustinaanse, traditioneel-christelijke tijdsbegrip lineair was. De typering van dit tijdsbegrip als lineair is echter problematisch, omdat die is gebaseerd op concepten over tijd die pas later zijn ontstaan en terugge- projecteerd op – vooral – de ideeën van Augustinus. Essentieel is bovendien de constatering van onder andere Karl Löwith dat Augustinus het heidense cyclische tijdsbegrip niet verwierp op grond van zijn rede, maar van zijn geloof en de bijbel. Deze Duits-joodse filosoof waarschuwde tevens dat een theologisch begrip van de geschiedenis niet zomaar vertaald kan worden in wereldhistorische termen of in een filosofisch systeem. Augustinus’ geschriften moeten, kortom, als geloofsuitingen opgevat worden en niet als wijsgerige traktaten. Zoals uit de volgende paragrafen zal blijken, komt Augustinus’ tijdsopvatting hierdoor in een heel ander perspectief te staan.

2. Augustinus’ theologie van de geschiedenis

Gods heilgeschiedenis

Augustinus schets van de wereldgeschiedenis in zes tijdperken kent ogenschijnlijk een lineair patroon, maar door zijn religiositeit blijft daar weinig van over. Voor de kerkvader waren bedoeling en orde, de lijn in zowel de heilsgeschiedenis als de seculiere geschiedenis, alleen bij de soevereine God bekend en van Hem afhankelijk. De christelijke God is ondoorgrondelijk en eeuwig, Zijn plannen konden daarom niet in een menselijk rationeel of causaal tijdelijk verband geplaatst worden. Voor gelovige christenen was het niet mogelijk om een orde in de geschiedenis te zien. Dit was niet alleen het gevolg van hun eventuele chaotische levensomstandigheden, maar in de eerste plaats een theologisch uitgangspunt. Löwith schrijft hierover: ‘What to us seems as a lack in Augustine’s understanding and appreciation of secular history is due to his unconditional recognition of God’s sovereignty in promoting, frustrating, or perverting the purposes of man.’

De seculiere geschiedenis had bovendien weinig belang in de ogen van Augustinus en zijn middeleeuwse adepten. Het christelijke geloof richtte hun aandacht op het onzichtbare en eeuwige. Middeleeuwse geleerden zochten kennis en waarheid in de essentie of speciale kwaliteiten van de dingen, niet in tijdelijke aspecten, zoals het moment in de geschiedenis of veranderingen in de loop van de tijd. De middeleeuwse geschiedschrijving was dan ook ondergeschikt aan de theologie en aan Gods eeuwige, onveranderlijke waarheden. Historici spreken daarom van ‘theologie van de geschiedenis’. Het ging, zogezegd, om de theologische moraal van het geschiedverhaal. Dit leidde tot een geschiedschrijving met een sterk evenementieel karakter. Historieschrijvers vertelden over gebeurtenissen als veldslagen en troonsopvolgingen, terwijl ze geen belangstelling hadden voor ontwikkelingen in de menselijke samenleving. Wanneer historische gebeurtenissen plaatsvonden, was irrelevant, zoals blijkt uit de in moderne ogen onzorgvuldige datering daarvan door Augustinus en middeleeuwse geleerden. Wel pasten middeleeuwers lessen uit de geschiedenis toe op hun heden. Dat impliceert dat zij heden en verleden niet als wezenlijk verschillend beschouwden – en dus eerder een statisch wereldbeeld dan een lineaire tijdsopvatting hadden!

Gods ingrepen

Toch sprak Augustinus van groei in de wereldgeschiedenis, waarbij hij een analogie zag tussen de zes tijdperken en de ontwikkeling van een mens langs verschillende levensfasen. Het betreft hier echter een specifiek soort groei. De overgangen tussen de tijdperken zijn abrupt; ze zijn niet het logische gevolg van een lineaire ontwikkeling in de menselijke geschiedenis, maar komen tot stand door Gods onvoorspelbare ingrepen: God schept hemel en aarde, God vernietigt bij de zondvloed de hele mensheid op Noach en zijn familie na, et cetera. De tijdperken zelf, tussen de abrupte veranderingen in, hebben een statisch karakter. De voorwaartse lijn in Augustinus’ schema is daarom wezenlijk anders dan de moderne Westerse notie van de geschiedenis als proces.

Michiel Karskens maakt in dit verband een zinvol onderscheid tussen aardse geschiedenis en heilsgeschiedenis. In de aardse geschiedenis kan volgens hem niet van enige vooruitgang of ontwikkeling gesproken worden. De aardse geschiedenis evolueert niet in de richting van een toekomst, omdat die toekomst bestaat uit een eenmalige gebeurtenis die niet van deze wereld zal komen. De heilsgeschiedenis is weliswaar transcendent en staat daarom in zekere zin boven de tijd, maar kent niettemin een lineaire tijd, aldus Karskens. Die lineaire tijd kreeg, betoogt hij, gestalte in bijzondere gebeurtenissen die de heilsgeschiedenis hebben verbonden met de aardse, tijdelijke wereld: de ingrepen van God die tijdsbreuken veroorzaakten.

Personalia

Timo (T.C.) Bolt (1973) is ergotherapeut in ruste en studeerde tevens geschiedenis, met als specialisatie vergelijkende wetenschapsgeschiedenis, aan de Universiteit Utrecht waar hij in januari 2009 cum laude afstudeerde. In 2008 publiceerde hij samen met historica dr. Leonie de Goei een boek over de geschiedenis van de kinderpsychiatrie: Kinderen van hun tijd. Zestig jaar kinder- en jeugdpsychiatrie in Nederland, 1948-2008 (Assen 2008). Momenteel is hij als onderzoeker verbonden aan het Onderzoeksinstituut voor Geschiedenis en Cultuur (OGC) van de Universiteit Utrecht.

Het volledige artikel, met voetnoten, vindt u in Transparant 20.3

Jaargang 20 (2009) No 3 – themanummer confessionele politiek