De gereformeerd-vrijgemaakte en bevindelijk-gereformeerde cultuur te midden van de jaren zestig

Met het verdwijnen van de traditionele zuilen in de naoorlogse tijd, verrezen nieuwe, orthodox- protestantse zuilen. Deze bijdrage over verzuiling besteedt specifiek aandacht aan de herzuiling die in orthodox-christelijke kring optrad, nadat in de jaren zestig en zeventig de ontzuiling van de grote traditionele zuilen zijn beslag had gekregen.

“Bonter dan de veelkleurige rok, die eens vader Jacob zijn liefste zoon schonk, was tot voor kort het geheel van exclusieve organisaties, waarin de katholieken van Nederland hun programmatische apartheid in de natie demonstreerden. (…) Niet alleen bad hij anders dan zijn meeste buren, hij stemde ook anders, las andere boeken en kranten, luisterde naar een eigen omroep, keek naar een eigen beeldbuis, reisde, zwom, fietste, tenniste, biljartte, voetbalde en verzekerde zijn leven en zijn inboedel in rooms verband. (…) Er waren zelfs pleiters voor roomse gevangenissen, aparte kazernes voor roomse soldaten en roomse rederijen voor roomse emigranten en toeristen, alles zoveel mogelijk te bedienen door ‘eerwaarde broeders en zusters’.” Aldus professor Rogier over de rooms-katholieke organisaties.

De woorden waarmee Rogier de katholieke organisatiedrift beschrijft, klinken licht ironisch. De organisatie van het katholieke leven ging hem te ver. Inmiddels zijn veel van deze organisaties verleden tijd. Zoals de rok van Jozef aan flarden ging. Tegelijkertijd presenteerden organisaties van andere geestelijke signatuur zich in een nieuwe veelkleurigheid. Met het verdwijnen van de traditionele zuilen in de naoorlogse tijd, verrezen nieuwe, orthodox-protestantse zuilen. Deze bijdrage over verzuiling besteedt specifiek aandacht aan de herzuiling die in orthodox-christelijke kring optrad, nadat in de jaren zestig en zeventig de ontzuiling van de grote traditionele zuilen zijn beslag had gekregen.

Dit artikel beoogt een beschrijving en – voor zover mogelijk – een beoordeling te geven van dit betrekkelijk nieuwe verschijnsel van herzuiling. Bij de beschrijving van de herzuiling beperken we ons tot de zuilvorming in de bevindelijk gereformeerde en gereformeerd-vrijgemaakte kring. De beperking tot deze twee bevolkingsgroepen vloeit voort uit de keuze voor een bepaalde definitie van ‘zuil’ en ‘verzuiling’. ‘Verzuiling’ duidt in dit artikel op “het proces waarbij de leden van een samenleving zich organiseren in blokken op levensbeschouwelijke grondslag.” Een zuil is “een geïntegreerd complex van maatschappelijke organisaties of instellingen op levensbeschouwelijke grondslag.”

Deze definities beschrijven de verzuiling vanuit sociologisch oogpunt. Waar een hecht organisatienetwerk op grond van een specifieke identiteit ontbreekt, is nog geen sprake van een zuil. Dat laatste geldt voor organisaties met een specifiek evangelische of een gemengd evangelisch-reformatorische identiteit: Evangelische Omroep (EO), Evangelische Hogeschool (EH), Reformatorisch Politieke Federatie (RPF), enzovoorts. De minister van onderwijs wees eind 1992 om deze reden de stichting van school op evangelische basis van de hand. Er was volgens hem geen sprake van een eigen richting.

In dit artikel wordt ruim aandacht besteed aan de geschiedenis van de twee orthodox-protestantse zuilen. Daarom kunnen we in de inleiding met een korte typering volstaan. 4 De bevindelijk gereformeerden (zo’n 250.000) conformeren zich leerstellig aan de Drie Formulieren van Enigheid. Met name de persoonlijke beleving van deze leer staat in de prediking centraal. Uiterlijk is deze groep (grotendeels) herkenbaar aan kleding, haardracht en het in acht nemen van de zondagsheiliging. Men distantieert zich van sport en culturele activiteiten. De vrijgemaakt-gereformeerden (zo’n 118.000) zijn minder gemakkelijk op uiterlijke kenmerken te selecteren. Zij kenmerken zich eerder door een vasthouden aan de gereformeerde leer zoals zij die zuiver gehandhaafd weten in de Gereformeerde Kerken (Vrijgemaakt). Deze kerkelijke identiteit bepaalt voor een aanzienlijk deel de identiteit van de aan deze groep verbonden organisaties.

De beschrijving van de verzuiling binnen deze twee zuilen met een gereformeerde identiteit kan niet los gezien worden van haar voorgeschiedenis. In de negentiende eeuw ligt een gemeenschappelijk verleden. In deze eeuw tekent zich echter ook al een scheiding van geesten af die later manifester zal worden in de twee beschreven zuilen. Bij de beschrijving van de geschiedenis zal de aandacht vooral gericht zijn op die organisaties die een wezenlijke steen bijdragen aan de zuil. Dit geldt dan vooral voor de terreinen van het onderwijs, de politiek en de media.

Na een vergelijking van beide zuilen eindigt dit artikel met een vooruitblik en beoordeling van de kracht van de herzuiling. Het zal blijken dat – onder zekere voorwaarden en met kritische kanttekeningen – de verzuiling binnen vrijgemaakt-gereformeerde en bevindelijk-gereformeerde kring een legitieme poging is om de essentie van het bijbels getuigenis te bewaren zowel voor het nageslacht als voor de cultuur.

De kerkhistorische verworteling van de twee zuilen in de vorige eeuw

De negentiende eeuw is van diep ingrijpende betekenis geweest voor het kerkelijk leven in Nederland; de vaderlandse kerk onderging een paar flinke aderlatingen. In 1834 vond de Afscheiding plaats. Velen volgden ds. H. de Cock van Ulrum en keerden de Nederlandse Hervormde Kerk de rug toe. Een volgende aderlating voltrok zich toen ds. L.G.C. Ledeboer in 1841 door de synode werd afgezet en hij eigen gemeenten ging stichten. Aan het eind van de vorige eeuw, in 1886, verliet opnieuw een grote groep mensen de vaderlandse kerk onder leiding van dr. A. Kuyper (de Doleantie).

De manier waarop verschillende groepen zich in de vorige eeuw losmaakten van de Hervormde Kerk laat al iets zien van de verschillende posities die in de twintigste eeuw ten opzichte van de participatie in heterogene verbanden zouden worden ingenomen. De Afscheiding was een onontkoombare gebeurtenis. Een schorsing zou het onvermijdelijke gevolg zijn van zijn protest tegen de onrechtzinnige ontwikkelingen in de Hervormde Kerk. Niet lang na de Afscheiding kwam aan het licht dat er ook binnen de Afgescheiden groepen verschil van inzicht bestond. Sommigen wilden wel erkenning bij de overheid aanvragen voor een eigen kerkformatie. Anderen weigerden dit beslist. De laatste groep, die de Gereformeerde Kerken onder het Kruis ging heten, wilde de brug naar de Hervormde Kerk niet te snel ophalen. Eenzelfde houding namen even later de Ledeboeriaanse Gemeenten aan. Ledeboer heeft lange tijd gewacht met het stichten van eigen gemeenten en het bedienen van de sacramenten daarbinnen. Ook hij wilde, wanneer dat maar enigszins mogelijk zou zijn, terugkeren naar de Hervormde Kerk.

Deze twee stromingen, die het meest kritisch bleven staan ten opzichte van de vorming van een eigen kerkverband naast de Hervormde Kerk, zijn uiteindelijk in het begin van de twintigste eeuw samengekomen in het verband van de Gereformeerde Gemeenten. Deze gemeenten, in 1907 samengebracht door de jonge ds. G.H. Kersten, hebben een belangrijk aandeel gehad in de organisatie van de reformatorische bevolkingsgroep. De vorming van een eigen, meer geordend kerkverband heeft bevorderd dat deze groep de eigen zelfstandige positie naast de Hervormde Kerk al meer is gaan accepteren. De gedachte dat de breuk met de vaderlandse kerk, de zogenoemde ‘Breuke Sions’ beleden en beleefd moet worden is sindsdien steeds minder actueel geworden.

De andere Afgescheiden stroming, die erkenning vroeg bij de overheid, is met een deel van de Gereformeerde Kerken onder het Kruis samengekomen in het verband van de Christelijke Gereformeerde Kerken in 1869. Dit verband is in 1892 tot een nieuwe fusie gekomen met de uit de Doleantie voortgekomen gemeenten. Ook hier kon niet iedereen zich vinden in de fusie. De groep die niet meeging met deze fusie bleef zich de Christelijke Gereformeerde Kerken noemen. De nieuw gevormde kerk ging verder als Gereformeerde Kerken in Nederland door het leven.

De Gereformeerde Kerken hadden in Abraham Kuyper een krachtig leider. Hij stichtte een eigen partij, universiteit en verder alles wat nodig was om door middel van eigen organisaties de cultuur te herkerstenen. Alle levensgebieden dienden te komen onder de heerschappij van Christus. Twee noties vormden het fundament van zijn activiteiten: de leer van de antithese en de leer van de gemene gratie. De antithetische relatie tot niet-wedergeborenen bracht hem tot het stichten van eigen organisaties. Vervolgens was het hem op grond van de leer van de gemene gratie mogelijk te komen tot vergaande vormen van samenwerking met andersdenkenden.

Kuyper had een groot gezag in de Gereformeerde Kerken. Zo nam de synode van 1905 de opvattingen van Kuyper ten aanzien van verbond, doop (veronderstelde wedergeboorte) en gemene gratie over. Na zijn dood bleef zijn invloed merkbaar, maar kwamen zijn ideeën ook in discussie. Het opkomend Barthianisme en historisch-kritisch bijbelonderzoek deden hun invloed gelden. Anderzijds rees hiertegen verzet en poogde met name dr. K. Schilder de erfenis van Kuyper in een klassiek gereformeerd spoor te leiden. Toen dan ook in 1942 enkele leerstellingen van Kuyper werden voorgeschreven door de synode, weigerden Schilder c.s. in 1944 hierin verder mee te gaan. Zij maakten zich vrij van de synodebesluiten, waartoe zij meenden gerechtigd te zijn op grond van artikel 31 van de Dordtse Kerkorde. Vandaar dat de uit de Vrijmaking voortgekomen kerken dit artikel aanvankelijk ook in hun naam opnamen. Deze toevoeging had, evenals de latere toevoeging ‘vrijgemaakt’, geen andere dan postale functie. Zij zagen zichzelf als de wettige voortzetting van de Gereformeerde Kerken in Nederland, niet alleen vanaf 1892, maar eigenlijk al vanaf de Reformatie.

De Vrijmaking had reformatorische allure. Deze reformatie die in de kerk was begonnen, moest nu doorwerken op alle levensterreinen. In deze gedachte van ‘doorgaande reformatie’ is de invloed van Kuyper merkbaar. De Vrijgemaakten namen deze doorgaande reformatie met kracht ter hand. De christen had een actieve rol te vervullen in het bouwen en bewerken van de aarde (cultuurmandaat). Een eigen christelijke cultuur als een voorbode en voorbereiding op het komend Koninkrijk vormde het ideaal.

Zoals in de inleiding al is vermeld, heeft de bevindelijke gereformeerde zuil, in tegenstelling tot de gereformeerd-vrijgemaakte zuil, een interkerkelijk karakter. De Gereformeerde Gemeenten maken er een belangrijk deel van uit. Deze Gemeenten zijn in 1953 gesplitst. Het daaruit ontstane verband van de Gereformeerde Gemeenten in Nederland beleefde in de tachtiger jaren nog een breuk, zodat er nu drie verbanden van Gereformeerde Gemeenten zijn. Bij de vereniging van 1907 bleven enkele Ledeboeriaanse gemeenten zelfstandig. Zij vormen de Oud-Gereformeerde Gemeenten, al of niet binnen een verband. Verder is een deel van de Christelijke Gereformeerde Kerken te rekenen tot de bevindelijk-gereformeerden, evenals dat deel van de Hervormde Kerk dat behoort tot de rechterflank van de Gereformeerde Bond en zij die zich ter rechterzijde daarvan groeperen rond het blad Het gekrookte riet.

Ontstaan van de reformatorische zuil: de SGP en het reformatorisch onderwijs

De Gereformeerde Gemeenten hebben onder de stuwende leiding van ds. G.H. Kersten een belangrijke rol vervuld bij de vorming van een eigen zuil. Zo behoorden de initiatiefnemers tot de oprichting van de Staatkundig Gereformeerde Partij (SGP) tot de Gereformeerde Gemeenten. In 1918 werd deze partij te Middelburg opgericht door vertegenwoordigers van kiesverenigingen die zich in het jaar daarvoor reeds hadden gevormd. 5 In dat jaar was ook bet algemeen mannenkiesrecht en het stelsel van evenredige vertegenwoordiging ingevoerd, zodat een nieuwe partij niet bij voorbaat kansloos was bij de verkiezingen.

Ds. Kersten hield tijdens de oprichtingsvergadering van 1918 een belangwekkende rede waarin duidelijk naar voren komt wat de cultuur is van de mannen tegen wie hij sprak. Tevens komt in zijn woorden het profiel van zijn eigen visie op kerk en maatschappij tot uitdrukking. Het beeld dat anderen van hen hebben, schetst Kersten met de woorden “achterlijk, conservatief, domperig, zwaarmoedig, mystiek.” Kersten meldt ook dat hij en de zijnen niet-hervormd en ook niet-gereformeerd zijn. Niet-hervormd, omdat er in de kerk voor hen geen plaats was, en niet-gereformeerd, omdat de leer van de veronderstelde wedergeboorte en de daarmee samenhangende verbondsbeschouwing de hunne niet is.

Het verschil in geestelijk klimaat is doorslaggevend. De typering die Kersten daarvan geeft, geldt tot de dag van vandaag als het bijvoorbeeld gaat om de verhouding van de bevindelijk-gereformeerden tot de EO en andere evangelische, maar ook vrijgemaakte organisaties. Kersten zegt: “wij kunnen niet zoo bidden, zoo geloven, zoo jubelen en danken. Wij blijven bij die geestelijke harddravers verre, verre achter.” Het ging ds. Kersten en de zijnen allemaal te gemakkelijk bij de gereformeerden. Zij dachten te lichtvaardig over geloof en bekering.

Na zo de positie naar buiten toe afgebakend te hebben, richtte Kersten zich tot zijn geestverwanten. Hij verweet hen halfslachtigheid en onverschilligheid ten aanzien van bet politieke leven. Deze houding zag hij in de steun die zijn geestverwanten gaven aan andere partijen. Daartegenover stelde ds. Kersten de eigen roeping van de christen in het politieke en maatschappelijke leven. Deze roeping vond zijn weerslag in het beginselprogramma dat tijdens de oprichtingsvergadering werd aangenomen. Het zou de SGP voortaan gaan om “de handhaving en doorwerking van de beginselen” (art. 2). Uit deze formulering blijkt dat de SGP van meet af aan het oog gehad heeft op het gehele volk en de gehele maatschappij. Dit in tegenstelling tot de geestelijke houding die tot dan toe was ingenomen.
De SGP kreeg langzamerhand voet aan de grond binnen de bevindelijke kringen. In 1922 kwam ds. Kersten in de Tweede Kamer. Vervolgens traden ook personen van buiten de Gereformeerde Gemeenten toe tot de SGP. Eerst ds. Zandt, die, al voordat de SGP ontstond, zich geroepen wist tot het parlementaire werk en zich daar ook daadwerkelijk op voorbereidde. Later ook ir. C.N. van Dis, lid van de Christelijke Gereformeerde Kerken.

Onderwijs

De uitbouw van het bevindelijk gereformeerd onderwijs is niet los te zien van het werk van ds. Kersten. Evenals dat voor de vorming van een politieke partij gold, waren er ook nu weer gunstige overheidsmaatregelen die het mogelijk maakten tot de stichting van eigen scholen over te gaan. Tot dan toe gingen de kinderen voor een deel naar algemeen christelijke of gereformeerde scholen. De leer van de veronderstelde wedergeboorte die hier werd uitgedragen, stond echter haaks op het belijden van de ouders. Daarom stuurden verschillende ouders hun kinderen dan ook naar de openbare school. En dan was er ook een groep die de toegang tot de school indirect werd geweigerd, omdat ze niet gevaccineerd waren.

De Lager Onderwijswet van De Visser uit 1920, die een gevolg was van de onderwijspacificatie van 1917, markeerde het moment waarop er meer mogelijkheden kwamen tot schoolstichting. Vanaf dat moment was het mogelijk om met rijkssteun scholen van eigen richting te starten. Dit betekent niet dat er daarvoor geen sprake was van eigen onderwijs. Onder de Kruisgezinden en Ledeboerianen werd ook al in de vorige eeuw eigen onderwijs gegeven, naast de scholen van de Christelijke Afgescheiden gemeenten. Begin twintigste eeuw werd in Lisse (1905) een eigen school gesticht, in 1910 te Opheusden en in 1913 in Borssele.

Hoewel er de jure vanaf 1920 de mogelijkheid bestond scholen van eigen richting met overheidssteun te beginnen, waren de facto de mogelijkheden beperkt voor de bevindelijk gereformeerden. Er was namelijk een regel dat scholen verzekerd dienden te zijn, en verzekeren was evenals vaccineren in strijd met de geloofsovertuiging van een groot deel der bevindelijken. Vrijstelling was vanaf 1922 mogelijk, maar toch werden ondanks deze vrijstelling het merendeel van de dertig scholen die tussen 1920 en 1940 werden gebouwd door de ouders zelf betaald.

De motieven voor het stichten van eigen scholen moesten wel zwaarwegend zijn als zulke zware financiële offers gebracht moesten worden. De bezwaren tegen de bestaande onderwijsvormen namen inderdaad sterk toe. Op menige christelijke school werd een algemene verzoeningsleer gebracht. In de Gereformeerde Kerken voerde het verbondsoptimisme al de boventoon, maar daarnaast werden allerlei theologische nieuwigheden ingevoerd. Zo zorgde bijvoorbeeld de kwestie-Geelkerken in 1926 voor de nodige beroering. De doopbelofte woog in het licht van deze ontwikkelingen zwaar. Kerk, gezin en school werden gezien als een eenheid.

Naast de moeilijkheden met de overheid was er ook het probleem van het ontbrekend kader: een tekort aan onderwijzers en bekwame bestuurders. Ds. Kersten, die dit probleem scherp aanvoelde, richtte niet voor niets een onderwijzersvereniging (GOV, later GOLV) en een besturenorganisatie (VGS) op om dit probleem het hoofd te bieden door elkaar zoveel mogelijk tot een hand en een voet te zijn. Dat de bevindelijk gereformeerden hun politieke roeping gingen verstaan, heeft het organiserend vermogen van deze groep bevorderd. De schoolstichting vond nogal eens plaats vanuit bestaande Gereformeerde Gemeenten of SGP-kiesverenigingen. Het gebrek aan kader bleef de verdere verwezenlijking van de idealen belemmeren.

Typering van het naoorlogse geestesklimaat

Hoewel al voor de oorlog bepalende stappen gezet waren in het proces van bevindelijk gereformeerde zuilvorming, speelde de eigenlijke zuilvorming in bevindelijk gereformeerde kring zich na de oorlog af. Voor het eerst verenigde het bevindelijk gereformeerde deel van de bevolking zich in de huidige samenstelling bij de stichting van een eigen onderwijzersopleiding: ‘De Driestar’. Van een gereformeerd-vrijgemaakte zuil is ook pas sprake na de oorlog. De resultaten van de Vrijmaking uit 1944 op andere maatschappelijke terreinen kregen eerst na de oorlog duidelijk vorm. Dat de zuilvorming na de oorlog en wel in het bijzonder in de jaren ’60 en ’70 haar beslag kreeg, heeft alles te maken met de algemene kerkelijke, politieke, maatschappelijke en culturele ontwikkelingen. Voor een goed begrip van de naoorlogse herzuiling in orthodox-christelijke kring is het nodig een globale schets te geven van het geestesklimaat waarin de bestaande confessionele zuilen ten onder gingen. Een vijftal kernwoorden geeft de naoorlogse ontwikkelingen treffend weer: wederopbouw, welvaart, onrust, televisie en secularisatie. Geen van deze ontwikkelingen staat op zichzelf.

De ontwikkelingen op politiek gebied laten duidelijk zien hoe de secularisatie toesloeg en hoe langzamerhand de zuilen werden afgebroken. Direct na de oorlog keerden de confessionele formaties terug, zoals ze ook al voor de oorlog hadden bestaan. Hoewel de socialisten in 1946 met de rooms-katholieken een coalitie vormden, zou het nog tot 1967 duren voordat de confessionele meerderheid verdwenen was. Het zuilenbestel had, zo leek het, na de oorlog nog niets aan kracht ingeboet. Het waren de mannen van de doorbraak die de naoorlogse politiek wilden vernieuwen. Onder leiding van de Partij van de Arbeid zou een brede politieke beweging moeten ontstaan, die de terugkeer tot het oude verzuilde systeem zou moeten verhinderen. Partijvorming op basis van confessionele identiteit was voor hen een gepasseerd station. De doorbraak mislukte. In weerwil van het streven van de doorbrekers, herstelde de vooroorlogse politieke partijvorming op confessionele basis zich weer in de jaren veertig en vijftig.

Desalniettemin nam de kracht van de confessionele partijen langzamerhand af ten gunste van de Partij van de Arbeid (PvdA) en later ook ten gunste van nieuwkomers op het politieke erf. In 1967 bereikte deze ontwikkeling een mijlpaal toen bij de Katholieke Volkspartij (KVP) en Christelijk-Historische Unie (CHU) grote klappen vielen en links sterk groeide. Partijen die niet pasten in het traditionele zuilensysteem deden het goed. Een nieuwe partij als D’66 scoorde hoog en de nog jonge Boerenpartij verdubbelde haar zeteltal. De verkiezingsuitslag van 1967 markeerde op deze manier het einde van het verzuilde bestel. 14 De neergang van de confessionele partijen zette zich voort in de jaren ’70. Bij de verkiezingen in 1971 leden zij opnieuw fors verlies. Mede om verdere verliezen te voorkomen, zochten de grotere christelijke partijen steun bij elkaar. In 1973 vormden zij een federatie, die in 1980 zou uitlopen op de vorming van één partij, die zich vervolgens in de jaren ’80 zou ontpoppen als een machtige middenvelder in de politieke strijd: het Christen-Democratisch Appèl.

Een tweede belangrijke factor is de welvaartsontwikkeling in de naoorlogse jaren. Na de ontberingen in de fase van wederopbouw direct na de oorlog, braken in de jaren zestig de betere jaren aan. De ouderen konden de vruchten nu plukken van hun noeste herstelarbeid. In ieder gezin kwam een koelkast en een televisie. De auto voor de deur symboliseerde verder de toegenomen rijkdom en mobiliteit. Deze toegenomen welvaart versterkte het gevoel dat er buiten deze werkelijkheid niets meer nodig was. De welvaart bracht, om met de woorden van Marcuse te spreken, de ééndimensionale mens voort.

De toename van de welvaart bracht niet alleen rust en genot. De eerste naoorlogse generatie liep stuk op de gezapigheid en de vanzelfsprekendheid waarmee de ouderen deze welvaart genoten, zonder in hun ogen te letten op het gebrek aan welzijn dat er mee gepaard ging. De jongere generatie vroeg nadrukkelijk om aandacht voor de sociaal zwakkeren en minder bedeelden. Er was hier niet slechts sprake van een meningsverschil. De conflicten tussen de generaties, tussen jonge intellectuelen en de autoriteiten, liepen soms hoog op. Bekend zijn de Provo-beweging, de Maagdenhuis-bezetting en de studentenprotesten. Naast een protest tegen de consumptiecultuur klinkt hierin ook de roep om medezeggenschap door, die weldra breed zou worden gedragen en gehonoreerd in de maatschappij.

Als onderdeel van de toenemende welvaart gold de introductie van de televisie. De culturele betekenis hiervan is moeilijk te overschatten. De televisie had een geweldige invloed op het culturele leven door zowel de opiniërende als de verstrooiende functie ervan. Men spreekt wel over ‘de bedwelmende invloed’ die de televisie uitoefende. De komst van de televisie is voor de teloorgang van de oude zuilen ook van verstrekkende betekenis geweest. De televisie betekende niets anders dan het einde van de zuilgebonden informatieverstrekking. De burger kon voortaan zelf kiezen wat en wie hij wilde zien en waar hij als het ware bij aanwezig wilde zijn.

De hierboven geschetste ontwikkelingen, waren uitingen van de crisis waarin normen en waarden waren geraakt. Duidelijk gebeurde dat op het terrein van de seksualiteit. Daar voltrok zich een verandering die wel als revolutionair is gekenschetst. Over de meest intieme en tere onderwerpen mocht nu vrijuit gesproken worden. Op dit gebied behoorde weldra niets meer tot de taboesfeer. Begin jaren ’60 kwam de pil tot een ieders beschikking, zodat de seksuele vrijheid onbeperkt scheen. Dat de seksuele vrijheid gevolgen had voor de huwelijks- en gezinsmoraal laat zich raden. Echtscheidingen werden gewoon. Ontwrichte gezinnen waren het gevolg. Allerlei alternatieve relatievormen, waaronder homoseksuele, eisten een gelijke waardering en plaats in de samenleving naast het traditionele huwelijk en gezin.

De morele veranderingen op het gebied van de seksualiteit stonden niet op zichzelf. Op allerlei andere ethische terreinen voltrokken zich evenzo veranderingen. Vooral medisch-ethische onderwerpen als abortus en euthanasie gingen in de jaren ’70 en ’80 de aandacht vragen. Al deze morele veranderingen waren uiteindelijk ingebed in veranderingen op een dieper niveau: verandering van levensoriëntatie, van godsdienstige overtuiging. De kerken liepen eigenlijk al vanaf de jaren vijftig leeg. Parallel aan deze lijn van kerkverlating loopt de lijn van verdergaande theologische vrijzinnigheid. Hoewel ook hervormde theologen zich niet onbetuigd lieten, zijn de gereformeerde theologen Wiersinga en Kuitert wel in het bijzonder spraakmakend geweest. In 1970 hield de synode zich intensief met Kuitert bezig, die een aardverschuiving in dogmatisch opzicht teweeg bracht. Het volgende jaar verscheen de dissertatie van Wiersinga, die afrekende met de klassieke verzoeningsleer.

Deze lijn van verdergaande secularisatie wordt in de jaren tachtig voor het eerst meer gethematiseerd. Kerkverlating en het achterliggende proces van Godsverduistering zijn dan menigmaal onderwerpen waarover druk geschreven en geconfereerd wordt.

De vorming van de gereformeerd-vrijgemaakte zuil

De naoorlogse mentaliteit van de Nederlandse bevolking toonde zich steeds minder gebonden aan God en Zijn Woord. De dominantie van de socialisten, de doorbraakgedachte, de oecumenische beweging en een kerkelijke breuk deed in gereformeerde kring diepe ongerustheid ontstaan. Na de Vrijmaking wensten zij die een ‘’doorgaande reformatie’ voorstonden, afzonderlijke organisaties van en voor Vrijgemaakten. Als het gaat om het verband tussen de Kerk en de eigen organisatie wezen zij op de ethische kwestie als het beslissende punt. Deze ethische kwestie hield in dat men buiten de kerk was geplaatst en daarmee ook buiten het Koninkrijk van God. Het werd zo voor de volgelingen van Schilder moeilijk om in organisatorisch verband nog samen te werken met hen die de Vrijgemaakten niet als broeders en zusters zagen.

Ook hier werd de prioriteit gelegd bij politiek en onderwijs. In het vormen van een eigen politieke partij – het Gereformeerd Politiek Verbond – speelde het ethisch conflict duidelijk mee. De vraag werd namelijk urgent hoe men maatschappelijk en politiek nog broeders van elkaar kon zijn, wanneer dat kerkelijk onmogelijk was gebleken. Uit gesprekken met de Anti-Revolutionaire Partij (ARP) bleek dat dit samengaan voor hen nog wel mogelijk was. De ARP wilde bewust een interkerkelijke partij zijn en vond het betreurenswaardig dat de kerkelijke breuk op politiek vlak werd doorgetrokken. Was de ARP soms ineens tot dwaling vervallen?

De vrijgemaakten gaven ook toe dat het ethisch conflict alleen niet voldoende was om een eigen organisatie op te richten. Er waren dan ook andere redenen die dit wel rechtvaardigden. De vrijgemaakten stelden zich andere doelen en zij hadden ook andere uitgangspunten. Zo kozen zij met zoveel woorden de Bijbel en belijdenisgeschriften als grondslag voor het politieke handelen. De term ‘beginselen’ wijzen zij resoluut van de hand. Niet alleen het spreken over beginselen achtten zij onjuist, maar ook de inhoud ervan bevatte al te veel Kuyperiaans gedachtegoed, waarvan het bijbels gehalte dubieus was, zoals de leer van de soevereiniteit in eigen kring, de gemene gratie en de leer van de pluriformiteit van de kerk.

Kortom, een eigen partij lag in het verschiet. Het in Amersfoort gehouden bezinningscongres liep uit op nog een gesprek met het ARP-bestuur, dat echter niets opleverde. Een Landelijk Contact van Vrije Kiesverenigingen werd ingesteld. Deze Vrije Kiesverenigingen waren al in 1946 ontstaan naast de plaatselijke AR-kiesverenigingen.

Ook voor het ontstaan van het eigen onderwijs geldt dat de Vrijmaking van 1944 de beheersende achtergrond is. 19 Toch duurde het een aantal jaren voordat het kwam tot eigen schoolverenigingen en het daadwerkelijk stichten van eigen scholen, respectievelijk in de jaren 1949 en 1952. In dat laatste jaar verrees de eerste vrijgemaakte school in Kampen. Een gereformeerde Opleiding voor Onderwijzers was enkele jaren daarvoor al in Enschede begonnen. Tevens was 1952 het geboortejaar van de onderwijzersvereniging, een jaar later gevolgd door een besturenorganisatie (LVGS). Het begin van het eigen onderwijs laat zien dat het gereformeerd-vrijgemaakte onderwijs langzaam op gang kwam. De redenen hiervoor waren dat niet iedere ouder even beslist koos voor de Gereformeerde Kerk Vrijgemaakt. In de jaren veertig ging nog menig lid terug naar de moederkerk. Maar ook leefde de gedachte dat de Vrijmaking geen revolutionaire breuk betekende en dat het nodig is aan te kunnen tonen dat eigen onderwijs noodzakelijk is.

De ontwikkelingen in de synodale theologie en de klem van de doopbelofte leidden ertoe dat het gereformeerd-vrijgemaakte onderwijs in de loop van de jaren vijftig vastere vorm kreeg. De doorbraakgedachte, de oecumenische theologie en de invloed van Karl Barth in de synodaal-gereformeerde theologie waren factoren die dit proces bespoedigden. De doopbelofte is in het bijzonder in vrijgemaakte kring van groot belang. Het onderwijs in vrijgemaakte kring is niet zomaar onderwijs, maar verbondsopvoeding. Vrijgemaakte kinderen zijn verbondskinderen en dienen ook als zodanig in het onderwijs tegemoet getreden te worden. Gezin, school en kerk dienen een nauwe eenheid te vormen.

De groei van het gereformeerd onderwijs kreeg gestalte in het oprichten van andere onderwijsvormen. In de tweede helft van de jaren vijftig werden scholen voor voortgezet onderwijs gesticht. De noodzaak van eigen voortgezet onderwijs was gelegen in de bescherming tegen allerlei verkeerde leringen en de bewapening voor toekomst, in de studie en de praktijk van het leven. De oprichting van een Gereformeerd Pedagogische Centrum in 1972 betekende de verdere completering van het onderwijssegment van de zuil.

Ook op maatschappelijk gebied vond verdere verzuiling plaats. 20 In 1950 organiseerde een groep bezwaarde CNV-leden een contactbijeenkomst te Amersfoort. Parallel aan de organisatie van deze dag liep het initiatief van enkele vrijgemaakten om te komen tot een eigen bezinningsorganisatie op het gebied van sociaal-maatschappelijke vraagstukken. Die kwam er in hetzelfde jaar nog. Het Gereformeerd Sociaal Economisch Verband (GSEV) werd opgericht. Zowel werkgevers als werknemers waren betrokken bij de bezinning binnen dit sociaal-economisch verband. Het bleef niet bij bezinning. Twee jaar later, in 1952, volgde de oprichting van het Gereformeerd Maatschappelijk Verbond. Het GMV stelde zich ten doel de belangen van haar leden te behartigen, maar ook om invloed uit te uitoefenen in de samenleving. Hoewel het GMV deze doelstelling al sinds zijn ontstaan kende, wordt daaraan pas sinds de jaren tachtig meer aandacht geschonken.

Nederlands Dagblad

In de verzuilingsgeschiedenis van de gereformeerd-vrijgemaakten speelt het Nederlands Dagblad een bijzondere rol. 21 Evenals bij het GPV en het gereformeerd (vrijgemaakte) onderwijs is de ontstaansgeschiedenis nauw gerelateerd aan de Vrijmaking. Het ND ontstond in 1948 onder de naam Gereformeerd Gezinsblad uit het toen bestaande kerkelijke opinieblad De Vrije Kerk en het strijdschrift Reformatiestemmen. In 1967 kreeg de krant de huidige naam: Nederlands Dagblad. De naamsverandering laat iets zien van de wat andere blikrichting van de krant. Al vanaf het begin wilde men zich, behalve op de informatievoorziening voor de eigen kring, ook richten op heel het volk. Maar dit profetisch motief werd pas in 1967 met de naamsverandering een wat uitdrukkelijker formulering. De initiatiefnemers tot de krant zagen deze trouwens als een duidelijke aanvulling op de bestaande media, want zij constateerden met leedwezen dat andere kranten te weinig oog hadden voor de reformerende kracht van de Vrijmaking.

De naam Nederlands Dagblad kan in 1967 nog nauwelijks gezien worden als een nieuw program tot herkerstening van de cultuur. De zuilgerichtheid werd in dat jaar nog eens bevestigd door de scheuring van het kerkgenootschap, waarbij de minderheid die zich afsplitste, een grotere openheid naar de moederkerk en de bij de protestants-christelijke zuil behorende organisaties voorstond. Pas in later jaren zette de tendens naar meer openheid verder door. Dat leidde uiteindelijk in 1992 tot een voor het ND opmerkelijke vernieuwing. Op 13 juni 1992 maakte de redactie bekend dat vanaf die datum ook niet-vrijgemaakte personen tot de redactie konden toetreden. Niet meer de kerkelijke identiteit was bepalend, maar de confessionele. Gebondenheid aan Schrift en belijdenis werd het criterium voor toelating.

Eigenlijk begon de acceptatie van meer openheid op een prille wijze met de contacten met het Nationaal Evangelisch Verband (NEV), een in 1966 ontstane groep van verontruste ARP-ers, die geen lid konden worden van het GPV om kerkelijke redenen maar wel sympathie voor deze partij koesterden. Toen de NEV-ers uiteindelijk niet op konden gaan in het GPV werd in 1975 de RPF opgericht. Later stond discussie over de openheid in het kader van het al of niet aangaan van een lijstverbinding met SGP en RPF. 22 Na uiteindelijke acceptatie van lijstverbinding onder bepaalde voorwaarden in 1981 volgde het besluit tot ruimer toelatingsbeleid voor leden. Ook niet-vrijgemaakten kunnen nu lid worden van het GPV. Dat kon theoretisch altijd al wel, maar bleek in de praktijk toch nauwelijks mogelijk.

De motieven voor het bepleiten van een grotere openheid liggen vooral in de veranderde omstandigheden. De jongeren hebben de Vrijmaking niet meer meegemaakt. Niet alleen leeft de betekenis daarvan nu minder sterk, maar ook is het front veranderd. De gereformeerd-vrijgemaakten staan nu tegenover een geseculariseerde wereld. En daarvoor hebben zij ook een opdracht. Het strikt vasthouden aan de eigen kerkelijke identiteit maakt het moeilijker om met de eigen organisaties de geseculariseerde medemens te bereiken.

Voor- en tegenstanders van meer openheid moeten zich tegenover de historische gebeurtenis van de Vrijmaking verantwoorden. Voorstanders van meer openheid wijzen er op dat er verschil is tussen sociale, confessionele en kerkelijke identiteit. De sociale identiteit is cultuurbepaald en van mindere betekenis. De kern van de kwestie is of de kerkelijke en confessionele identiteit geheel geïdentificeerd kunnen worden. Voorstanders wijzen identificatie af. Zij achten de confessionele identiteit beslissend. Daarom kunnen zij ook christenen uit andere kerkgenootschappen in de activiteiten van hun organisaties betrekken. De voorstanders zien de verdeeldheid als een gevolg van de zonde en de betrekkelijkheid van ons aardse kennen. Een terminologie die een bevindelijk gereformeerde uit het hart gegrepen is.

Met het spreken over het verschil tussen kerkelijke en confessionele identiteit hangt de kwestie samen hoe nauw kerk en christelijke organisatie aan elkaar verbonden moeten worden. Tegenstanders wijzen op de noodzakelijkheid van kerkgebonden organisatievormen, terwijl voorstanders verschil maken tussen kerk en organisatie, overeenkomstig het verschil dat zij aanbrengen tussen kerkelijke en confessionele identiteit.

Een complete zuil

De gereformeerd-vrijgemaakte zuil is, voorzover mogelijk, een complete zuil. Alles wat maar georganiseerd kan worden, is aanwezig. Genoemd zouden nog kunnen worden de eigen voorzieningen op het gebied van de gezondheidszorg, de eigen reisorganisatie (GRV), de eigen omroeporganisatie, die vanwege wettelijke regelingen altijd in potentie aanwezig was en zich daarom richt op evangelisatorische activiteiten, en de eigen club van wetenschappers die in de jaren zestig samenkwam als een typisch voorbeeld van gereformeerd-vrijgemaakte studiezin.

Sommige kleinere organisaties zijn er ook heel specifiek op gericht de eigen identiteit in alles te bewaren. Er is een eigen Centrum voor Lektuur, Informatie en Communicatie (CLIC) met een informatiewinkel. Er is een eigen Gereformeerde Korrespondentie Centrale (huwelijksbemiddeling via correspondentie) en ontmoetingen voor alleenstaanden worden gecoördineerd (COVA). Deze organisaties dragen ertoe bij dat de levenspartner zo gemakkelijk mogelijk in eigen kring kan worden gevonden. Contacten met soortgenoten worden bevorderd tot in het buitenland toe. Daarvoor zorgt de Gereformeerde Stichting tot Bijstand van Emigranten en Geëmigreerden (voor definitief buitenlands verblijf) en de Tour- en Caravanclub verstevigt de banden onderling bij tijdelijk verblijf in den vreemde.

De uitbouw van de reformatorische zuil

De vooroorlogse periode van de groei van de reformatorische zuil kenmerkt zich door de initiërende rol van ds. Kersten en de door hem gevormde Gereformeerde Gemeenten. Met behulp van de kerkeraden van deze Gemeenten bouwde hij aan zijn politieke partij. En met behulp van kerk en partij kwam het eigen onderwijs goed van de grond. De naoorlogse periode kenmerkt zich door de aaneensluiting van de bevindelijk-gereformeerden uit verschillende kerkverbanden tot een meer herkenbare reformatorische bevolkingsgroep. Deze groep kreeg een steeds duidelijker structuur en afbakening naar de buitenwereld.

De vorming van de zuil kan niet los gezien worden van de secularisatie die zich in de bestaande christelijke zuilen voltrok. Met name de jaren zeventig waren beslissend voor de richting waarin de zuil zich zou gaan bewegen. De ene na de andere reformatorische school voor voortgezet onderwijs werd gesticht en vooral: er kwam een eigen medium, het Reformatorisch Dagblad. 24 Verdere aankleding kreeg de zuil in de jaren tachtig. Dat pas in de jaren tachtig een reformatorisch equivalent van het GMV ontstond, is illustratief voor de eigen aard van de bevindelijk gereformeerde zuilvorming.

Het reformatorisch onderwijs kreeg een krachtige impuls door de oprichting van een eigen kweekschool. Al direct na de oorlog startte aan een Zeeuwse dijk een onderwijzersopleiding. Deze school kreeg na de watersnoodramp een definitieve plaats in Gouda. ‘De Driestar’ heeft voor bevindelijk gereformeerden altijd die plaats gehad die in de gereformeerde wereld door de Vrije Universiteit is ingenomen. Menig jongmens kon aan de Driestar gaan studeren omdat de kerkelijke gemeenten via collecten bijdroegen aan de exploitatie van school en internaat.

De uitbreiding van het reformatorisch onderwijs kreeg in de jaren zeventig vooral gestalte in de stichting van scholen voor voortgezet onderwijs. Steeds meer ouders vonden het onverantwoord om hun kinderen nog langer bloot te stellen aan allerlei wind van leer op godsdienstig en maatschappelijk gebied, zoals die in het protestants-christelijk onderwijs op hen afkwam. Ouders en kinderen namen en nemen nog steeds velerlei ongerief, zoals lange bustochten, op de koop toe om het begeerde onderwijs te volgen. Het reformatorisch onderwijs institutionaliseerde verder ook dankzij allerlei wettelijke ondersteuningsmogelijkheden. De VGS verricht veel werk voor schoolbesturen. In 1982, tien jaar later dan de vrijgemaakten, startte in Hendrik Ido Ambacht (nu Ridderkerk) een eigen begeleidingscentrum (BGS).

Het reformatorische onderwijs heeft nooit een vorm van academisch onderwijs gekend. Een eigen universiteit lijkt er nog niet in te zitten. 25 Toch vond ds. Kersten academische vorming van eminent belang als onderdeel van de kadervorming. Hij stimuleerde universitaire studie en begeleidde studenten persoonlijk. In 1951 is het gekomen tot de oprichting van een studentenvereniging door leden van de Gereformeerde Gemeenten. Opvallend is dat de SGP-beginselen aanvankelijk het onderwerp van studie vormden. De politieke interesse, ingebed in het bewustzijn dat de gereformeerde traditie een woord voor de wereld had, verklaart ook het latere enthousiasme dat deze vereniging voor het werk van A.A. van Ruler aan de dag legde.

Het betreden van soms wat minder orthodoxe paden heeft deze vereniging gemaakt tot een wat onzekere factor in de achterban. Op de Civitas Studiosorum in Fundamento Reformato (CSFR) maakte men studie van de gereformeerde traditie, maar ook van stromingen die zich in de volle breedte van het culturele en maatschappelijke leven voordeden. Dit heeft het positieve effect gehad dat hierdoor leiders gevormd werden die op cruciale posities in de zuil terechtkwamen en deze zo ook wisten af te bakenen naar buiten toe, maar heeft er ook toe geleid dat velen in meer of mindere mate buiten de grenzen van de zich vormende zuil terecht kwamen.

Het reformatorisch onderwijs symboliseert enerzijds de eenheid van de bevindelijk gereformeerden, maar laat ook de verdeeldheid ervan zien. De Gereformeerde Gemeenten in Nederland hebben hun eigen onderwijszuil. Een eigen besturenorganisatie (VBSO) en een eigen schoolbegeleidingsdienst (Kerstencentrum). De groep is getalsmatig te klein voor eigen voortgezet onderwijs. 26
Ook de leerkrachten en studenten uit de kring van de Gereformeerde Gemeenten in Nederland organiseren zich nadrukkelijk in eigen organisaties. Deze studenten voelen zich op de CSFR minder thuis. Depositum Custodi, een vereniging die haar leden uit de rechterflank van de bevindelijk gereformeerden betrekt, richt zich op de oorspronkelijke doelgroep van de CSFR. In tegenstelling tot de CSFR kiest deze vereniging bewust voor een grotere distantie tot de hedendaagse cultuur. De laatste loot aan de stam van reformatorische studentenverenigingen, Solidamentum, heeft een sterkere binding aan de Gereformeerde Gemeenten in Nederland dan Depositum Custodi.

Reformatorisch Dagblad en Reformatorisch Maatschappelijke Unie

Naast de uitgroei van het reformatorisch onderwijs markeerde de verschijning van het Reformatorisch Dagblad in 1971 de groei en verdere afbakening van de zuil. 27 Waar de komst van de televisie zorgde voor informatievoorziening over de zuilmuren heen, heeft het RD gezorgd voor informatievoorziening over de kerkmuren heen. Het interkerkelijke karakter van het RD zorgde voor betere beeldvorming over en weer, maar ook voor de nodige spanningen. De rubriek ‘Opgemerkt’, waarin lezers desgewenst hun gal kunnen spuwen, kon pas na een afkoelingsperiode heropend worden.

Het RD was in tegenstelling tot andere zuilsegmenten niet het resultaat van initiatieven uit de Gereformeerde Gemeenten. Wel had de SGP alles te maken met het allereerste begin. Tijdens een vergadering van de plaatselijke kiesvereniging te Driebergen in 1966 kwam het plan naar voren om een eigen dagblad te gaan uitgeven. Deze gedachte was vooral ingegeven door de onheuse behandeling die de bevindelijk gereformeerden van Elspeet ten deel was gevallen in de toen heersende polio-epidemie.

De diepere motieven tot de oprichting van een eigen krant waren enigszins divers van aard. De bestaande pers, met name het dagblad Trouw, boette aan christelijk gehalte in. Juist in die tijd, zo stelden de oprichters, was het nodig de eigen mensen bewust te maken van de dingen die gaande waren. Daarbij kon het bijbels-profetisch licht niet gemist worden. Dit licht was nodig om daarmee het theocratisch ideaal ook in media-land gestalte geven: een bijbels-kritische visie op de ontwikkelingen in de maatschappij die veelal een post- en anti-christelijk karakter kregen. Zo zou de krant ook een steun in de rug van opvoeding en onderwijs zijn.

Met de oprichting van het RD is een volgende stap in de emancipatie van de bevindelijk-gereformeerden gezet. Het doel van de krant was namelijk een stuk voorlichting en bewustmaking van de eigen achterban. Juist het meest eenvoudige deel van de achterban steunde dit initiatief. De kerkelijke en politieke leiders hadden er daarentegen duidelijk minder oog voor. Een emancipatoir aspect blijkt ook uit het gebrek aan kader dat er bestaat. Dit was ook al bij de oprichting van de SGP en van de eigen scholen aan het licht getreden.
De Reformatorisch Maatschappelijke Unie (RMU) weerspiegelt op een typische manier de zuilvorming in bevindelijk gereformeerde kring. 28 In de eerste plaats omdat velen niet bij een vakbond waren aangesloten. Ook op andere terreinen bleek dit het geval. In de tweede plaats is de RMU uit de nood geboren. Men kon niet anders. Aan de stakingsacties die in 1983 uit verzet tegen de bezuinigingsmaatregelen van de regering woedden, deed ook de politie mee. Groot was de verontwaardiging, omdat het Christelijk Nationaal Vakverbond (CNV) hierover geen afkeurend woord liet horen. Groot was ook de verontwaardiging omdat werkwilligen het werk onmogelijk werd gemaakt.

Aan de oprichting van de RMU in 1983 ging wel het één en ander vooraf. Al in 1979 had de Jeugdbond van de Gereformeerde Gemeenten gewezen op het feit dat bij de bestaande vakbonden geen plaats was voor reformatorisch denkende mensen. L.J. Ruijgrok, journalist bij het Reformatorisch Dagblad, polste vervolgens belangrijke mensen uit de achterban. De meningen waren verdeeld. Een enquête onder RD-abonnees leverde positieve reacties op: men wilde wel.

Er was niemand beschikbaar om de plannen verder vorm te geven, totdat men door omstandigheden gedwongen in 1983 de RMU oprichtte. De verdergaande secularisatie, die zich uit in zondagsarbeid, stakingen, gedwongen medische handelingen enz. worden als redenen aangevoerd voor een eigen organisatie. Deze redenen vertalen zich ook in de doelstellingen. Bezinning en behartiging van belangen van leden zijn de doelstellingen van de RMU. Een expliciete verwoording van een taak gericht op behoud van volk en vaderland is niet te vinden, maar kan mogelijk impliciet in de bezinnende taakstelling gevonden worden.

Reformatorische zuil niet compleet

De reformatorische zuil is minder compleet dan de vrijgemaakte. Volledigheid van de zuil is ook nooit het streven geweest. Wel zijn er ook op het gebied van de gezondheidszorg eigen initiatieven genomen, waarbij vooral de vorming van de Gereformeerde Landelijke Instelling voor Ambulante Geestelijke Gezondheidszorg (GLIAGG) ‘De Poort’ in het oog springt. Het zou kunnen zijn dat met de verder seculariserende medische ethiek en in het kader van de stelselherziening in de gezondheidszorg op dit punt nog nieuwe initiatieven te verwachten zijn.

Een opmerkelijk fenomeen binnen de reformatorische zuil is het bestaan van zogeheten ‘refo-jongerencafés’. Dit zijn bepaalde horecagelegenheden in den lande waar de jeugd op zaterdagavond samenkomt voor de gezelligheid en (meer of minder impliciet) voor het vinden van een levenspartner. Een serieuzer alternatief maakt sinds enkele jaren opgang: de reformatorische bezinningsavonden. Een meditatief getinte lezing met vragenbeantwoording vult de avond grotendeels. maar ruimte voor ontmoeting wordt niet gemist.

Overeenkomsten en verschillen

1. De twee zuilen vertonen daarin overeenkomsten dat met name het onderwijs en verder ook de politiek als zeer identiteitsgevoelige terreinen zijn aangemerkt. Zowel in bevindelijk-gereformeerde als in vrijgemaakte kring is zuilvorming begonnen met actie op politiek terrein. Hieruit valt de conclusie te trekken dat er bij de vorming van identiteitsgebonden organisaties prioriteiten gelden.

2. Een duidelijke overeenkomst tussen beide zuilen is het primaat van een afgebakende kerkelijke beweging, respectievelijk de stichting van de Gereformeerde Gemeenten en de Vrijmaking. Binnen de bevindelijk-gereformeerde kring is deze kerkelijke identiteit nooit als de belangrijkste gezien. Het belangrijkste was de vraag of de belijdenis (confessionele identiteit) ook een levende zaak was. Soms staat ‘het kunnen overnemen van elkaars geestelijk leven’ nog boven de confessionele identiteit. Binnen de vrijgemaakte zuil is daarentegen de kerkelijke identiteit nadrukkelijk op de voorgrond geplaatst en zelfs geïdentificeerd met de confessionele identiteit.

3. De verschillen tussen de zuilen zijn kerkhistorisch verklaarbaar. De bevindelijk-gereformeerden hebben altijd minder gemakkelijk de pluriformiteit van de kerk geaccepteerd en nog minder gemakkelijk de maatschappelijke differentiatie. De bevindelijk-gereformeerden behielden, zij het in verschillende mate, een zwak voor de vaderlandse kerk. Voor de vrijgemaakten was door Kuyper de weg gebaand voor de pluralisering en differentiëring van de samenleving. Juist die pluralisering vormt één van de aanleidingen tot de Vrijmaking. De pluriformiteit van de kerk wordt uitgesloten, maar dan wel in die zin dat het eigen kerkgenootschap de ware confessionele manifestatie is van het lichaam van Christus. Kuypers antithese en gemene gratie zijn door Schilder getransformeerd in een actieve vorming van een op zich zelf staande christelijke (sub)cultuur.

4. De kerkhistorisch onderscheiden posities (meer of minder snel op zichzelf gaan staan) keren terug in een meer of minder actieve houding als het gaat om het vormen van eigen christelijke organisaties. Onder leiding van Kuyper emancipeerden de kleine luiden zich. Na de Vrijmaking hoefde alleen de gereformeerde zuil maar gekopieerd te worden. De bevindelijk gereformeerden werden door Kersten verenigd. Dit gebeurde, hoewel Kersten dat anders heeft gewild, maar op een select aantal terreinen. Alleen dan wanneer het echt urgent werd kwam er een eigen organisatie. De start van de RMU is wat dit betreft uitermate illustratief.

5. De periode vanaf het midden van de jaren zestig tot het begin van de jaren zeventig vormt een mijlpaal in de ontzuiling van de bestaande zuilen en in de herzuiling in orthodox-protestantse kring. Op het terrein van politiek en media was de bestaande verzuiling doorbroken. De levensbeschouwelijke poten van de zuilen waren versleten.

Jaargang 04 (1993) No 2 (notenapparaat ontbreekt in deze webversie)