De eerste vrouwelijke zendingsarts in Nederlands-Indië

In 1920 werd Geertruida Johanna Dreckmeijer (1895-1992) als eerste vrouwelijke zendingsarts in dienst van de Gereformeerde Kerken naar Nederlands-Indië uitgezonden. Daar heeft ze meer dan vijftig jaar gewerkt. Voor haar inzet kreeg ze in 1971 zowel de ster van verdienste van de Indonesische regering als de Albert Schweitzer-prijs.

Deze bijzondere vrouw wilde haar leven in dienst van het Koninkrijk van God stellen en de gezondheid van de vrouw in de koloniën verbeteren. Deze krachtige persoonlijkheid, die echt op de problemen afging, stelde hoge eisen aan zichzelf en aan haar omgeving. Ze was niet altijd vriendelijk en haar directe handelswijze werd niet door iedereen gewaardeerd. Juist in de conflictsituaties die ontstonden bleken haar bestuurlijke vaardigheden. Om dit alles stond ze bekend als een vrouw met ‘mannelijke kwaliteiten’. Haar levensloop is een voorbeeld van het moeizame proces om een doorbraak te forceren in de vanzelfsprekende verhoudingen tussen man en vrouw in de eerste helft van deze eeuw.

Zending als mannenaangelegenheid?

Dreckmeijers aantreden in 1920 doorbrak het patroon van de gereformeerde zending als ‘mannenaangelegenheid’. Meedoen mochten vrouwen al langer. Met het oog op de oprichting van dokter J.G. Schreurer ziekenhuis in Yogyakarta hadden Jo Kuyper en Jacqueline Rutgers in 1896 de Vereeniging Dr. Scheurer’s Hospitaal opgericht.

Deze dochters van dr A. Kuyper en diens medestander, de VU-hoogleraar dr. F.L. Rutgers, activeerden gereformeerde vrouwen om geld in te verzamelen voor de medische zending. Dit was het begin van de betrokkenheid van gereformeerde vrouwen bij het zendingswerk. Later werden ook binnen de verbanden van andere zendende kerken soortgelijke verenigingen opgericht, die voor de ziekenhuizen collecteerden of ervoor zorgden dat de linnenkasten ervan gevuld werden. Dit werk werd geschikt geacht voor vrouwen, omdat het ging om ‘dienend’ bezig zijn. Vrouwen leverden hierdoor een belangrijke materiële bijdrage aan het werk, maar niet op het bestuurlijk vlak.

Al eerder waren gereformeerde vrouwen als verpleegster gaan werken in de zendingsziekenhuizen. De reeds genoemde Jo Kuyper en Jacqueline Rutgers waren de eerste zendingsverpleegsters op Midden-Java. Zij hebben gewerkt in het Petronella-ziekenhuis te Yogyakarta dat mede dankzij hun collectes in Nederland kon worden opgericht. Dankzij hun komst kon Scheurer zich intensief bezig houden met het opleiden van Javanen tot verpleegkundigen. Met name Jacqueline Rutgers was door haar studie en haar werk als verpleegster goed op de hoogte van de taal en cultuur van de Javaanse vrouwen, hetgeen haar goed van pas kwam bij het werven en selecteren van meisjes voor de verpleegopleiding. Voor veel Nederlandse verpleegsters op Midden-Java is het werk in de zendingsziekenhuizen echter op een teleurstelling uitgelopen. Zij kregen namelijk geen specifieke opleiding, spraken geen Javaans en hadden ook geen duidelijke taakomschrijving. Dit resulteerde dikwijls in een competentiestrijd tussen de betrokken verpleegster en de artsdirecteur, die veelal aan het langste eind trok. Hoewel de inbreng van sommige verpleegsters zoals die van de dames Kuyper en Rutgers niet moet worden onderschat, toonde gereformeerd Nederland weinig begrip voor de waarde van vrouwen in het werk van de medische zending. In de zondagse eredienst werd nauwelijks of geen aandacht besteed aan de uitzending van verpleegkundigen.

Vrees voor vrouwen

Wanneer we kijken naar de positie van de vrouwelijke zendingsarts, blijkt dat ook zij deelde in de onderwaardering van de vrouw in de medische zending. De Nederlandse gereformeerde zending kende, in tegenstelling tot het buitenland, tot 1920 geen vrouwelijke artsen. Toen Anna Pijzel in 1904 als eerste vrouwelijke zendingsarts door het Nederlands Zendeling-genootschap naar Oost-Java werd uitgezonden reageerde dokter Scheurer in zijn brief van 6 februari 1906 aan de kerkenraad van Amsterdam, sterk afwijzend: ‘Het is een waarneembare richting om alle verschil en grenslijnen uit te wisschen. De door God ingestelde regelingen en onderscheidingen moeten verdwijnen, en waar het ongeloof dit op een onbeschaamde manier doet, daar zien wij in christelijke kringen hetzelfde op een zoogenaamde gemoedelijke godsdienstige manier verrichten. De vrouw met hare sterke sympathieën en huisselijken aanleg is niet geroepen noch geschikt dergelijke mannelijke positiën in het leven in te nemen. ’t Is ook duidelijk waar te nemen, dat dergelijk geëmancipeerde vrouwen haar vrouwelijkheid verliezen en onnatuurlijk vrouwelijk worden in hare bewegingen. Indien wij ons nu stil en gehoorzaam aan de Schrift houden, dan zien wij, dat eene dergelijke ontwikkeling van de vrouw strijdt tegen de ordinantiën onzes Gods, daarom waarde Broeders, worde op ons Medisch Zendingsterrein nimmer een vrouwelijk arts toegelaten. Alleen in Gods weg zijn wij veilig, en hoe hoog men nu ook moge opgeven van het nut en den zegen der vrouwelijke artsen, nimmer mogen zogenaamde utiliteitsbeginselen ons doen en laten beheerschen’.

Met een beroep op wat de apostel Paulus schreef in 1 Kor.14:34 word de gedragscode op Gods scheppingsorde gefundeerd. Vrouwelijke verpleegsters werden getolereerd, want die waren uiteraard ondergeschikt aan de mannelijke arts. De uitzending van Dreckmeier als zendingsarts in 1920 vormde dan ook een unieke gebeurtenis in de geschiedenis van de gereformeerde zending.

Achtergrond en motivatie zending

Wat heeft Truus Dreckmeier bewogen om zendingsarts te worden? Het hoofdmotief voor haar keus om voor de medische zending was Dreckmeiers verlangen om te gaan werken in het koninkrijk van God. Deze wens paste bij de gezinscultuur waarin zij in 1895 werd geboren te Amsterdam. Haar vader – later conciërge aan de universiteit te Utrecht – was darbist geweest, lid van de Vergadering van Gelovigen, een geloofsgemeenschap die grote nadruk legt op bijbelstudie en op het priesterschap aller gelovigen. Op den duur vond hij deze geloofsgemeenschap te beperkt en ging hij over tot de Gereformeerde Kerken, m.i. omdat hij onder invloed kwam van de Amsterdamse predikant W.H. Gispen. Deze overgang maakte de nadruk op dienstbaarheid en bijbelstudie niet ongedaan. Het gezin stond open en oecumenisch in het leven. Zending had voor Dreckmeier alles te maken met bevrijding. Zij begeerde dat God en de mensen meer tot hun recht zouden komen, en vooral vrouwen hadden dat nodig. Het gesprek met ds. H.Ph. Ingwersen tijdens diens ziekteverlof in 1913 gaf de doorslag om zendingsarts te worden. Ds. Ingwersen sprak uit ervaring over de nood onder de vrouwen op Midden-Java. ln Indië vielen de meeste vrouwen buiten de zorg. De oorzaak was dat mannelijke artsen niet aanwezig mochten zijn bij een bevalling. Wanneer er geen vrouwelijke dokter in de buurt was, was een zwangere vrouw overgeleverd aan haar lot. Daarnaast liet de kinderverzorging te wensen over. Daarom drong Ingwersen er bij haar sterk op aan om zendingsarts te worden. In 1913 begon Dreckmeier dan ook met de studie medicijnen aan de universiteit van Utrecht. Ze werd lid van de NCSV (Nederlandse Christen-Studenten Vereniging). Deze vereniging was in tegenstelling tot de SSR (Societas Studiosorum Reformatorum) wel toegankelijk voor vrouwen. De vereniging heeft haar gevormd in de oefening van het persoonlijk discipelschap in navolging van Jezus Christus in het gehele leven, ook in de sociale en politieke werkelijkheid van deze wereld. Deze vereniging bevorderde de bewustwording van haar idealen en versterkte haar oecumenisch en missionair besef.

Download het complete artikel (pdf)

Jaargang 10 (1999) No 3 – themanummer Ethiek van het kolonialisme