De christen en de geschiedenis

In zijn boek Die Welt van Gestern vertelt Stefan Zweig van een historisch ogenblik in zijn leven. Ik citeer er enkele regels uit: “In het Zwitserse grensstation Buchs heb ik najaar 1918 enkele onvergetelijke ogenblikken meegemaakt…

Ik bemerkte een merkwaardige onrust bij de grensbeambten en politieagenten. Het was of zij op iets heel belangrijks stonden te wachten. Wij hoorden de bel rinkelen, die de nadering meldde van de trein uit de richting Oostenrijk. De beambten uit het stationsgebouw kwamen haastig aanlopen. Op het perron stond een klein groepje wachtenden, waaronder een oudere aristocratische dame in het zwart gekleed met haar twee dochters. Zij waren zichtbaar geëmotioneerd en hielden telkens hun zakdoek voor de ogen. Langzaam, haast zou ik zeggen, majesteitelijk rolde de trein binnen. Geen gewone trein met gewone passagierswagons, maar met salonrijtuigen. Toen de trein stilhield, kwam er beweging in de rijen der wachtenden. Dat was het ogenblik, dat ik achter de spiegelruiten van het salonrijtuig de hoog opgerichte gestalte zag van keizer Karl, de laatste keizer van Oostenrijk, met naast zich zijn zwart geklede gemalin keizerin Zita. Ik kromp ineen van schrik: de laatste keizer van Oostenrijk, de erfgenaam van de Habsburgse dynastie, die 700 jaar het land geregeerd had, verliet voorgoed zijn Rijk. Onder dwang. Nu stond hij daar als een rijzige gestalte aan het venster en staarde voor de laatste keer naar de bergen, de huizen, de mensen van zijn land. Het was een historisch ogenblik dat ik beleefde.” 1

Op zulk een ogenblik beseft een mens even wat eigenlijk geschiedenis is. Levende geschiedenis. Geschiedenis op heterdaad betrapt. Zelf heb ik een soortgelijke belevenis gehad. Dat was in de pastorie van het dorp Koudum in de zuidwesthoek van Friesland in de mei- dagen van 1940. Eerst het wakker worden op de ochtend van de 10de mei en het gewaar worden op straat dat er iets bijzonders was. Toen reeds de volgende dag het doortrekken van Duitse tanks, gevechtswagens, cavalerie. De beklemmende Pinksterdagen. Het vertrek van de koningin. Het bombardement van Rotterdam. De capitulatie. Dat was een historische belevenis. Het einde van een tijdperk.

De schrik van Clio

Pierre Mignard: Clio (1689) © Web Gallery of ArtIn oude tijden sprak men wel van ‘de schrik van Pan’. Men drukte ermee uit, dat in de natuur opeens een panische schrik ons bevallen kan. Misschien is dat ook bedoeld in Psalm 91 vers 6: “het verderf dat op de middag woedt.” Vooral de Grieken kenden het en spraken er telkens over: de ervaring van de lokkende en tegelijk afschrikwekkende natuur.

In onze overgecultiveerde wereld met nog nauwelijks één plekje grond dat niet bewerkt of bebouwd is, kennen wij die ervaring niet meer. Wat ons moderne mensen echter als panische schrik overvallen kan, is de geschiedenis. Ik ben geneigd om te zeggen: men kan niet echt schrijven over de geschiedenis en echt historicus zijn als men de ervaring niet kent van de angst voor de geschiedenis, de schrik van Clio.

Ik herinner mij nog goed, dat ik in die panische meidagen van 1940 gezocht heb naar een boek in mijn boekerij, dat mij wat over mijn angst voor de geschiedenis kon heen helpen. Een boek van een schrijver, die uit eigen ervaring die angst kende, maar haar in het geloof overwonnen had. Zo ben ik toen gaan lezen in een boek, dat ik misschien onder andere omstandigheden nooit zou hebben opgeslagen; een boek waarvan ik bijna zeker weet, dat de meeste theologen het wel bij name kennen, maar er waarschijnlijk nooit in lezen zullen. Het is De servo arbitrio (Over de gebonden wil) van Maarten Luther.

Uit dit boek blijkt, dat Luther ten volle de angst en schrik van de geschiedenis gekend heeft. Dit boek is ervan doortrokken. Het spreekt erover hoe de mens onderworpen is aan bovenmenselijke machten in hem en buiten hem. Hij staat onder de terreur van het geschiedproces. Als theoloog heeft Luther daarin zijns gelijke niet. Daarom was het toen mijn ervaring, dat Luther onze gids kan zijn in een tijd als de onze waarin wij hoe langer en meer geconfronteerd zullen worden met de overmacht van de geschiedenismachten.

In plaats van Luthers De servo arbitrio had ik in die meidagen van 1940 ook ter hand kunnen nemen het boek Ongeloof en revolutie van Guillaume Groen van Prinsterer. Ook Groen kende terdege uit eigen ervaring de schrik der geschiedenis. Hij had de revolutionaire draaikolken in Brussel meegemaakt en hij doorzag de afgrondelijkheid van de revolutionaire geest. Net als voor Luther was daardoor op een voordien ongekende wijze de vraag omtrent God en de mens voor hem gaan leven. In de bekende Voorrede van zijn boek legt hij daar getuigenis van af. Ik citeer er de meest bekende regels uit:

“Ik eindig met de verklaring dat ik tegen alle wijsheid der mensen, bij het gevoel van eigen zwakheid, twee woorden, als onderpand der zege, ten leus heb: Er staat geschreven! en Er is geschied! Een fundament tegen elk schutgevaarte, een wortel tegen iederen wervelwind van filosofisch ongeloof bestand. De historie, die ook het vlammend schrift van de heiligen God is. De Heilige Schrift die, in de onafscheidelijkheid van gebeuren en leer, ook de historische schrift is. De historie, gelijk zij niet enkel door de reeks der daden, maar vooral door de ontplooiing der begrippen gevormd wordt, gelijk zij, door de feiten der Openbaring, haar aanvang en betekenis en richting en eenheid ontvangt… historie en Schrift, gelijk zij, onder den verbeurden zegen ener lankmoedigheid, die alle berekening overtreft, eenstemmig en verenigd den boetvaardigen zondaar wijzen op Hem, die met den glans zijner volmaaktheden ook op Nederlandsen bodem zich heeft geopenbaard.”
Zo schreef Groen in augustus 1847. Naderhand heeft hij een soortgelijke uitspraak gedaan, die ik hier ter completering aan toevoeg: “Het is den kortzichtigen sterfeling niet vergund om in ijdelen waan de raadsbesluiten Gods vooruit te lopen en den sluier op te heffen, dien Hij over de geheimenissen van het wereldgebeuren gelegd heeft; maar het is den gelovigen en ootmoedigen christen evenmin vergund om het oog te sluiten voor de lichtstralen, waarin bij de wonderen der Historie de glans Zijner volmaaktheid schittert.” 2 Ik wil met u over deze fundamentele uitspraken van Groen voortmediteren. Vooral de regels uit de Voorrede van Ongeloof en revolutie lijken mij erg belangrijk.

Vlammend schrift

Wat mij in die zinnen uit de Voorrede het meest getroffen heeft, zijn de woorden: “De historie, die ook het vlammend schrift van den heiligen God is”. Met die woorden is Groen als geschiedschrijver voluit gekarakteriseerd.

Historie als vlammend schrift van de heilige God… Hoe dachten en denken andere geschiedschrijvers daarover? Uiteraard denken wij als christenen dan allereerst aan Israël en aan het Oude Testament, waar de schrijvers van de geschiedboeken worden aangeduid als nebiim, profeten. Daar wist men van historie als vlammend schrift Gods. De beschrijving van de opmars der Assyriërs in Jesaja 10 vers 28-34:

“Zij overvallen Ajath, zij trekken door Migron, te Michmas legeren zij hun legertros. Zij trekken de bergpas door. Geba is hun nachtkwartier. Rama siddert. Gibea Sauls vlucht. Gil het uit, o dochter van Gallim! Pas op, Laïs! Arm Anatoth! Madmena vlucht, de inwoners van Gebim bergen zich. Zij zwaaien hun handen in de richting van Sion, de heuvel van Jerusalem. Zie, de HERE houwt Israëls kroon af.”

Maar iets daarvan besefte men toch ook wel in de klassieke Oudheid bij schrijvers als Herodotos, Thucydides, Xenophon, Plutarchus, Vergilius, Livius, Tacitus, Sallutius. En Groen van Prinsterer als uitnemend classicus moet daarvan op de hoogte zijn geweest. Herodotos is met zijn Historiën wel genoemd de vader van alle historici. Men kan hem karakteriseren als een begenadigd verteller met een niet zelden ook indringende wetenschappelijke benadering van het verleden. Vele van zijn verhalen hebben een aanschouwelijkheid, die zou doen vermoeden dat hij ooggetuige geweest is, wat toch zeker niet het geval geweest is, maar zó groot was zijn inlevingsvermogen in de geschiedenis.

Niet zelden vestigt Herodotos ook de aandacht op de bovenmenselijke factor in de geschiedenis. Ook spreekt hij over falen en menselijke schuld. Vooral over de schuld van de overmoed, de hybris. Een mens, die zich verheft en de menselijke maat overschrijdt, roept de afgunst der goden op en wordt gestraft. In dat opzicht kan men spreken van een duidelijke verwantschap van Herodotos en de Griekse tragediedichters, vooral met Sophocles.

En daarmee raken wij aan een ander facet van de geschiedschrijving in Griekenland. De grootste historici van Hellas zijn geweest de tragediedichters Aischylos, Sophocles en Euripides. In hun episch-dramatische uitbeelding van het verleden zijn zij parallel figuren van de Israëlitische nebiim. Aischylos’ trilogie Agamemnon, De Offerplengers en De Eumeniden zijn in hun dramatische kracht vergelijkbaar met de oudtestamentische verhalen van koning Saul en koning David. In beide gevallen heeft het woord ‘drama’ de oorspronkelijke betekenis van een gebeurtenis met een plechtig, ceremonieel, bijna liturgisch karakter. Geschiedenis is hier niet meer drama in de zin van een louter menselijke handeling. Er zijn hogere machten bij betrokken.

Huizinga

Een recent historicus die zich de bijzondere betekenis van de Griekse geschiedschrijving bewust is geweest, was de Leidse hoogleraar Huizinga. Hij roemt haar vanwege het sterke episch-dramatische element. In een lezing, gehouden voor de Nederlandse Akademie van Wetenschappen in 1941, stelde hij zichzelf de vraag of dit episch-dramatische element een eigenschap is van het historisch gebeuren, of dat het de kleur is die de geschiedschrijver als dichterlijk verhaler aan het geschiedgebeuren verleent. En zijn antwoord op die vraag luidt: “Ik ben geneigd te menen, dat die oudere tijdperken der geschiedenis inderdaad in zichzelf de factoren hebben bevat, die aan het product geschiedenis die episch-dramatische vorm moesten verlenen…” En nog nadrukkelijker en pregnanter: “Een geschiedenis, die zich niet meer laat verdichten tot tragedie, heeft haar vorm verloren.”

Dát is de vraag geweest, die Huizinga als historicus zijn leven lang bewogen heeft: “Zal een toekomstig geslacht in deze twintigste eeuw, die tot kort voor haar midden behalve haar technisch-wetenschappelijke winsten nog zo weinig wezenlijks heeft voortgebracht, die historische vorm terugvinden? Wij weten het niet.” Wij moeten vaststellen, dat Huizinga zelf die vorm ook niet gevonden heeft. Typerend is, dat in zijn hoofdwerk, Herfsttij der Middeleeuwen, de meest episch-dramatische figuur van de Middeleeuwen, de Maagd van Orléans, nauwelijks genoemd wordt. En hoe het cultuurleven en de geestelijke stromingen in de tweede helft der vijftiende en de eerste helft der zestiende eeuw heeft gebloeid, is door Huizinga geschilderd in zijn levensbeschrijving van Erasmus, het boeiendste boekwerk dat van zijn hand verschenen is. Erasmus, de geestelijke antipode van Luther! Maar dan bekent hij in het slot van zijn boek, dat figuren als Luther en Loyola hem meer aantrekken “vanwege hun kracht en gloed, maar ook hun diepte, hun niets ontziende, voor niets terugschrikkende consequentie, oprechtheid, openhartigheid.”

Hoewel hij ernaar gehunkerd heeft, is Huizinga tot geen werk van episch-dramatische kracht in staat geweest. Wat van de grote en fijnzinnige historicus Huizinga geldt, geldt a fortiori van historici als Fruin, Colenbrander, Ranke, Michelet, Jacob Burckhardt en zo velen meer. Van historie, die ook het vlammend schrift van de heilige God is, is bij hen geen sprake.

Daniël

Als Groen dus zo spreekt, dan stelt hij zich buiten het gilde van de geleerde geschiedvorsers. Van de aanvang af voert hij de lezer van zijn boeken op bijbelse bodem. Daar, in de wereld van Israël en van het Oude Testament, is sprake van historie als sprake Gods.

Toch zie ik in de aangehaalde woorden uit de Voorrede van Groens Ongeloof en revolutie een nadrukkelijke verwijzing naar één bepaalde bijbelplaats, namelijk Daniël 5. Daar wordt verhaald hoe de Babylonische vorst Belsazar met zijn trawanten de afgoden prijst en drinkt uit het heilig vaatwerk, dat geroofd is uit de tempel te Jeruzalem. Dan verschijnt een engel als graffiteur en boodschapper Gods: “Toen verschoot de koning van kleur, en zijn gedachten verontrustten hem, zijn heupgewrichten werden los en zijn knieën stieten tegen elkaar. En de koning riep met luider stem, dat men de bezweerders zou laten komen…”

Wanneer wij de dramatiek van deze gebeurtenis willen navoelen, kunnen wij niet beter doen dan het toenmalige leven in Babylon vereenzelvigen met de beklemmende despotie van Saddam Hussein in Irak. Bagdad en Irak zijn de historische erfgenamen van Nebucadnezer en Babylon. De Griekse schrijver Herodotos verhaalt er in zijn Historiën veel over.

“De stad Babylon ligt in een grote vlakte en is vierkant, elke zijde is 120 stadiën, dat is ruim 20 kilometer lang. Zó groot is de stad Babylon! Zij was versierd als geen andere ons bekende stad. Rondom de stad loopt een diepe, brede gracht, daarachter ligt een muur, 50 ellen breed en omstreeks 200 ellen hoog. De muur is opgetrokken uit bakstenen. Bovenop de muur staan huizen en telkens om zoveel stadiën een wachttoren. Tussen de huizen door loopt een brede weg, waarop vierspannen elkaar makkelijk passeren kunnen. Dwars door de stad loopt de grote, diepe, snelstromende rivier de Eufraat. De ringmuur maakt de stad Babylon tot een onneembare vesting.”

Lange tijd heeft men aan deze beschrijving geen geloof gehecht en haar als schromelijk overdreven beschouwd. Maar toen in 1899 de archeoloog Koldewey begon met wetenschappelijk onderzoek in de ruïnevelden van Babylon, bleek dat Herodotos’ beschrijving nauwkeurig overeenkwam met wat in de bodem aan restanten werd aangetroffen. Babylon was inderdaad de machtigste, grootste, ommuurde vestingstad, die de geschiedenis ooit gekend heeft. En daar is het geweest, dat de geestelijke bloesem van Israël jarenlang van heimwee versmacht is: “Aan Babylons stromen, daar zaten wij, ook weenden wij, als wij aan Sion dachten” (psalm 137).

Tegen deze historische achtergrond gaat de dramatiek van Daniël 5 voor ons leven. Israël verkeert in een uitzichtloze situatie. Het volk kon niet meer vooruit en niet meer achteruit, niet naar rechts en niet naar links. Het kon alleen nog maar omhoog zien. Dan wordt door een goddelijke graffiteur dit oppermachtige, wrede, meedogenloze Babylon het oordeel aangezegd: “Mene, mene, tekel, ufarsin”, wat wil zeggen: Gewogen, gewogen, te licht bevonden, een ander valt de macht toe. Degenen, voor wie de boodschap bestemd is, verstaan haar niet. Wel worden zij er door ontroerd vanwege de geheimzinnigheid en onheilspellendheid van de verschijning. Dan wordt Daniël geroepen. Hij verstaat als profeet de sprake Gods in de geschiedenis. Zo voorzegt hij Babels ondergang.

Maar dat moet toch een absurde voorzegging geweest zijn: dat die summum van barbaarse macht en hoogmoed zou kunnen ineenstorten en vallen! Toch is het een korte tijd later gebeurd. Niet van buitenaf, doch van binnenuit. Net als de ineenstorting van het machtige Sowjet-rijk en als de val van de Berlijnse muur. Hoe kan het? Hoe durfde Daniël het voorzeggen? De Bijbel zelf geeft het antwoord op die vragen. Het staat in Genesis 11, de geschiedenis van de spraakverwarring in Babylon. Nu in onze tijd hebben wij geleerd, wat die spraakverwarring was; het was een breuk in een gesloten wereldbeeld, de ontmaskering van de leugen van een afgoderij, van een mythe, van een ideologie. Datgene waardoor de mensen in het gesloten dwangsysteem van een uniform geloof met elkaar verbonden waren als in een termietenstaat, verliest opeens zijn vastheid en geloofwaardigheid. Er is geen eenheid, geen verband, geen richting, geen gezag meer. Een engel heeft als hemelse graffiteur heengeschreven door het spijkerschrift der mensen: Mene, mene, tekel, ufarsin. De leugenmachten zijn weersproken. De profeet uit Israël sprak het uit en niemand was er die het tegensprak.

De historicus als profeet

Enkele decennia geleden is van de Joodse geleerde Martin Buber een prachtige studie verschenen over het verschijnsel van het profetisme in Israël: The profetic faith. Profeten, aldus Buber, zijn geschiedschrijvers bij uitstek.

In de begintijd van zijn historisch bestaan heeft Israël net als de volken rondom de geschiedenis benaderd met primitieve magische praktijken. Dat was de tijd van de droomuitleggers, van de sterrenwichelarij, het acht geven op vogelgeschrei. Alom trof men in Israël wel tovenaressen aan als die te Endor, die koning Saul de toekomst voorzegde. Het was de tijd dat in het heiligdom van Bethel nog de Urim en Tummim benut werden. Op den duur zijn echter die praktijken verdrongen door de profetie.

Profetie onderscheidde zich daarin van magische praktijken en van waarzeggerij dat de persoon van de profeet er een veel grotere rol in speelde. Hij sprak en handelde niet in trance, niet in een droomtoestand, niet in een roes. Zijn taal was niet gestamel, gemurmel, maar klaar en helder. Hij sprak op de wijze waarop hij ook met God sprak en verkeerde: van aangezicht tot aangezicht, zoals een vriend met een vriend spreekt. De profeet benaderde daarom ook het mysterie der geschiedenis als iemand, die met de Here God op vertrouwde voet verkeert en die in Gods heilsgeheimen toegelaten wordt. Zo zegt de profeet Amos: “Voorzeker, de Here God doet geen ding, of Hij openbaart Zijn raad aan Zijn knechten, de profeten” (3:7).

Deze profeten, deze nebiim, hebben in Israël een uiterst belangrijke plaats ingenomen. Zij zijn de tolken geweest van de geschiedenis als “de vlammende sprake van de heilige God”. Zij kenden de taal der geschiedenis. Zij ontcijferden de geheimzinnige tekens van de engel als hemelse graffiteur. Zij waren voor Israël altijd weer de troosters en bemoedigers in uitzichtloze en wanhopige situaties: “Waarom zegt gij, o Jacob, en spreekt, o Israël: mijn weg is voor den HERE verborgen en mijn recht gaat aan mijn God voorbij? Weet gij het niet, hebt gij het niet gehoord? Een eeuwig God is de HERE, Schepper der einden der aarde. Hij wordt noch moede noch mat, zijn verstand is niet te doorgronden” (Jesaja 40:27, 28).

Inherent aan de bijzondere plaats, die de profeten als tolken van de sprake Gods in de geschiedenis in Israël hebben ingenomen, was de bedreiging en haat, waaraan zij waren blootgesteld. In plaats van eer hebben zij meestentijds spot en hoon van de koning, de priesters en het volk ondervonden. Bekend is het lot, dat de profeet Micha van koning Achab onderging toen hij hem de waarheid aanzegde in de naam des HEREN (1 Koningen 22). Het aangrijpendste voorbeeld van lijden, dat samenhangt met de vervulling van een profetische roeping, is de profeet Jeremia (Jeremia 15:15). Eens vervloekte hij zelfs de dag van zijn geboorte vanwege de bittere boodschap, die hij aan Israël verkondigen moest: de harde en bittere taal van de geschiedenis. Hij wist zich daardoor volksvijand nummer één. In zijn studie over het profetisme wijst Buber erop, dat het de profeten zijn geweest, die in de vervulling van hun roeping tot martelaars zijn geworden. Zij dragen als eersten de naam van de lijdende knecht des HEREN.

Tot de kring der profeten behoorde ook Daniël. En toch was de profeet Daniël een afzonderlijk type in het geheel van Israëls profetie. Alleen al het feit dat hij buiten de landsgrenzen van Israël geleefd en gewerkt heeft. Met de elite van de inwoners van Jeruzalem was hij weggevoerd en als balling naar Babylon gebracht. Daar was hij opgeleid om te worden opgenomen in het hoge college van waarzeggers en astrologen (wij zouden zeggen: futu- rologen): één van het gilde der geleerde mannen. Nochtans iemand, die in zijn privéleven het gebed en de verborgenheid van het geloof onderhield. Dat nu bracht met zich mee, dat zijn gezichtsveld veel wijder was dan van zijn volksgenoten, ook dan dat van de vroegere profeten. Als Israëliet wist hij zich nauw betrokken bij de wereldproblemen. De geschiedenis was voor hem niet alleen het lot van Israël, maar het wel en wee van Israël temidden der heidenvolken.

Zo werd geschiedenis voor Daniël een wereldomvattend dramatisch gebeuren, waarbij zich telkens uitzichtloze situaties voordeden. Daarvan spreekt de droom van de vier dieren als onmenselijke machten, die vier wereldrijken symboliseren. Ook het verhaal van het goddelijk beeld, dat op straffe des doods aanbeden moet worden. Als Daniël in zijn gebed daarover sprak met de HERE God, dan werd voor zijn oog de ganse wereldgeschiedenis tot een zich steeds scherper toespitsende strijd tussen de God van Israël en de heidense afgoden. Niet slechts Israël maar ook de heidenvolken, de gojim, zijn erbij betrokken. Niet slechts de tijd, maar ook de eeuwigheid.

Zo werd bij Daniël de geschiedenis tot een eschatologisch gebeuren: zij mondt uit in de eeuwigheid. Zij heeft eindtijd-karakter. “En zie, met de wolken des hemels kwam iemand gelijk een mensenzoon, en hem werd gegeven heerschappij en eer en koninklijke macht… Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die niet zal vergaan, en zijn koningschap is één dat onverderfelijk is…” (Daniël 7: 12v.).

Opvallend en merkwaardig is nu, dat het boek noch de figuur van Daniël in Bubers studie voorkomt. Uit andere geschriften van Bubers hand weten wij, dat hij met vele anderen, die zich met het verschijnsel van het profetisme hebben beziggehouden, van mening was, dat met Zacharia, Maleachi en Daniël de profetie haar einde heeft gehad. Vast staat in ieder geval, dat binnen het Jodendom niet meer van profetie gesproken kan worden. Volgens Buber is onder invloeden uit Iran de profetie verziekt tot apocalyptiek en binnen de synagoge afgewezen. Dat de geschiedenis eindtijd-karakter zou hebben en zou uitmonden in de eeuwigheid, is voor het Jodendom onaanvaardbaar. Het kent geen eschatologische vervulling, geen verticale voleinding van de geschiedenis.

Wereldgeschiedenis

Binnen het verschijnsel van de profetie in Israël neemt het boek Daniël dus wel een heel bijzondere plaats in. Het is het historisch document van een merkwaardige en hoogst belangrijke ontwikkeling. Een ontwikkeling, die binnen het Jodendom is afgewezen, gestagneerd en geen vervolg heeft gehad. Een ontwikkeling, die nochtans een voortzetting en vervulling heeft gehad. Een ontwikkeling, die nochtans een voortzetting en vervulling heeft gehad in de verschijning van de historische figuur van Jezus Christus als de Zoon des mensen volgens Daniël 7. Zijn verschijning heeft gevoerd tot een dramatisch conflict binnen het Jodendom (Mattheüs 26) en tot het grote schisma van de Kerk en Synagoge.

Met het boek Daniël heeft zich in de Israëlitisch-profetische kijk op de geschiedenis een ingrijpende wending voltrokken. Sinds Daniël is de geschiedenis universeel, zij is oecumenisch, zij is eschatologisch. Zij betreft Israël én de heidenvolken, de aarde én de hemel, de tijd én de eeuwigheid. Anders gezegd: zij neemt heel de wereld vanaf de eerste scheppingsdag met alle gebeurtenissen die erop zijn gevolgd en met alle geslachten die sinds het scheppingsbegin op aarde hebben geleefd, in zich op om alles en allen heen te leiden naar de grote en heerlijke dag des HEREN, de dag “dat de HERE de enige zal zijn en zijn naam de enige” (Zacharia 14:9); de dag “dat de verstandigen zullen stralen als de glans van het uitspansel, en die velen tot gerechtigheid hebben gebracht als sterren voor eeuwig en altoos” (Daniël 12:2v.).

Deze universele, oecumenische en eschatologische kijk op de geschiedenis heeft in het Evangelie zijn bevestiging en vervulling gekregen. Daarom is het boek Daniël méér dan enig ander profetisch boek onmisbaar om het Evangelie te verstaan. Zonder het boek Daniël kan men de eigenlijke betekenis en draagwijdte van de zendingsopdracht en van het doopbevel in Mattheüs 2 niet verstaan. De universele, oecumenische, eschatologische kijk op de geschiedenis van de profeet Daniël is er de vooronderstelling van. Het Evangelie, het christelijk geloof, het authentieke christendom, zij zijn gegrond op de grootse, majestueuze kijk op de geschiedenis van de grootste aller profeten: de profeet Daniël, wiens naam betekent: God is mijn rechter.

Groen als voorbeeld

En nu kom ik terug op de uitspraken van Groen van Prinsterer over de geschiedenis. Hij had het over “het vlammend schrift van de heilige God”, over “de Heilige Schrift, die ook de historische schrift is”, over de historie “gelijk zij niet enkel door de reeks der daden, maar vooral door de ontplooiing der begrippen gevormd wordt en gelijk zij door de feiten der openbaring haar aanvang en betekenis en richting en eenheid ontvangt.”

Ik herhaal: het vlammend schrift, de historische schrift, ontplooiing der begrippen, aanvang, betekenis, richting en eenheid. Wat wil dat anders zeggen dan dat hij in de chaotische wirwar van gebeurtenissen en daden toch een goddelijk stramien heeft ontdekt? Wat voor hem eerst een woest en ledig, een tohu wabohu was met duisternis en afgronden gelijk in den beginne, dat werd tot goddelijke sprake, tot goddelijk schrift met een aanvang, met betekenis, met een richting, kortom tot een eenheid. Uit de nachtelijke duisternis kwam licht voort. En dat dankzij het “Er is geschreven!” Dankzij de profeten, dankzij Daniël, dankzij het Evangelie.

Door de Heilige Schrift is Groen van Prinsterer een christenhistoricus geworden. Door zijn omgang met de Schrift heeft hij zich de grootse, majestueuze kijk op de geschiedenis eigen gemaakt, die zijn oorsprong heeft bij de Israëlitische profetie, die zijn rijkste ontplooiing heeft gehad bij de profeet Daniël, die zijn vervulling heeft gehad in de openbaring van de Zoon des mensen, en die in de prediking van het Evangelie het geestelijk bezit is geworden van alle volken.

Daarvan getuigt ook die andere uitspraak van Groen:

“Het is den kortzichtigen sterfeling niet vergund om in ijdelen waan de raadsbesluiten Gods vooruit te lopen en den sluier op te heffen, dien Hij over de geheimenissen van het wereldgebeuren gelegd heeft; maar het is den gelovigen en ootmoedigen christen evenmin vergund om het oog te sluiten voor de lichtstralen, waarin bij de wonderen der historie de glans Zijner volmaaktheid schittert.”

De lichtstralen, waarin de glans van Gods volmaaktheid schittert, wat kunnen die anders zijn dan de lichtstralen, die de profeet Daniël in het geschiedgebeuren heeft zien glanzen, namelijk het universele, oecumenische en eschatologische aspect van de geschiedenis? De geschiedenis is een goddelijk weefwerk. Zij mondt uit in de eeuwigheid en heeft daarom eindtijd-karakter. Wel lijkt zij telkens vast te lopen in het tijdsproces in uitzichtloze situaties, in nehustan-situaties, maar toch breekt telkens de geschiedenis als vlammende sprake van de heilige God weer heen door alle obstakels en stagnaties. Dan wordt opnieuw zijn Mene-tekel-schrift zichtbaar op de wanden van het menselijk bestaan.

Van die lichtstralen leggen nu de geschiedwerken van Groen van Prinsterer als christen historicus getuigenis af. Eerst nog spaarzaam in de uitgave van de Archives ou correspondence inédite de la maison d’Orange Nassau. Dan nadrukkelijker in het Handboek der geschiedenis van het vaderland. De strekking van de boek omschreef Groen aldus: “Ik heb doen zien, dat op de belijdenis van het Evangelie de opkomst en bloei, op de verzaking van het Evangelie de ondergang van Nederland is gevolgd.”

Maar voluit en nadrukkelijk spreekt Groen zich als christenhistoricus uit in de voorlezingen, die hij in de winter van 1845-46 te zijnen huize gehouden heeft voor een uitgelezen vriendenkring en die hij daarna uitgegeven heeft onder de titel Ongeloof en revolutie. Het werk was gerijpt bij het schrijven van het slotgedeelte van het Handboek, dat wil zeggen de smadelijke gebeurtenissen van 1795 en daarna. Men kan stellen, dat Groens geschie- denisconceptie toen voor het eerst een apocalyptisch en eschatologisch karakter heeft gekregen. Het is dan ook in de Voorrede van dit werk dat de zegswijze voorkomt van de geschiedenis als “Gods vlammend schrift”.

Men kan zeggen, dat sinds de publikatie van Ongeloof en revolutie Groens benadering van de geschiedenis in zoverre iets profetisch gekregen heeft, dat het hoe langer hoe meer en hoe langer hoe nadrukkelijker ook het heden betrok bij het verleden en het plaatste in de glans van de lichtstralen van Gods volmaaktheid. De rijkste voorbeelden daarvan zijn naar mijn overtuiging de twee geschriften L’Empire Prussien et l’Apokalypse en La nationalité religieuse en Hollande. Uit die geschriften blijkt, dat de historicus, wiens oog gescherpt is door de Schrift en die zich de geschiedenisvisie van de profeten en van het Evangelie heeft eigen gemaakt, daardoor in staat is om ook de vlammende sprake Gods en de lichtstralen van Gods volmaaktheid in het heden waar te nemen. En ik heb de gedachte, dat dat wel de voornaamste taak zou kunnen zijn van christenhistorici, willen belichten. Het zou hen een profetisch aureool geven.

Jaargang 03 (1992) No 1